De russificatie van onze realiteit

Agenten van de chaos

In het Rusland van de jaren negentig moesten nepnieuws en complottheorieën aan het publiek worden opgedrongen. Nu verlangen we ernaar, ook in het Westen. Leven we in een realiteit die Poetin heeft gemaakt?

‘Vanaf krantenrekken en tijdens het tienuurjournaal grijnsde Poetin me toe. “Dacht je dat je weg kon komen?” leek hij te zeggen’ © Alexander Zemlianichenko / AP / HH

Gevoelens in plaats van ideeën. Relativisme dat zo extreem is dat het suggereert dat de waarheid onkenbaar is. Politici die zich wentelen in openlijke, schaamteloze leugens, alsof het er in de politiek om draait dat je juist wordt betrapt. De steeds weer nieuwe definities van de begrippen het volk en de massa, termen losgemaakt van betekenis, ideeën over de toekomst die uitmonden in gevaarlijke nostalgie met overal vijanden, samenzwering in plaats van ideologie, feiten gelijkgesteld aan leugentjes, discussies die ontaarden in beschuldigingen over en weer, waarin elk debat niet meer is dan een lastercampagne… en het gevoel dat de grond onder je voeten voortdurend in beweging is, inherent instabiel, vloeibaar…

Bijna tien jaar geleden vertrok ik uit Rusland omdat ik doodmoe was van het leven in een systeem waarin ‘niets waar en alles mogelijk is’, om met mijn eigen Hannah Arendt-citaat te spreken. Dat was nog een betrekkelijk brave tijd in Moskou – het was nog voor de inval in Oekraïne – maar het was al wel een wereld waarin woorden als liberaal of democratie werden gebruikt om het tegenovergestelde ervan aan te duiden, waar het gezond verstand had plaatsgemaakt voor spektakel. Alleen je instinct kon je nog door de mist van desinformatie leiden. Ik ging terug naar Londen omdat ik, in de woorden van mijn naïeve ik, wilde leven in een wereld waarin ‘woorden betekenis hebben’, waar feiten niet werden weggewuifd als ‘niet meer dan pr’.

Bovendien was Rusland uiteindelijk bijzaak, dacht ik, een curiosum ingelegd in zijn eigen kwellingen. Rusland benadrukte dit zelf: in West-Europa, Amerika, zijn dingen normalno, zeiden ze tegen me. Daar stuur je je vrouw, kinderen, geld naartoe als je de kans krijgt… naar normalnost.

Terug in Engeland vielen me al snel dingen op die me aan Moskou deden denken. Een vertrouwd triomfantelijk cynisme overheerste in de restaurants en kantoren aan Mayfair, bij de witwassers van geld en imago die de pas gemunte mondiale rijken bedienden. Niemand deed zelfs maar alsof hij deel uitmaakte van een prachtig verhaal van liberale democratie, van kapitalisme als een moreel project, van dat begrip ‘vrijheid’ dat de Koude Oorlog zou hebben gewonnen. ‘Vrije markten, vrije mensen’, luidde de mantra van The Wall Street Journal, te vinden in marmeren vergaderzalen of glanzend zwarte bars; maar geen mens geloofde daar nog in.

Toch leek de verfijnde anarchie van deze wereld ver van de rest van het land af te staan. Televisie en kranten zagen er niet gekker uit dan gewoonlijk. Tijdens mijn vele reizen naar DC bleven politici nog altijd min of meer binnen de grenzen van een redelijk debat.

Toen volgde het revolutionaire jaar 2016 en begonnen de dingen chaotisch te worden. Brexit, de Amerikaanse verkiezingen, de zware bombardementen op Aleppo: ‘normalnost’, en daarmee vele normen, werd afgedankt. Sindsdien zien we de opkomst van met samenzweringen schermende populisten in Europa; tsunami’s van hysterie op sociale media; nepnieuws, postwaarheid, alternatieve feiten en het soort polarisatie waarbij mensen niet meer met elkaar kunnen praten zonder schuim op de mond. In woningen van welgestelden in New Jersey of Peterborough kreeg ik zinsneden te horen die bijna letterlijk herhaalden wat ik overal in Rusland had gehoord: ‘Je kunt tegenwoordig over niets de waarheid kennen. Er is gewoon te veel informatie en desinformatie. Ik moet wel op mijn intuïtie afgaan, mijn emoties volgen.’

