Essay: Herinneringen aan een staatsgreep

Agenda uit Argentinië

Vijfentwintig jaar geleden vertrok Fleur Bourgonje in grote haast uit Argentinië. Haar zakagenda van toen brengt herinneringen boven aan de staatsgreep van Videla.

Ik heb van oktober 1973 tot half mei 1976 in Argentinië gewoond, hoe kon ik dat vergeten. Ik ben er gelukkig geweest, hoe kon ik dat vergeten. Ik ben er ongelukkig geweest, ik ben er kwaad geweest, ik ben er bang, radeloos, verlamd van angst geweest, hoe kon ik dat vergeten, bijna vergeten, niet vergeten maar begraven, begraven in een kuil in de bodem van mijn geheugen en bedekken met het zand van nieuwe landen, nieuw geluk en nieuwe angsten: met het zand van de tijd.

Maar nu heeft een kroonprins als de eerste de beste boerenknecht een schop in zijn handen genomen en in mijn geheugen staan spitten en graven, hij heeft stenen opzij gegooid en met zijn nagels de laatste resten modder weggekrabd. Toen ik in de gaten kreeg waarmee hij bezig was, heb ik geprobeerd hem van het kerkhof in mijn hoofd te verjagen, ik heb ’s nachts een hangslot om het hek proberen te bevestigen en ik heb hem toegeroepen dat een man als hij wel iets beters te doen heeft dan mijn geheugen overhoop te halen en daarmee mijn leven of wat toen, in Argentinië, mijn leven was geweest. Maar het kwaad was al geschied: zijn schop was blijven steken in wat het diepst lag en hij, hij was al overgegaan tot het verwijderen van de rouwranden rond zijn nagels, hij stond zijn handen al te wassen en het kerkhofzand van zijn maatkostuum te slaan.

Van mijn Argentijnse leven en van wat ik toen bezat heb ik niet veel kunnen redden, ik ben er in grote haast en letterlijk met lege handen weggegaan. Maar de zwarte zakagenda die ik gisteren op de bodem van een weggestopte doos heb teruggevonden, moet ik op 12 mei 1976, een woensdag, toch hebben meegenomen en ook de samengebonden brieven die nu, vijfentwintig jaar nadat ze werden geschreven, bijna onleesbaar en onbegrijpelijk zijn.

De zakagenda bestrijkt een jaar waarvan ik een aantal maanden en een aantal mensen heb willen vergeten maar dat zichzelf nu als een gefragmenteerde film — deels speelfilm, deels documentaire — tegen het witte doek van mijn heden projecteert; ik hoef mijn ogen maar dicht te doen of het komt tot leven, ik hoef mijn oren maar af te sluiten of ik zit er middenin.

Moeder weg heb ik genoteerd.

In de nacht van 31 december 1975 op 1 januari 1976 vliegen mijn moeder en zusje terug naar Nederland na een verblijf van drie weken in Buenos Aires. Vooral voor mijn moeder is het geen ontspannen vakantie geweest. Ze heeft haar kleindochter van negen maanden leren kennen, dat wel, maar ze is over haar toeren geraakt van de bomaanslagen en het dagelijkse straatgeweld. Tijdens de eerste wandelingen door het centrum had ze al mensen met opgeheven armen tegen een muur zien staan, de loop van een mitrailleur in de rug, maar ik had haar steeds zo achteloos mogelijk een zijstraat ingeloodst of een bus ingeduwd en veel woorden maakten we er niet aan vuil. Het is ook een keer bijna te laat geweest: we liepen achter het kinderwagentje op Plaza San Martín toen het plein omsingeld werd door militairen. De staatsgreep van Videla was nog niet gepleegd, dat gebeurde pas drie maanden later, maar toch was het leger op straat al de baas. Mijn moeder zag dat we ingesloten waren en zette het in paniek op een lopen. Ik herinner me nu dat ze zomersandaaltjes met hakken droeg; op haar vlucht bleven die hakken tussen stenen steken, maar daar had ze geen erg in, ze rende voor haar leven. Ik gilde dat ze stil moest staan, dat er op haar geschoten zou worden maar ze was niet meer aanspreekbaar. Misschien was haar ontreddering zelfs voor de soldaten te evident want ze lieten haar lopen, ze stortten zich op degenen die beter wisten en speelden dat ze niets te vrezen hadden terwijl hun hart waarschijnlijk tegen hun ribben bonsde.

