AGATHA CHRISTIE

Agatha’s moordmotieven

LAURA THOMPSON

AGATHA CHRISTIE: AN ENGLISH MYSTERY

Headline Review, importeur Van Ditmar

Boekenimport, 534 blz., € 34,99

De detectives van Agatha Christie blijven fascinerend voor wie zich met iets spannends wil ontspannen.

Bij de detectiveromans van Agatha Christie voelt een lezer zich verplaatst naar een Engeland dat, ook al is het verdwenen, onverminderd herkenbaar is. Hoe dit te verklaren? Komt het door de tientallen films, naar haar boeken gemaakt? Of zou het komen doordat de decors overeind zijn gebleven, net als sommige figuranten? Dorpjes lijken nog altijd voort te sluimeren in een Edwardiaans welbehagen. Overal is wel een High Street, met een drogist of apotheek waar wellicht rattengif te krijgen is, of cosmetica om jezelf een ander uiterlijk te geven. De green, met cricketspelers die in een beschaafde stilte elkaar naar een andere wereld wensen. De pub, met accommodatie voor de speurder uit Londen die het misdrijf komt oplossen. De kerk met de begraafplaats, huizen in authentieke of nagemaakte Tudor-stijl, villa’s met theetafels en een tennisbaan, vrouwen uit de upper middle class die elkaar moorddadig beloeren van onder hun zonnehoeden.

Dat alles, nog aangevuld met butlers en dienstmeisjes, vlijmscherpe messen met een heft van Oriëntaals design, blaaspijpen voor onbekende Zuid-Amerikaanse gifsoorten en andere parafernalia, valt aan te treffen in de gouden tijd van het traditionele Engelse detectiveverhaal: de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw. En Agatha Christie mag gelden als de meest gelezen en meest representatieve vertegenwoordigster van die periode. Zij is om zo te zeggen de oma van een genre. Haar lange leven (1890-1976), haar energie en verbazingwekkende productiviteit (zo’n honderd boektitels, plus vele toneelwerken) hebben Christie een reputatie bezorgd waarbij die van Shakespeare misschien wel achterblijft, want diens werken zijn in veertien talen minder omgezet dan die van Christie. Tegelijk kleeft aan die reputatie een element dat je, in dit verband toepasselijk, ‘iets verdachts’ zou kunnen noemen.

Nederlandse beoefenaren van het misdaadgenre hebben zelden een goed woord voor haar over. Gevraagd naar hun favorieten komen ze bijna allemaal altijd met Amerikanen aanzetten, Raymond Chandler en Dashiell Hammett voorop. Het is of onze hardgekookte Hollandsche jongens niet van puzzeldetectives houden. Blijkbaar gaan zij meer voor de ‘actie’.

Natuurlijk zijn ook bij Christie moord en doodslag verre van afwezig. Haar oeuvre overziend schat ik dat per Christie gemiddeld 2,2 personen door iemand om het leven worden gebracht. Maar het is waar dat bij deze schrijfster de _whodunnit-_kwestie meer gewicht krijgt toegekend dan het geweld. In haar wereld bestaat nog geen ‘zinloos geweld’. Met andere woorden, het is haar minder te doen om de misdadige actie dan om het motief daarvoor. Meestal komt zo’n motief voort uit materiële behoeften, maar soms is het wraakzucht die tot het misdrijf leidde en een enkele keer een gefnuikt rechtsgevoel, dus om een schuldige te straffen. Niet zelden kan de lezer het motief zeer wel ‘meevoelen’.

Tijdens de lectuur van een gemiddelde Christie blijven alle personages – circa tien in getal – in principe verdacht tot aan het moment van de ontknoping, wanneer ofwel degene die het meest onschuldig leek de dader blijkt, of juist iemand die weliswaar de meeste verdenking op zich laadde, maar die het onmogelijk kon hebben gedaan vanwege bijvoorbeeld een waterdicht alibi. De formule van de minst waarschijnlijke dader is in overeenstemming met het antwoord dat de schrijfster haar detective Hercule Poirot in de mond legt op de vraag of hij geïnteresseerd is in alle mensen of slechts in potentiële criminelen. Poirot (in Death on the Nile): ‘Madame – die categorie zou niet veel mensen buitensluiten.’

Meer dan eens is Christie beschuldigd van een snobistische kijk op de werkelijkheid; haar wereldbeeld zou bestaan uit stereotypen, gebaseerd op gefixeerde opvattingen betreffende afkomst en klasse. Daar is zeker iets van waar. Geboren in het Victoriaanse tijdperk was zij zelf de zeer beschermd en liefdevol opgevoede dochter uit een gefortuneerd upper-middle-class-milieu. Maar los daarvan is het de moeite waard erop te wijzen dat in haar werk stereotypen een onderdeel vormen van haar trukendoos. Op stereotypen gebaseerde verwachtingen die bij de lezer zijn gewekt, dienen om diezelfde lezer te manipuleren en aan het slot te verrassen. Het gebruik van stereotypen ter misleiding wordt soms toegepast in de klaarblijkelijke wetenschap dat de lezers geloven dat de schrijfster erin gelooft.

De ideeën over karaktereigenschappen die Christie investeerde in haar personages zijn vaak heus niet zo ondubbelzinnig. Haar intriges zijn afgeleid uit die personages: een omkering van de werkmethode van de meeste misdaadauteurs. Aan het einde van haar verhalen blijkt pas hoe die in elkaar hebben gezeten als doorwrochte en vindingrijke constructies, waaraan iedere volzin heeft bijgedragen.