De instelling die ik in Rusland had gezien, bleek in het Westen griezelig gangbaar te zijn, en bovendien was Rusland zelf voortdurend aanwezig in het westerse nieuws. De inval in Oekraïne, bombardementen op Syrië… Rusland had onmiskenbaar weer een plaats verworven tussen de grote jongens van de politiek. En toen werd duidelijk dat president Poetin geheime cyberhacks en lekken gebruikte om westerse leiders in diskrediet te brengen; hij organiseerde verborgen campagnes op sociale media om ‘de democratie te ondermijnen’ en verkiezingen te beïnvloeden, waardoor je achter elk ongebruikelijk account op Twitter of Facebook een complotten spinnende trol van het Kremlin begon te vermoeden.

Rusland was van een niche-factor veranderd in een land dat de agenda bepaalde. Vanaf krantenrekken en tijdens de hoogtepunten van het tienuurjournaal grijnsde president Poetin me toe. ‘Dacht je dat je weg kon komen?’ leek hij te zeggen.

Ondanks al mijn pogingen Rusland te verlaten, had het me achtervolgd. Waarom? Leven we opeens in een soort Russische wereld die Poetin heeft gemaakt? Is zijn ‘inlichtingenoorlog’ echt zo ongekend effectief geweest?

Of kun je ook op een andere manier naar de russificatie van de realiteit kijken? Stel dat ik het verkeerd zag toen ik daar woonde. Stel dat Rusland geen gekweld curiosum op een doodlopende historische weg was, maar een voorafschaduwing van wat er zou komen in wat ooit het Westen werd genoemd.

***

De kunstenaars voelden het als eersten aan. Terwijl politici, geleerden en economen nog dachten dat Rusland na enkele verstandige hervormingen in vijf jaar (maximaal twintig) het Westen zou bijhalen, voelden de kunstenaars en dichters in de Sovjet-Unie aan het eind van de jaren tachtig en in het Rusland van begin jaren negentig de val al aankomen. Het was niet alleen het politieke stelsel dat instortte, maar ook een systeem om de wereld te begrijpen.

De Russische kunsthistoricus Boris Groys beschrijft in zijn boek History Becomes Form dit proces als de ‘Grote Tsimtsum’, een term die hij ontleent aan de joodse mystieke traditie van de kabbala, een alternatieve versie van de schepping waarbij God eerst de wereld schept en zich er vervolgens uit terugtrekt. ‘Door de terugtrekking van de sovjetmacht, of de Tsimtsum van het communisme, ontstond de oneindige ruimte van tekens ontdaan van zingeving’, schrijft Groys. ‘De sovjetideologie kende geen toeval (…) ze beschouwde zichzelf als het noodzakelijke product van historische ontwikkeling volgens het dialectisch materialisme (…). Begin jaren negentig was deze ideologie plotseling verdwenen – en raakte de wereld verstoken van betekenis… sovjetburgers dobberden ineens in een zee van lege betekenaars.’ Al lang voor de val van de ussr beschouwden veel sovjetburgers deze als een schijnvertoning, maar hun wereldbeeld was wel gebaseerd op diezelfde Sovjet-Unie, of ze die nu steunden, negeerden of afwezen.

Kunstenaars bedachten andere manieren om te reageren op deze Tsimtsum. Lev Rubinstein gaf spoken word-performances met in zijn hand een stapel cataloguskaartjes uit de bibliotheek, die kleine emblemen van culturele orde, waarop hij raadselachtige zinnen schreef die hij weggooide nadat hij ze had voorgelezen. Het gevoel van verdwaasde desoriëntatie is al aanwezig in Verder en verder uit 1984:

Een felle vlaag van nostalgie heeft je hier in haar greep. Hoe die ontstaat, is onbekend…
Hier herinnert alles je aan iets, duidt op iets, verwijst naar iets.
Maar zodra je begint te begrijpen wat wat is, is het tijd om te gaan.

Rusland had onmiskenbaar weer een plaats verworven tussen de grote jongens van de politiek

In 1993 waren de cataloguskaartjes nog onsamenhangender en was het ‘ik’ van de auteur ondergedompeld in een gebrek aan betekenis voor hij happend naar adem bovenkomt:

Nu, hier ben ik dan!
Heb ik misschien gedroomd…
Zelfs niet in een droom…
… gisteren nog maar…
(Herhaal vier keer)
Dus…
Dus hier ben ik! Haast ongelooflijk, en toch…

***

Waar Rubinstein cataloguskaartjes gebruikte om de instorting van de samenhang weer te geven, speelde Pavel Pepperstein met de gedachte om zingeving te herstellen in piepkleine bubbels. ‘Hij stak zijn energie en ambitie in de vorming van microsociale groepen die waren verbonden door een gemeenschappelijke persoonlijkheid’, schrijft Groys. Pepperstein beschreef het einde van de Sovjet-Unie als een periode waarin ‘de hemel zich opende’, vergelijkbaar met een psychedelische ervaring, ‘wanneer een breuk tussen systemen zowel vrees als de belofte van vernieuwing met zich meebrengt’.

