Agnès Varda (30 mei 1928 – 29 maart 2019)

Ze bewonderde Godard, om zijn ogen. Als regisseur had hij háár moeten aanbidden. De filmische blik van Agnès Varda was revolutionair. Als ‘enige vrouw tussen de boys van de nouvelle vague’ was zij in feite de grootste grootheid.

Vanaf het moment dat hij zijn kenmerkende zwarte zonnebril af deed, was Agnès Varda verliefd op de ogen van Jean-Luc Godard. Het was in de zomer van 1961. Varda en haar man, regisseur Jacques Demy, waren op bezoek bij Godard en zijn vrouw, de actrice Anna Karina, die in het zuiden van Frankrijk op vakantie waren. Met z’n vieren gingen ze schilderen. Toen er verfspetters op Godards bril kwamen, deed hij die af. ‘Zijn ogen waren groot, beeldschoon’, zei Varda later, ‘en ik wilde meer van ze zien.’ Zo werd het idee geboren voor de korte film-binnen-film in Cléo de 5 à 7, Varda’s briljante tweede werk over een dag, gedraaid in echte tijd, van een zangeres die hoort dat ze mogelijk ongeneeslijk ziek is.

De korte, zwijgende film draait in een Parijse bioscoop waar de vrouw, Cléo (Corinne Marchand), naar binnen gaat terwijl ze door de stad slentert, wachtend op de uitslag van medische onderzoeken. Vanuit de projectieruimte kijkt ze naar het scherm waarop een man, Godard, machteloos toeziet hoe zijn liefje, Karina, omver wordt gereden. Maar als de man zijn zonnebril af doet, blijkt dat er helemaal niets aan de hand is. Karina, nu gekleed in stralend wit, is springlevend. ‘Ik zag alles in het zwart!’ roept hij blij. Kort daarna zien we ze samen weglopen, vervuld van geluk.

Varda had tot het einde van haar leven grote bewondering voor Godard, een van de grondleggers van de vernieuwende Franse cinema van de jaren zestig. Maar Varda’s eigen rol in de nouvelle vague verdient een nieuwe kijk, juist wanneer je Cléo de 5 à 7 nu terugziet. Ze was véél belangrijker dan alleen maar een ‘deelnemer aan de beweging’. Zeker, filmhistorici schrijven al langere tijd over haar invloed door te wijzen op haar debuut uit 1955, het fabuleuze La Pointe-Courte, over een man en een vrouw uit Parijs die op vakantie in een vissersdorpje hun huwelijkscrisis onder ogen zien. Maar deze film toont aan dat haar rol in werkelijkheid beslissend was. Jaren voordat er sprake was van een ‘beweging’ draaide Varda in de stijl van de nouvelle vague: lange shots, een gefragmenteerd, ‘literair’ spel met ruimte, tijd en licht, naturalistische beelden van de echte wereld.

En: een duidelijke politiek, die Varda later ontwikkelde als boegbeeld van de Rive Gauche, of ‘linkeroever’, van nouvelle vague. Anders dan makers als Godard, Claude Chabrol en anderen was Varda niet geobsedeerd door cinema zelf, maar werkte ze net als collega’s Alain Resnais en Chris Marker vanuit een meer ‘artistieke’ hoek. Zo is de invloed van Maya Derens experimentele film Meshes of the Afternoon (1943) aanwezig in La Pointe-Courte, vooral in de mise-en-scène, als Varda’s camera het landschap aftast om het gevoel van verloren hoop over te brengen.

‘Ik zag mezelf niet als een vrouwelijke regisseur, maar als een radicale maker die een vrouw was’

Haar blik was ánders, revolutionair. Ze was de ‘enige vrouw tussen de boys van de nouvelle vague’, zoals actrice Jane Birkin haar vier jaar geleden typeerde. Varda zei: ‘Ik zag mezelf niet als een vrouwelijke regisseur, maar als een radicale maker die een vrouw was.’ Toen een interviewer van The Guardian hierop reageerde door te zeggen dat hij zich niet kon voorstellen dat een man haar films had kunnen maken, antwoordde ze: ‘Ik bén een vrouw. Ik heb de intelligentie, geest en ziel van een vrouw.’

Als dat ergens uit blijkt, dan is dat wel uit Cléo, een wonder van een film. We zien Cléo eerst door de ogen van de mannetjesmakers van het entertainment, componisten die begaan zijn met haar image, haar en make-up, met haar volgende hit, maar geen moment met háár. Varda wel. Cléo’s crisis betreft geen ziekte, maar een gebrek aan identiteit ingegeven door existentiële vragen. Eerst draagt ze dure kleding en heeft ze een belachelijke pruik op. Beelden van haar in spiegels overheersen. Het meesterlijke aan de film zit in de tragedie van Cléo die zichzelf ‘maakt’ op basis van hoe mensen haar zien. We zitten in haar hoofd, ze mijmert: ‘Zolang ik beeldschoon ben, ben ik levend.’ Maar beeldschoon in de ogen van wie? In een restaurant, meer spiegels. Links in beeld, Cleo, rechts in beeld, de ‘wereld’: een gezinnetje aan het kletsen. De compositie is perfect, wat Varda’s achtergrond in fotografie verraadt (stilistisch een kernelement in al haar films).

Dan, de straat op, op de maat van muziek van Michel Legrand die grenst aan kitsch, maar die de sfeer van romantiek en weemoed volmaakt vangt. Stukje bij beetje schudt Cléo de tirannie van ‘fake’ van zich af: pruik weg, zwarte jurk aan. Terwijl het moment van zeven uur en het telefoontje van haar arts nadert, tast ze overal reflecties van zichzelf af, toenemend met haar eigen blik, op zoek naar zichzelf, naar de zin van haar leven. Ze ontmoet Antoine, een soldaat die op het punt staat in de Algerijnse oorlog te gaan vechten, wat hem het leven kan kosten. Ze vallen voor elkaar op het moment dat ze door hebben hoe absurd hun bestaan is – even absurd als de capriolen in de korte film van Godard en Karina (jawel, op de achtergrond is dat acteur Eddie Constantine die prachtig, als een Keystone Cop, op en neer springt).

Vele jaren later, een paar maanden voor haar dood, zocht Varda Godard op in Zwitserland tijdens het maken van haar laatste film, de documentaire Faces Places. Godard deed niet open. Doet hij bijna nooit. Varda: ‘Vuile rat.’ Misschien had ze nog een keer die ogen willen zien, nog een keer de man willen treffen die naast haar stond in een tijd toen cinema echt opwindend was, de man die zoveel te danken heeft aan haar.