Op eerste kerstdag kwam de climax. Er moest een vertegenwoordiger van het Chileense verzet tegen Pinochet in veiligheid worden gebracht. Hij was met een vals paspoort en een vals uiterlijk vanuit Santiago naar Buenos Aires gereisd maar wist daar heg noch steg. Op Kerstmis is Buenos Aires altijd uitgestorven: de inwoners ontvluchten de broeierige stad voor een paar dagen pampa of strand. Wij wisten dat het leger niet naar de pampa of naar het strand was maar in de broeierige stad rondhing. Ik herinner me hoe angstaanjagend groot en opvallend die Chileen leek in de verlaten Avenida Corrientes, hoe hij aan alle kanten uitstraalde dat zijn tas een dubbele bodem, zijn schoeisel dubbele zolen had. Ik zie hem nog in ons kleine appartement zitten wachten tot hij naar zijn volgende adres kon worden gebracht, ik zie mijn moeder nog met argusogen naar hem kijken terwijl ze keer op keer in haar eigen taal herhaalde: «Laat hem in godsnaam weggaan. Ik heb mijn oorlog al gehad.»

In mijn zakagenda van 1976 staat op de eerste bladzijde in kleine letters moeder weg. We moeten allebei opgelucht adem hebben gehaald.

R.

R staat voor Regina.

Ik heb in het begin van dit jaar vaak R in mijn agenda geschreven, maar opeens nooit meer. Regina, politiek vluchtelinge omdat zij actief was geweest in de studentenbeweging van São Paulo, is de eerste uit onze vriendenkring die verdwijnt. Conrado komt het ons vertellen, zwetend, zenuwachtig, op dezelfde manier waarop we later door anderen worden ingelicht over zíjn verdwijning en die van Diana, zijn vriendin. Regina stond haar stiefkind bij het hek van de kleuterschool op te wachten toen ze toesloegen, de gemaskerden. Niemand heeft nog ooit iets van haar vernomen, niemand behalve de vrouwen in een martelcentrum die meenden haar stem met het Braziliaanse accent in de aangrenzende cel te hebben gehoord. Zo waren er ook vrouwen, later, die Diana’s stem meenden te hebben gehoord, die Conrado meenden te hebben gezien, die een teken van leven van Cucho en Lizi meenden te hebben opgevangen; steeds weer vlogen de in allerijl gewaarschuwde familieleden op het minste of geringste gerucht af, gecamoufleerd, behoedzaam, hoopvol vooral, maar steeds weer keerden ze ontgoocheld terug naar huis; de moeder van Regina heeft het er zelfs voor over gehad vanuit São Paulo naar een gevangenis in het noorden van Chili te reizen.

De R staat voor Regina, en omdat in Regina’s zakagenda misschien de F van Fleur heeft gestaan, is het vanaf nu oppassen, wie weet heeft ze er een telefoonnummer bij gezet, of een boodschap in een code die voor een inlichtingendienst als die van Argentinië gemakkelijk te ontcijferen is.

Tandarts Burín.

Februari is de maand van tandarts Burín. Hij gelooft dat het de goede kant opgaat met Argentinië. Terwijl hij mij geheel in zijn greep heeft, zegt hij dat het leger de bezem moet halen door het land dat het rijkste en beschaafdste van Zuid-Amerika zou kunnen zijn als er maar geen peronisten waren, als de guerrilla maar was uitgeroeid.