Hij en zijn medewerkers creëerden wat ze ‘medische hermeneutiek’ noemden. ‘De teksten en beelden van medische hermeneutiek verwijzen altijd naar andere teksten en beelden (…) (ze) onthullen herhaaldelijk lege ruimtes, ogenschijnlijk toevallige constellaties van woorden en beelden die de medische hermeneutiek voorziet van betekenis’, schrijft Groys. In Peppersteins eigen woorden kwam het neer op ‘het sociaal bewustzijn onderzoeken en dat met milde therapeutische maatregelen proberen te kalmeren (…) (om) tegenover collectieve psychose een bewuste individuele schizofrenie te stellen die excessieve hartstocht tot bedaren kan brengen’. In een wereld van chaos is interpretatie, hoe privé ook, gezond verstand.

Een andere artistieke reactie was taal helemaal los te laten ten gunste van performance art. Deze vorm van fysiek optreden, met zijn versterkte emotie, leek de enige levensvatbare communicatie toen woorden betekenisloos waren geworden. Zo vond de performance artist Oleg Koelik zichzelf opnieuw uit als hond, op handen en knieën snauwend tegen bezoekers in zijn galerie, een rol die hij wekenlang speelde.

***

Ik noem deze kunstenaars niet alleen omdat ze de ingrijpende veranderingen in de samenleving weerspiegelden en haar politieke toekomst voorzagen, maar ook omdat velen uit dit milieu vervolgens het bestuur vormgaven. De bedenker van de term ‘medische hermeneutiek’ (Anton Nossik), de beroemdste moderne kunstimpresario van het land (Marat Gelman) en een van zijn beroemdste dichters (Timoer Kibirov) sloten zich allemaal aan bij het Fonds voor Effectieve Politiek, een nieuw pr-bedrijf dat werd opgericht door de grondlegger van het nieuwsagentschap Post Factum, Gleb Pavlovski, die in 1996 de campagne van president Jeltsin leidde en in 2000 die van Poetin. Pavlovski zocht een oplossing voor een land waarin veel mensen geen vertrouwen meer hadden in het communisme, noch in de rampzalige versie van het democratisch kapitalisme van begin jaren negentig, toen miljoenen mensen niet gewoon stierven door armoede, maar door depressies.

‘De communistische ideocratie was traag, maar het was desalniettemin een ideologische entiteit’, zei Pavlovski toen ik hem telefonisch interviewde, waarbij hij mij zo nu en dan vriendelijk doch streng verzocht mijn vragen nauwkeuriger te formuleren. ‘Mensen konden tot het eind aan toe tenminste discussiëren over de positieve en de negatieve kanten van het communisme. Nu ontstond een vacuüm dat een nieuwe taal vereiste. We waren een volstrekt leeg doek.’

Het landschap was nu bezaaid met een overvloed aan microbewegingen die al doende hun eigen terminologie bedachten: nationaal-bolsjewieken en aanhangers van het neopaganisme, liberaaldemocraten die in werkelijkheid samenzwerende nationalisten waren, communisten die eigenlijk orthodoxe monarchisten waren met een vleugje sociaaldemocraat. Na peilingen in het land stelde Pavlovski vast dat de Russen in tegenstrijdigheden geloofden die niet pasten in de oude begrippen links en rechts: de meeste mensen geloofden in een sterke staat, mits die zich maar niet met hun privéleven bemoeide. Sovjetcategorieën als ‘arbeiders’, ‘collectieve boeren’ en ‘intelligentsia’ waren onbruikbaar bij verkiezingen – dat waren net als Rubinsteins verdwenen cataloguskaartjes etiketten die niets aangaven.