Het boek van Laura Thompson is niet de eerste Christie-biografie. In 1984 verscheen een alleszins heldere levensbeschrijving van Janet Morgan. De claim van Thompsons uitgever – ‘Written with unique access to her diaries, letters and family’ – werd destijds in ongeveer dezelfde termen geformuleerd door die van Morgan: zij had ‘sole access to family papers and other protected material’. Het zal erop neerkomen dat beide dames toegang hadden tot Greenway House, het kapitale pand in Devon (een van de acht huizen die de schrijfster op zeker moment tegelijkertijd bezat) waar sinds de dood van de eigenares weinig of niets veranderd heet te zijn. Thompson trof daar tussen de brieven, foto’s, doopjurken en andere spullen zelfs nog een envelop met een stukje zeep (‘Pears soap’) van Agatha’s vader aan. Misschien was het de confrontatie met zulke intieme memento’s, of een daardoor teweeggebrachte vervoering die haar nu en dan de biografische grenzen deed oversteken naar zoiets als een vie romancée, een genre dat men al uitgestorven waande. Hier wordt de biografie een damesroman, en een amalgaam van genres pakt zelden succesvol uit.

Het hart van Thompsons boek wordt ingenomen door de geschiedenis van Agatha Christies tijdelijke verdwijning in 1926. Christie was toen, kort na de dood van haar moeder en met een echtgenoot die had laten weten te willen scheiden, het slachtoffer van een zenuwcrisis. Haar onvindbaarheid gedurende elf dagen, breed uitgemeten in de sensatiepers, is door verbolgen journalisten nadien wel uitgelegd als stunt, bedoeld om de verkoop van haar boeken te bevorderen. De familie sprak van geheugenverlies. Waarschijnlijk is de actie van de schrijfster een (vergeefse) poging geweest, ondernomen in een staat van ontreddering, om haar echtgenoot aan zich te binden.

Het ligt voor de hand dat de biograaf van een schrijver het resultaat van zijn onderzoekingen zo spannend mogelijk wil opschrijven. Meestal valt dat niet mee, daar de essentie van de meeste schrijverslevens neerkomt op zittingen in een eenzaam kamertje, waar een stille strijd wordt gevoerd met gedachten en schrijfgerei. Het is niet onlogisch dat de biograaf, zeker als hij het leven van een zeer vruchtbaar schrijver moet beschrijven, zich dankbaar meester maakt van de enkele bijzondere ondervindingen uit zo’n leven en er meer sap uit wil persen dan erin zit. Aan dat gevaar is Laura Thompson met haar relaas van Christies verdwijning niet ontsnapt. Voor het overige is haar boek minstens even informatief als dat van haar voorgangster (het telt ook veel meer tekst), al kan men voor informatie over de afzonderlijke romans en verhalen nog steeds beter terecht bij Janet Morgan.

Christies eerste man was piloot en oorlogsheld; ze trouwde in 1930 opnieuw, nu met een bezadigde archeoloog. Haar nieuwe echtgenoot, veertien jaar jonger dan zij, was volgens Thompson meer een vervanger van haar moeder dan van haar flamboyante eerste man. De grondslag van Agatha’s tweede huwelijk zou dan ook eerder kameraadschap dan liefde zijn geweest. In elk geval schonk het de schrijfster – in het openbare leven een verlegen, teruggetrokken persoonlijkheid – genoeg evenwicht om de productie van een ononderbroken reeks speurdersverhalen mogelijk te maken. Sommige jaren (het trouwjaar 1930 was daar één van) leverden vijf titels op. Niet alles in dat reusachtige oeuvre is even sterk, maar vrijwel iedere Christie-detective uit de periode 1930-1960 is boeiend, of zelfs fascinerend voor lezers met voldoende gezonde zelfzucht om zich nu en dan te ontspannen met iets spannends.

In de laatste jaren van de schrijfster is de gemiddelde kwaliteit van haar voortbrengselen aanzienlijk geslonken, maar ook daar vind je interessante uitzonderingen. Opmerkelijk was At Bertram’s Hotel uit 1965. In dat boek belandt Miss Jane Marple (oude vrijster, bewoonster van het fictieve dorp St Mary Mead, en naast Poirot Christies belangrijkste met een speurneus toegeruste schepping) in een Londens hotel, waar niets is wat het lijkt. Op het eerste gezicht zijn in Bertram’s Hotel alle gewoonten en alle normen en waarden uit het gekoesterde verleden van Miss Marple ongeschonden overeind gebleven. Het Edwardiaanse tijdperk lijkt hier voor eeuwig gestold, compleet met thee en precies de goede taartjes om vijf uur in een lounge die is opgetrokken uit mahoniehout. Maar helaas, uiteindelijk blijkt het hotel te fungeren als dekmantel voor criminele activiteiten. Het is dus allemaal bedrog. In het voor Marple zo onherkenbaar geworden Londen bestaat voor haar geen ander toevluchtsoord meer dan haar herinneringen.

Voor de ontelbare liefhebbers van Agatha Christie daarentegen blijft haar oeuvre beschikbaar als een onaantastbaar bolwerk, een Bertram’s Hotel dat zich nooit zal laten ontmaskeren.