Februari is ook de maand van de antibioticakuren, ze staan zorgvuldig genoteerd net als de klachten: benauwdheid, koorts en nog eens koorts, slecht slapen. Klinisch onderzoek wijst niets uit. Pas later leren we dat angst de keel letterlijk dicht kan knijpen en de lichaamstemperatuur omhoog kan drijven, maar nu, een maand vóór de staatsgreep, slikken we pillen, het kleine kind nog de meeste.

Staatsgreep.
Op 24 maart, de dag van de staatsgreep van generaal Videla, ga ik naar de tandarts. Hoe is het mogelijk, denk ik nu, en nog onwaarschijnlijker lijkt het me dat ik een ontmoeting heb met Eduardo Galeano, schrijver en hoofdredacteur van het literaire tijdschrift Crisis, en dat ik ’s avonds naar Dood in Venetië van Visconti ga. Ik zal die afspraken wel afgezegd hebben, maar ze staan breeduit en zonder doorhalingen in mijn agenda. Realistisch daarentegen is de volgende notitie: het bezoek van Etelvina en Pepe Aguilar de dag erop. Ze komen afscheid nemen. Ze vluchten naar Spanje. Ze moeten wel: Pepe, documentairemaker, was in zijn jeugd, in Córdoba, buurjongen en boezemvriend van Che Guevara en had hem later in Cuba opgezocht. Ze doen hun huis op slot en stappen in het eerste het beste vliegtuig naar Spanje.

Op 4 april, een week later, worden we op de lunch genodigd door Sylvia Bermann, psychiater; ook zij was in Córdoba buur en vriend van de Guevara-clan. Haar dochter Irena zit niet met ons aan tafel. Waar is Irena? Ze is lid van de Montoneros, de peronistische guerrillabeweging. Is ze ondergedoken? Is ze dan al ontvoerd of gebeurde dat later? Ze zit niet aan tafel. Haar naam wordt niet genoemd, we praten om haar heen alsof we haar willen beschermen. De moeder, Sylvia, is lid van de Agrupación Evita; zij probeert me te overtuigen van de zege die Eva Perón voor de descamisados, de armen van Argentinië, is geweest.

Graciela G.

Op zondag 11 april komt Graciela Galeano uit Montevideo, Uruguay, langs. Beter gezegd: ze komt ons huis binnen gevlucht. Niemand zit haar achterna, ze wordt door niemand gezocht. Dat is het ’m juist. Ze zou op haar tweewekelijkse bezoek gaan bij Eduardo, haar man die al een tijdje in Buenos Aires woont, en vond een vreemde vrouw op haar pad. Ze zet haar tas met de voor hem meegebrachte cadeautjes in een hoek en zit uren op ons balkon zonder geluid te huilen. De bomaanslagen van de Montoneros (of was het de AAA, de Argentijnse Anticommunistische Alliantie?) dringen niet tot haar door, voor de huiszoekingen in onze buurt is ze niet bang hoewel de naam Galeano toch te denken geeft. De onmiddellijke toekomst jaagt haar meer angst aan vanwege de verloren liefde dan vanwege de dreigende politieke terreur. Toen begreep ik dat niet. Nu wel. Toen heb ik haar, herinner ik me, van haar privé-drama proberen af te leiden met het politieke drama dat niet alleen háár maar ons allemaal trof. Nu zou ik zonder een woord te zeggen een arm om haar schokkende schouders slaan.

Psychologie.

Op alle woensdagen van de maand april heb ik «psychologie» genoteerd, maar het lijkt me onwaarschijnlijk dat ik naar de colleges ben gegaan. De School voor Sociale Psychologie en Psychoanalyse stond als subversief te boek en er waren al heel wat stoelen leeg gebleven. Menswetenschappen waren ondermijnend, werd er gezegd; het was verstandiger economie of wiskunde te studeren. Ik neem aan dat ik die laatste maand voor mijn vertrek uit Argentinië op de woensdagavonden ben thuisgebleven.

L.