Pavlovski experimenteerde met een andere aanpak om een winnend electoraat samen te stellen. In plaats van zich te richten op ideologische argumenten, voegde hij sterk verschillende, vaak botsende sociale groepen samen als een matroesjka. Hun meningen deden er niet toe, hij moest er gewoon genoeg van verzamelen. ‘Je verzamelt ze voor een korte periode, letterlijk een moment, maar wel zo dat ze allemaal op één persoon stemmen. Hiervoor moet je een sprookje verzinnen waar ze allemaal in geloven.’

Dat ‘sprookje’ kon geen politieke ideologie zijn: de grote ideeën achter collectieve opvattingen over vooruitgang waren uitgewerkt. De uiteenlopende groepen moesten worden verenigd rond een centrale emotie, een gevoel dat krachtig genoeg was om allen te verenigen, maar dusdanig vaag dat het voor iedereen iets anders kon betekenen. Het ‘sprookje’ dat Pavlovski schreef voor de Jeltsin-campagne speelde in op de angst dat het land in een burgeroorlog verzeild zou raken als hij niet won.

Tegelijkertijd begon het Fonds voor Effectieve Politiek de Communistische Partij verdacht te maken in een vroege echo van het ‘nepnieuws’ en de ‘sokpoppen’ van tegenwoordig op internet. Pavlovski maakte posters die zogenaamd van de Communistische Partij afkomstig waren, waarop stond dat ze particuliere woningen zouden nationaliseren. Hij filmde acteurs die leden van de Communistische Partij speelden en anticommunistische pamfletten verbrandden. Hij nam astrologen in de arm die op tv het land hel en verdoemenis voorspelden als de communisten wonnen, tot een oorlog met Oekraïne aan toe.

Alle oligarchen van het land schaarden zich achter Jeltsin en leenden hem geld en gaven hem de steun van hun tv-zenders in ruil voor deals bij de uitverkoop van lucratieve staatsbedrijven. Amerikaanse imagoconsulenten bezorgden Jeltsin een metamorfose en hij danste op het podium met popgroepjes: de eerste Russische showkandidaat. Hij boekte een uiterst onwaarschijnlijke overwinning.

Pavlovski had een nieuw concept van ‘de meerderheid’ uit de hoge hoed getoverd, maar aangezien dit niet meer dan een emotionele truc was met weinig politieke inhoud, viel het kort erna uiteen, waarna onmiddellijk een nieuwe meerderheid werd gecreëerd ter ondersteuning van Jeltsins opvolger. Pavlovski peilde continu, een opkomende wetenschap in Rusland. Toen duidelijk werd dat mensen vooral respect hadden voor een kandidaat die een ‘intelligente spion’ was, een Russische mix van M en Bond, ging Pavlovski in de gelederen van de voormalige kgb op zoek naar potentiële opvolgers.

Het lijkt misschien vreemd dat iemand als Pavlovski hierop uitkwam. Hij was tenslotte als dissident begonnen. Als scholier in de jaren zeventig in Odessa haalde hij al grappen uit door papiertjes met de tekst ‘Ik stem op John F. Kennedy’ op de rug van docenten te plakken, een kranige daad van anti-sovjetrebellie. Als student verspreidde hij samizdatkopieën van Solzjenitsyns Goelagarchipel. Toen de kgb hem in de kraag vatte, sloeg hij – tot zijn eigen verbazing – onmiddellijk door en verlinkte een van zijn vrienden. Later zou Pavlovski zijn getuigenis intrekken, waardoor zijn vriend slechts kortstondig op een psychiatrische afdeling moest brommen in plaats van in de gevangenis. Begin jaren tachtig ging Pavlovski naar Moskou, waar hij een van de belangrijkste dissidentenkranten uitgaf, Pojski (‘Naspeuringen’); hij werd opnieuw gearresteerd en sloeg ook nu weer door. Deze keer bekende hij schuld aan het ‘belasteren van de Sovjet-Unie’. Zo’n bekentenis gold als beschamend in een dissidentencultuur die de soevereiniteit van het individu tegenover staatsdruk boven alles koesterde.

De slogans waren geniaal nietszeggend, zoals: ‘Poetins plan is Ruslands zege’

In een boek met gesprekken met Pavlovski wijst de briljante Bulgaarse politicoloog Ivan Krastev erop dat Pavlovski die nadruk op de soevereiniteit van het individu uiteindelijk zou verschuiven naar het concept van een sterke staat die het individu kon beschermen. Hij geloofde dat een hervormde, kosmopolitische USSR een beter middel voor vooruitgang was dan ahistorisch, accidenteel, in potentie racistisch Russisch nationalisme. Tijdens zijn binnenlandse ballingschap schreef hij brieven aan de kgb waarin hij uiteenzette dat deze beter met de dissidenten kon samenwerken voor het welzijn van de Sovjet-Unie. Nu hij probeerde Poetin aan de macht te brengen, kreeg hij zijn kans.

