Afzeikhumor

Toen ik jong was, luisterde ik uren en uren naar Eric Clapton, die ik een virtuoze gitarist vond. Ik speelde hem na. Ik oefende en oefende en opeens kon ik sommige van die solo’s nadoen. Maar als ik niet met die plaat meespeelde, klonk het nergens naar. Of je een knikker in een ijzeren pot liet rollen.

Medium opheffer 47 11 jaloers

Hoe kon dat? Ontbrak het mij aan soul? Aan talent?
Op school oogstte ik wel bewondering, tot ik een jongen tegenkwam die veel beter speelde dan ik.
Hoe kon dat?
Ik heb destijds mijn spel naar een iets hoger niveau weten te tillen, maar echt goed werd het nooit. En dat was de zoveelste teleurstelling. In schaken moest ik mijn meerderen erkennen, in pianospelen, in gitaar spelen, in voetbal, in school - er waren altijd kinderen beter dan ik.
Op de universiteit werd het nóg erger. Ik kwam aan als een dichter en schrijver, maar werd heel snel overtroefd door allerlei jongens uit dorpen en steden waarvan ik echt nog nooit had gehoord en die niet alleen een gouden pen hadden, maar daarnaast ook nog eens kleine Mozarts waren, en bovenal - wat het ergste was - met grote regelmaat neukten.
Ik kon dat nauwelijks verkroppen. Dat ik niet de beste was, was tot daar aan toe, maar dat ik bij lange na niet de beste was, maakte me week van jaloezie. Het talent van anderen snoerde mij de mond. Gitaar, piano en pen legde ik neer, het schaakbord bleef onaangeroerd.
Wat te doen?
Het antwoord ontmoette ik tijdens vervelende colleges taalkunde. Daar zat een jongen, Tom, die hetzelfde wilde als ik, maar er eigenlijk ook niets van kon. We vormden een gitaarduo, en ik begon met een project dat ‘Honderd liefdesliedjes’ heette. Ik had me namelijk voorgenomen om honderd liefdesliedjes te schrijven. Dat is gelukt. (Een deel daarvan is via mijn fansite te horen, nooit verder vertellen.) De liedjes zelf waren matig.
Mijn vriend Tom en ik hadden plezier. Vooral in het denigrerend bespreken van de jongens die in alles beter waren dan wij. Langzaam ontwikkelden we een eigen afzeikhumor. We gingen expres domme vragen stellen aan de knappe koppen en als we dan serieus antwoord kregen, hadden we de grootste lol. Het was humor die alleen wij tweeën begrepen. Die humor werd harder en harder, althans, gemeten naar die tijd.
In 1976 kwam een van die knappe studenten zomaar om het leven. Hij was thuis van de trap gevallen en had zijn nek gebroken. Iedereen huilde. Behalve wij. 'Boontje komt om zijn loontje’, fluisterde Tom. 'Plaats vergaan, opgestaan’, zei ik dan weer. We beten op onze handen om niet in lachen uit te barsten.
Tijdens de begrafenis - een van de treurigste die ik me kan herinneren - konden wij onze emoties alleen beheersen door keiharde grappen te maken. We bekeken de meisjes met wie de overledene geneukt had en zeiden: 'Die Marjolijn van de Werf is nu voor mij!’ 'En die Ingrid Verhulst… ik ga m'n lul tussen haar tieten leggen, en me straks al op haar aftrekken, op het moment dat de kist daalt.’
We moesten weer op onze hand bijten van het lachen, terwijl The Mamas and the Papas Monday, Monday zongen, dat we niet wilden horen omdat we het niet aankonden. Smakeloosheid is een jeugdpuist die je weerbaar maakt tegen eenzaamheid en is succesvol bij egoproblemen; het helpt ook tegen een rotleven in het algemeen.
Voor te grote smakeloosheid ben ik nu te oud.
Ik weet ook nog dat ik in die tijd in mijn studentenkamer in bed lag, er niet uit wilde en huilde van haat; iedere keer als de telefoon in de gang klonk hoopte ik tevergeefs dat het mijn moeder was.