L. staat voor León. León is filosoof. Hij heeft verschil lende generaties studenten zijn maatschappijkritische denkbeelden bijgebracht, hij heeft boeken geschreven. Daarom moet hij nu maken dat hij wegkomt. Een Venezo laanse universiteit heeft hem een docentschap aangebo den. Aan het eind van het jaar, als ook ík in Venezuela woon, vertelt hij me de details van zijn overhaaste vertrek. Op de laatste avond jakkert hij in zijn oude auto door een van de noordelijke wijken van Buenos Aires. Het is donker. Hij kan zich niet veroorloven op de stoplichten te letten. Hij rijdt een overstekende oude man aan. De man blijft zwaargewond op straat liggen. L. kan zich niet veroorloven op de politie te wachten, hij heeft de namen van verschillende generaties maatschappijkritische Argentijnen in zijn hoofd en hij weet niet of hij stand zal houden tijdens de verhoren. Hij springt in zijn auto en jakkert verder, van huis naar huis, ten slotte naar het vliegveld. De aangereden man is overleden, dat heeft hij bij navraag vernomen. Hij, internationaal bekend als docent ethiek, heeft een rouwkrans naar de familie laten sturen en de schuld op rekening van de militaire junta gezet.

Naar Ned. heb ik in het vakje van woensdag 12 mei geschreven, maar in dat van dinsdag 11 mei staat nog wasserette alsof we in Argentinië zouden blijven.

Conrado brengt mij en mijn dochtertje, dat nu ruim een jaar is, naar het vliegveld; mijn man neemt een paar dagen later op aanraden van collega’s een vliegtuig naar Midden-Amerika. Conrado is journalist. Hij schrijft in La Opinión en is al jaren bezig een boek van Wilhelm Reich te vertalen. Hij woont samen met Diana; ook zij heeft voor La Opinión gewerkt maar slijt sinds kort haar artikelen aan Noticias, de krant van de Montoneros. Ze zijn allebei de redelijkheid in persoon, ze hebben niets weg van heethoofden, terroristen. Ze hebben een ondergedoken echtpaar in huis, dat wel, maar daarvan weet, denken ze, niemand iets. Wij brengen hem met de Nederlandse ambassade in contact om te proberen het echtpaar, dat gevaar loopt, naar Nederland te laten vluchten. Die poging loopt, zoals zoveel andere, op niets uit omdat de Nederlandse ambassade er immers is voor de behartiging van de belangen van het Nederlandse zakenleven in Argentinië, niet voor de belangen van Argentijnen die dat zakenleven dwarsbomen door politieke en economische chaos te creëren, door op te roepen tot stakingen en landhervormingen en de nationalisatie van de multinationals. Maar ook wij — Nederlanders die over Argentinië en Chili schrijven — behoren niet tot de kring van beschermelingen. Wij worden door de ambassade gemeden alsof we gevaarlijk zijn.

Conrado begeleidt mij en het meisje tot aan de douane. Hij laat ons niet los voor hij zeker weet dat we ongestoord kunnen vertrekken, hij wuift ons uit zoals hij een tijdje later mijn man zal uitwuiven. Een paar maanden later worden hij en Diana samen ontvoerd. Samen vermoord, denken we als we het horen.

Rijssen.
Op 16 mei is er van ons tweeën en de hele familie Arian een foto genomen op het grasveld voor het houten huisje van Belcampo in de bossen van Rijssen. Het is een idyllisch plaatje. Hoewel de zon schijnt, ziet mijn dochtertje bleek. Een paar dagen later wordt ze in Amersfoort in een ziekenhuis opgenomen. Diagnose: overdosis antibiotica, verwoes te ingewanden, antistoffen nul. Ze huilt dag en nacht omdat haar enige uit Argentinië meegenomen speelgoed en haar fopspeen haar wegens mogelijk besmettingsgevaar worden afgenomen. Ik ben brutaal, ik verloochen mijn Argentijnse verleden niet, maar mijn strijdlustige houding maken het isolement van het kind alleen maar groter. Als ik dat inzie, buig ik mijn hoofd en bijt mijn tong af, zoals ginds, zoals altijd en overal als met geweld wordt gedreigd.