‘Eerst vond ik het concept van de Poetin-meerderheid uit en toen was die er opeens!’ vertelde hij me. Het leidende beginsel was deze keer ‘de achtergestelden’. Pavlovski benoemde alle groepen die er in de Jeltsin-jaren bij ingeschoten waren. Het ging om volstrekt ongelijksoortige segmenten van de samenleving die in de sovjettijd aan verschillende kanten van de barricades zouden hebben gestaan: docenten en types van de geheime dienst, academici en soldaten.

Poetin zelf werd gecast als een soort politieke performance artist. Toen hij op het toneel verscheen, bood hij fotosessies van waaghalzerij in plaats van ideologische samenhang: de emotionele roes van het equivalent voor ‘Make Russia Great Again’. Na verloop van tijd werden zijn slogans geniaal in hun nietszeggendheid: een ervan luidde ‘Poetins plan is Ruslands zege’. Op de vraag wat ‘Ruslands zege’ eigenlijk was, kon je eigenlijk alleen maar antwoorden: ‘Poetins plan.’

President Trump spreekt journalisten toe, Washington DC, 9 september © Sarah Silbiger / Bloomberg / Getty Images

Gedurende de bijna twee decennia die Poetin aan de macht is sinds Pavlovski hem in het zadel hielp, is het concept van ‘het volk’ dat zijn partij hanteert keer op keer hervormd. Toch wist dat idee altijd volkomen verschillende groepen te verenigen rond een roulerende vijand: eerst de oligarchen, daarna liberalen in de grote steden, en meer recent de hele buitenwereld.

Complottheorieën, altijd al wijdverspreid, zijn een overheersend idioom geworden. Deze zijn niet zozeer een middel om een bepaalde opvatting te ondersteunen, maar meer een wereldbeeld op zich: de hele wereld wemelt van de onpeilbare complotten, en daarom heeft ze een sterke man nodig die haar door de duisternis loodst. ‘Complotten doen zich voor wanneer ideologieën op raken’, stelt Krastev. ‘In plaats van een normatief debat over wie gelijk heeft en wie niet, fungeren ze als een manier om “ons” te scheiden van “hen”. Je kunt niet in discussie gaan met een complot, je staat of aan de ene of aan de andere kant ervan.’

Pavlovski belandde aan de verkeerde kant van die scheidslijn toen hij zei dat Poetin in 2011 moest terugtreden. Hij werd het Kremlin uitgegooid. Nu wordt hij beschouwd als een dubbele verrader: beschimpt door zowel de liberalen als de machthebbers.

***

Volgens Pavlovski maakt het huidige Westen dezelfde veranderingen door als Rusland in de jaren negentig. Een vertraagde reactie op een vergelijkbare crisis. ‘De Koude Oorlog verdeelde de mondiale beschaving in twee alternatieve vormen en beide beloofden de mensen een betere toekomst. Het staat vast dat de Sovjet-Unie verloor. Maar toen verscheen er een vreemde westerse utopie zonder alternatief. Deze utopie werd beheerst door economische technocraten die niets verkeerd konden doen.’

Je kunt diverse momenten aanwijzen waarop die ‘vreemde westerse utopie’ begon te wankelen: de inval in Irak rekende af met de gedachte dat politieke ‘vrijheid’ historisch onvermijdelijk of wenselijk was… De financiële crisis dreef de spot met de gedachte dat vrije markten ons naar een steeds betere toekomst leiden…

Misschien heeft iedereen zijn of haar eigen moment van teleurstelling. Ik herinner me de acute shock van de uitslag van het Brexit-referendum. Heel even was het alsof al mijn oude referentiepunten waren weggevallen. Ik beschouwde mezelf als een Europeaan. Wat was ik nu? Dit is wat schaal en trauma betreft niet te vergelijken met Peppersteins moment van de ‘hemel die zich opende’ in de Sovjet-Unie, maar er was wel een weerklank. In de weken na het referendum voerde ik intense gesprekken met machteloze mensen die plannen smeedden om de stemming terug te draaien. Op een gegeven moment realiseerde ik me dat dit niets met politiek te maken had: het was een soort pseudo-therapeutische doodlopende weg.

