Agenda

Een religieus ritueel, zich doorgaans voltrekkend op een grauwe januari-ochtend in de kerstvakantie, op mijn tienerkamer waar ik, ouwelijk geboren, voornamelijk Simon en Garfunkel draaide: ik sloeg mijn schoolagenda open op het nieuwe jaar en fluisterde plechtig dat voortaan alles anders zou zijn. Ik had een door de neonkleuren van de jaren negentig volstrekt onaangetast soort zwaarmoedigheid als het op bestaan aankwam. (Potsierlijk, zou ik nu kunnen zeggen, maar ik val de tiener die ik was niet graag af: zij zou omgekeerd minstens zoveel redenen kunnen opsommen om mij met het woord ‘potsierlijk’ te omschrijven.)

De dagen in mijn agenda waren woest en ledig. Het nieuwe jaartal lag nog onwennig in de mond, een futuristisch getal. Ik sprak het uit. Ik nam de tijd om het gewicht van alles wat geweest was weg te voelen zakken, van mijn schouders naar mijn voeten. Ik nam de tijd om alles wat eraan kwam boven me te voelen; die beloftevolle, nader in te vullen leegte. Ik zou niet zomaar, ongemerkt, in iemand veranderen. Ik bedacht wie ik wilde worden, wat ik af zou schudden, wat ik door zou zetten. Ik zou opletten. ‘Dit jaar wordt alles anders.’ Een gebed.

Meestal veranderde ik op zo’n dag ook mijn kamer. Ik verschoof daarbij niet alleen de meubels, voor zover dat al mogelijk was; ik veranderde mijn identiteit. Posters van Dylan uit Beverly Hills, 90210 maakten plaats voor Loesje-pamfletten. Boekenplanken werden leeg geveegd en vol gezet met statige familieportretten die ik van de rommelmarkt had gered. De hypermoderne metalen stoel die ik bij het grofvuil had gevonden werd vervangen door een roze poef die van mijn oma was geweest.

Mijn oudere zus, die ongehinderd leek door de drang zichzelf steeds opnieuw te moeten uitvinden, heeft nog levendige herinneringen aan het jaar 1996. Het jaar waarin ik zestien werd en mijn kamer op één januaridag veranderde van een donkere grot vol krantenberichten over moord en doodslag, Black Death-sigaretten en pockets van Sartre en Ephraim Kishon naar een licht gezelligheidscentrum met kunstrozen en een tafelkleedje dat ooit een gordijn was geweest. Mijn zus betrad mijn voorheen zo zwartgallige kamer, keek verbijsterd rond en zei: ‘Nu vind ik je pas écht eng.’ Ik dacht: een mens groeit vast aan andermans geheugen. We hadden allebei gelijk, denk ik nu.

‘U heeft een nieuwe terugblik’, meldt mijn telefoon. Met één klik kan ik het volle gewicht van wat geweest is over me heen kieperen en laten zakken, van de schouders naar de voeten. Daarna kan ik voelen wat er boven me hangt. Ik kan een jaartal en een bezwering fluisteren. (Dit hoeft je huis niet langer te zijn. Je kunt je stad verlaten. Je man. Je kunt je naam uit klimmen. Je voorgeschiedenis, opvattingen, danspatronen afschudden. Dit is een nieuw jaar.) Gloednieuwe dagen, onaangetast, in het doosje nog. Geen enkel geloof verdwijnt ooit helemaal. Meestal wordt het alleen maar zo’n beetje bedekt met het stofgrijze tapijt van de berusting. Rationelere inzichten. Fatalisme misschien. Volwassenheid ook. Maar daaronder, daaronder. Je vertelt jezelf dat er slechts één leven beschikbaar is. En dat verandert niets aan de hunkering een heel rolletje leeg te vreten.

Omtrek

Ik lette even niet op
en was iemand geworden die forenst
Ze zeggen dat ik berekend kan worden,

een brievenbus voor folders
Ergens vouwt een lichaam zich
op voor de reiskoffer

Laat me tegen iemand opkrullen
die mijn locaties doorzoekt,
me geruststelt met wie ik ben

Maarten Buser,
uit: Het liegend konijn, 2019