Constandse, 15.00 uur.

Anton Constandse, de oude anarchist, komt ons, samen zijn vrouw Gerda, op 27 mei troosten. Ze komen per taxi vanuit Haarlem naar Amersfoort. Hoewel hij de hele wereld politiek op de VPRO-radio becommentarieert, heeft hij oog voor het kleine, voor het persoonlijke, voor het haast onzichtbare. We drinken thee en eten taartjes die zij hebben meegebracht. Bij het afscheid kan hij niet nalaten in mijn oor te fluisteren dat hij wel aan geld voor het verzet tegen Pinochet en Videla weet te komen, mijn bemiddeling is gewenst. We grijnzen. Het ergste leed lijkt geleden. We zijn, wie weet, weer aan zet.

Panama.

Op 12 juni zie ik mijn man terug op het vliegveld van Panama City, een surrealistischer plek voor een weerzien is niet denkbaar. Vandaar vliegen we naar Cuba. De Chileense, Argentijnse en Uruguayaanse vluchtelingen hokken bij elkaar op een verdieping van hotel Havana Libre. Ze lijken opgelucht, maar ook verdwaasd. Ze zijn afgesneden van hun familieleden en vrienden in het zuiden die ze, zo voelen ze dat, in de steek hebben gelaten in een moment van zwakte, van radeloosheid. Maar teruggaan is niet mogelijk: eens gevlucht altijd gevlucht, aan dat lot valt niet meer te ontkomen. De Cubanen delen hun rum en hun bonen en hun schaarse huizen, ze delen hun banen en houden bedden vrij voor de zieke en gedeprimeerde nieuwkomers. Maar onder de nieuwkomers overheerst het schuldgevoel. Ze willen in de nabijheid van de achtergeblevenen, de bedreigden, de ontvoerden wonen; wat ze — bij nader inzien — het liefst willen delen is de bezorgdheid, is zelfs de angst, is het verzet dat ginds, in hun vaderland, aan de dictatuur wordt geboden.

Van het gesprek dat ik volgens mijn agenda op 2 juli ’s ochtends om negen uur met de Colombiaanse schrijver Gabriel García Márquez heb gehad, herinner ik me geen woord. En van Havanna alleen het geweld waarmee de golven van de Caribische Zee op de kade sloegen en de schoonheid, de adembenemende schoonheid van het verval.

Nout Wellink bellen of er geld is.

Ook deze notitie komt me nu onwaarschijnlijk voor, maar het staat er echt: Nout moet op 17 juli worden gebeld over onze financiële situatie, hij alleen kan ons daarover informeren want hij houdt in die jaren uit vriendschap in een schriftje onze inkomsten en uitgaven bij.

Opnieuw gehecht.

Op 5 oktober wordt in het Prinsengrachtziekenhuis een wond op mijn rug opnieuw gehecht, zonder verdoving deze keer, en er wordt een drain in aangebracht. De wond móet helen want we gaan terug. Niet naar Argentinië, hoewel onze spullen daar zijn achtergebleven. Niet naar Chili, waar ook nog spullen staan. Deze keer bereiden we ons voor op Venezuela; onze gevluchte vrienden hebben ons vanuit Carácas uitnodigende brieven geschreven: geen politieke onrust, vrijheid van meningsuiting, huisvesting en zon in overvloed.

Artis.

We vergapen ons op 31 oktober in Artis aan dieren die we een paar maanden later in Venezuela vrijelijk door onze achtertuin zullen zien kruipen, en in de tweede week van november overhandig ik het geld van Anton Constandse aan de vertegenwoordiger van het verzet tegen de dictaturen in Chili, Uruguay en Argentinië, de Junta Coordinadora Revolucionaria. Dat het verzet vrijwel was uitgeroeid, konden we niet weten.