Andere veranderingen verliepen geleidelijker en waren misschien wel fundamenteler van aard. Britse opiniepeilers stellen al dertig jaar vast dat onze manier om de samenleving in te delen bijna even radicaal aan het verschuiven is als in Pavlovski’s Rusland.

Ten tijde van de Koude Oorlog werd het electoraat gedefinieerd langs eenvoudige lijnen van economische klasse: ideologisch links tegenover ideologisch rechts, lezers van The Guardian en lezers van The Telegraph. In de jaren negentig en begin jaren nul, toen politiek was gereduceerd tot een consumptieartikel, bedienden enquêteurs zich van de categorieën van marketingbedrijven: New Labour mikte op categorieën als de ‘Ford Mondeo-man’ en probeerde te voldoen aan diens economische wensen. Nu lijkt ook dat niet meer van deze tijd: mensen stemmen niet overeenkomstig eenvoudige categorieën als consumptiegedrag, zoals het Brexit-referendum zo duidelijk heeft aangetoond. Evenmin vertegenwoordigen kranten of politieke partijen per se duidelijke sociale categorieën. De oplage van de oude media is zo laag dat deze nauwelijks representatief zijn; mensen stappen bij verkiezingen gemakkelijk van de ene partij over op de andere. Het is alsof de kanalen waardoor we vroeger onze sociale identiteit stuurden, zijn gebarsten, waarbij een stroom van datapunten is vrijgekomen: kredietwaardigheid en koopgedrag, liefde voor voetbal en pornovoorkeuren. Begin jaren tien was het een tijdje in de mode de natie aan de hand van psychologische lijnen af te bakenen en economische klassen te vervangen door ‘open’ en ‘gesloten’ persoonlijkheden, gebaseerd op het idee dat ervaringen uit de kindertijd politieke keuzen bepaalden.

In deze stroom van identiteiten en ideologieën volgden politieke campagnevoerders strategieën die opvallend veel leken op die van Pavlovski, al zijn die nu verbeterd door sociale media en big data.

***

Neem Thomas Borwick, de slimme en spraakzame leider op technologisch gebied van de Vote leave-campagne, die me zwelgend in de nerdy details van zijn vakmanschap uitlegde hoe ze het referendum hadden gewonnen. Borwick stamt uit een familie van Conservatieve politici (zijn moeder was vroeger MP namens Kensington, zijn vader is een baron) en hij pakt zijn werk aan als een vroegwijze scholier die een raadsel oplost of een potje Risk speelt.

Waarom zou iemand eigenlijk behoefte hebben aan de ‘feiten’ als die teleurstellend zijn?

Hij moet bij zijn werk als campagnevoerder zoveel mogelijk data verzamelen over kiezers en op een schaal van 1 tot 5 berekenen van welke groepen de kans het grootst is dat ze zijn kant kiezen, en vervolgens uitzoeken wat die verschillende groepen naar de stembus kan lokken. Dierenrechten of gaten in de weg? Het homohuwelijk of het milieu? Hij schat dat een land met twintig miljoen inwoners zeventig à tachtig van dit soort gerichte boodschappen nodig heeft. Dankzij sociale media kan hij de boodschappen richten met een nauwkeurigheid waarvan iemand als Pavlovski in de jaren negentig slechts kon dromen. Borwicks taak is daarna de afzonderlijke motieven te koppelen aan zijn campagne, zelfs als dat verband eerst nogal zwak lijkt.

In het geval van de stem vóór Brexit bekende Borwick dat de succesvolste boodschap over dierenrechten ging. Vote leave beweerde dat de EU dieren wreed behandelde omdat deze bijvoorbeeld boeren in Spanje ondersteunde die stieren fokken voor de stierengevechten. En binnen het ‘dierenrechten’-segment kon Borwick zelfs nog preciezer mikken door het ene type kiezer te bestoken met treffende advertenties met gemutileerde dieren en een ander type met zachtaardiger afbeeldingen van schattige schapen.

Groot-Brittannië heeft in de jaren na het referendum geprobeerd vast te stellen welke ideologische redenen de uitslag hebben bepaald. Waren het nationalisten die in opstand kwamen tegen voorstanders van de mondialisering? Of was het socialisme in verzet tegen het neoliberalisme? Had het allemaal te maken met immigratie? Bezuinigingen? Uiteraard waren al deze kwesties belangrijk. Maar wie zoekt naar één groot ideologisch verhaal begrijpt het verkeerd. Het welzijn van stieren kan tegenwoordig net zo belangrijk zijn voor de politiek als alle bovengenoemde kwesties.

Pavlovski moest zijn ongelijksoortige groepen en doelen verenigen met een emotie waarop elk zijn doel kon projecteren, en dat deed Borwick ook. Hij slaagde daarin met de slogan ‘Take Back Control’, die zo geweldig sponsachtig is dat die voor iedereen iets anders kon betekenen, waarbij de EU en haar ‘establishment’ de vijand is die samenspant om dit te ondermijnen. ‘Volgens mij levert een duidelijk gedefinieerde vijand je waarschijnlijk twintig procent meer stemmen op’, vertelde hij me, altijd bereid cijfers te geven bij een uitspraak.

In deze omgeving worden ‘feiten’ van secundair belang. Je probeert tenslotte niet een feitelijk debat over ideologische concepten in een publiek domein met rationele actoren te winnen. Je doel als propagandist is niet een overlegdemocratie, maar een gesprek vinden dat je publiek vastzet en elke omgang met de vijand afbreekt. Sociale media katalyseren dit proces niet alleen, ze scheppen er een onafhankelijke vraag naar. Wie tegenwoordig door Twittert scrolt, waant zich bij een van de raadselachtige readings van Rubinstein. Wanneer de Russische geheime digitale beïnvloedingscampagnes in de Verenigde Staten een nieuw Pearl Harbor worden genoemd, of wanneer kritiek op Trump het etiket ‘mccarthyisme’ krijgt opgeplakt, zijn historische verwijzingen zodanig ontdaan van context dat ze doen denken aan cataloguskaartjes die in het publiek worden gegooid.

De enige feiten die er in de dynamiek van online doelen toe doen, zijn feiten die bestaande vooroordelen bevestigen. We verlangen online naar de emotionele opkikker van likes en retweets. Het doet er niet toe of de verhalen die je deelt afkomstig zijn uit onbetrouwbare bronnen, want je wilt gewoon zo veel mogelijk aandacht van gelijkgestemden. Alt-right-groepen hebben hun eigen signalen en codes ontwikkeld, compleet met een alternatieve rechtse Wiki om hun vreemde fascistische opvattingen uit te dragen. Er is weer samenhang mogelijk – maar alleen als je jezelf volledig overgeeft aan een gesloten gemeenschap, een ervaring die net zo schizofreen is als Peppersteins microsociale groepen. Een van de grappige, tragische verhalen van de laatste Amerikaanse verkiezingen was de invloed van ‘nepnieuws’-fabrieken die het publiek krankzinnige complotten influisterden over Hillary Clinton, die satanische rituelen zou uitvoeren of vanuit pizzeria’s een kinderprostitutienetwerk zou leiden. In Rusland in de jaren negentig moest Pavlovski wilde complottheorieën en nepnieuws aan het publiek opdringen – nu verlangt het publiek ernaar.

En waarom zou iemand eigenlijk behoefte hebben aan de ‘feiten’ als die toch alleen maar teleurstellend zijn? Dat je kinderen het slechter zullen hebben dan jijzelf; dat je je nooit een appartement zult kunnen veroorloven. Dat de Amerikanen stemden op iemand als Donald Trump – een man die het niet nodig vindt iets steekhoudends te zeggen, wiens vele tegenstrijdige boodschappen nooit een stabiele betekenis vormen – laat alleen maar zien hoeveel Amerikaanse kiezers niet meer vertrouwen op rationele vooruitgang gestoeld op feiten.

Trump is bepaald niet de enige die logica afwijst ten faveure van emoties en fysieke optredens – alweer een afspiegeling van het voorbeeld van de Russische kunstscene van de jaren negentig. Net als de performance artist spelen de succesvolste, aandacht genererende, vaak door sociale media voortgedreven politici op een toneel dat nu gespeend is van betekenis. Van de schietgrage Rodrigo Duterte op de Filipijnen tot Donald Trump in de VS en van Boris Johnson tot Vladimir Poetin zelf; politici stelen liever de show dan dat ze iets steekhoudends zeggen. Ze kunnen net zo goed op handen en knieën gaan zitten grommen.

‘Naar mijn mening volgde Rusland als eerste deze weg, en nu werkt het Westen in dit opzicht de achterstand weg’, zei Pavlovski spottend tegen mij. ‘We kunnen in het algemeen stellen dat het Westen een soort proto-poetinisme volgt.’