Carácas.

Op 10 december vlieg ik met mijn dochter, die een nieuwe darmflora heeft opgebouwd, naar Carácas. Mijn man zit daar al weken, hij heeft een huis gehuurd dat mij onherbergzaam lijkt. We zien onze vrienden terug, de meeste hebben nieuw werk en nieuwe liefdes gevonden. We zien ook het echtpaar terug dat bij Conrado en Diana zat ondergedoken, ze hebben inmiddels een kind en praten liever niet over het verleden. Ik kan hun aanwezigheid niet verdragen, ik kan het ogenschijnlijke gemak niet verdragen waarmee ze zwijgen over onze twee vrienden die hen én ons met gevaar voor eigen leven hebben beschermd tot we de grens over waren om daarna zelf opgepakt en afgemaakt te worden. Pas later begrijp ik de zin van zwijgen en de zin van proberen te vergeten.

Persconferentie ERP.
Het eind van het jaar valt samen met het eind van een illu sie. In een subtropisch zaaltje zit een van de weinige over levenden van de leiding van de Argentijnse trotskistische guerrillabeweging ERP achter een tafel waaromheen een roodzwarte vlag is gedrapeerd. Hij heeft de ongemakkelijke taak om publiekelijk schuld te bekennen, om toe te geven dat zijn Revolutionaire Volksleger, waarvoor Che Guevara het lichtend voorbeeld is, zich in de strategie en de tactiek heeft vergist: een guerrillabeweging kan in Zuid-Amerika een leger hooguit provoceren, niet verslaan, en een Zuid-Amerikaans leger provoceren leidt onverbiddelijk tot een bloedige onderdrukking waarvan niet alleen de guerrilla maar een groot deel van de bevolking het slachtoffer is.

Het zaaltje zit vol met ballingen, overlevenden, met mensen die in een radicale politieke omwenteling hebben geloofd, en dat geloof door dik en dun hebben beleden. Er zijn ook Venezolaanse journalisten, en die stellen vragen waarin ironie en zelfs cynisme doorklinkt: als in Venezuela, Peru, Uruguay, Bolivia en zelfs in het noorden van Argentinië in de jaren zestig en zeventig alle guerrilla bewegingen waren verraden en uitgeroeid, waarom had de ERP zich dan opnieuw in het avontuur gestort? Vanwaar die grootheidswaan, dat gebrek aan werkelijkheidszin? Zocht de ERP soms het heldendom, het martelaarschap?

Ik zit naast Marimeé. Ze is weduwe; haar man was lid van de ERP en werd in La Plata bij een gewapende actie dood geschoten. Ze zweet. Ik zweet. Iedereen zweet.

De man achter de tafel lijkt moedig. Hij beantwoordt het spervuur van vragen ogenschijnlijk onaangedaan, staat dan op en loopt weg. Waarheen? vraag ik me nu af, waarheen loop je als je op alle fronten bent verslagen en je niet alleen de vijand maar ook jezelf voor die nederlaag verantwoordelijk acht?

In dezelfde periode rekruteren de aanvoerders van de Montoneros in Rome en Madrid een groep jonge Argentijnen om een kazerne bij Buenos Aires te overvallen en wapens buit te maken. De jongelui worden afgeslacht. Natuurlijk worden ze afgeslacht. Maar in Rome en Madrid leven de aanvoerders verder.

Champagne.

In de nacht van 31 december 1976 op 1 januari 1977 zijn we vrolijk. Dat kan ik niet uit mijn agenda opmaken, maar ik herinner me dat we met vrienden op het nieuwe jaar toostten in ons huis Quinta Pura. Het is dan precies een jaar geleden dat mijn moeder in dat andere huis, in dat andere land, haar koffer pakte en, terwijl we opschrokken van de zoveelste bomaanslag — door links? door rechts? — almaar bleef herhalen: «Ik heb mijn oorlog al gehad, kinderen. Ik wil rust voor de rest van mijn leven.»