***

Zal dit aanhouden? De altijd inconsistente Borwick zegt dat hij de politiek van de grote ideeën mist. Hij denkt dat die om goede redenen weleens zou kunnen terugkeren. Het probleem van verkiezingscampagnes op grond van intensieve data en nauwkeurige peilingen is dat ze duur zijn. Grote ideeën zijn goedkoper. Daardoor kan er opnieuw vraag naar komen.

Volgens Pavlovski daarentegen is het gedaan met ideologieën. Hij onderschrijft de notie van het ‘einde van de geschiedenis’, maar vindt het afschuwelijk. Historisch besef gaf ons de mogelijkheid om gemeenschappelijke idealen te hebben, en daardoor ook normen. Nu zijn alle daden samengeperst, plat, en lijkt er geen kans te zijn op vooruitgang. Verschijnselen variërend van IS tot de Volksrepubliek Donetsk bestaan zonder zicht op een objectief moreel perspectief. Het gevolg is wat Pavlovski, in navolging van zijn mentor Michail Gefter, ‘soevereine moordenaars’ noemt. Bij afwezigheid van normen zitten we met vacuüms waarin agenten van de chaos zich gedragen volgens regels die ze al doende voor zichzelf verzinnen, die moorden overeenkomstig hun eigen ‘soevereine’ logica.

Het is veelzeggend dat de verkiezingsoverwinning van Donald Trump eind 2016 – een grote zege voor incoherentie – plaatsvond op het moment dat Rusland en Bashar al-Assad Aleppo platbombardeerden, met een schaamteloze veronachtzaming van de humanitaire normen die na de Tweede Wereldoorlog zijn vastgesteld. Mensen die aandacht hadden voor beide verhalen, zagen een misselijkmakende montage van Trumps tv-debatten, met hun afbraak van de dialoog zoals we die kenden, en het niet-aflatende videobewijs van vatenbommen die ziekenhuizen en flatgebouwen vernietigden en de baby’s die daarna tussen het puin werden gevonden. Het is waar dat humanitaire beginselen al veel vaker zijn geschonden, maar vroeger werd gewoonlijk wél geprobeerd om dit te ontkennen, onder het tapijt te vegen, om zich te schamen of onwetendheid te veinzen. Nu werd het echter gedaan met het schouderophalen van de soevereine moordenaar. Nooit eerder hadden we zoveel bewijs, zoveel feiten die laten zien dat er gruweldaden plaatsvinden. En nooit eerder deed het er zo weinig toe.

Dit is de grote paradox van het einde van de Koude Oorlog: de toekomst, of beter gezegd het toekomstloze heden, arriveerde als eerste in Rusland. Wij zijn net de achterstand aan het inlopen. Al geldt hier misschien een eenvoudige culturele logica: als onze eigen ideologische samenhang gebaseerd was op verzet tegen de Sovjet-Unie, moesten we wel volgen toen die ineenstortte.

Het Russische regime voelt zich op zijn gemak in deze omgeving omdat het een voorsprong heeft. Boodschappen aanpassen aan verschillende groepen, voortdurend de aandacht trekken en de illusie van kracht wekken door middel van spektakel, liegen voor de lol, een loopje nemen met de waarheid en feiten reduceren tot gevoelens: allemaal vertrouwd terrein voor het Kremlin. Sommige politici in het Westen doen hieraan mee, maar de meeste instituten en bureaucratieën houden zich nog steeds aan de regels van gisteren.

De laatste ontwikkeling is een nostalgie naar ‘normalnost’, naar een tijd van vaste betekenissen. Voor veel mensen, vooral in de media en onder de intellectuele elites in de VS, was dat de Koude Oorlog. Misschien bevordert dit verlangen naar een tijd die nog te begrijpen viel de spectaculaire hoeveelheid aandacht voor Rusland in de ‘linkse pers’ en onder mensen in New York en Washington die zich ‘verzetten’ tegen Trump: als het Kremlin weer de grote vijand wordt, zullen we misschien ons eigen, ooit zegevierende vrijheidsbegrip herontdekken. Hoe meer onze realiteit gaat lijken op het nieuwe Rusland, hoe meer we verlangen naar de oude Sovjet-Unie.


Vertaling: Willem van Paassen
Dit stuk verscheen eerder in Granta. Van de Brits-Russische journalist en auteur Peter Pomerantsev verscheen afgelopen maand Dit is geen propaganda: De oorlog tegen de waarheid. Hollands Diep, 288 blz., € 24,99. Vertaald door Willem van Paassen