AH en de onderziel

Ernst Weiss
De ooggetuige
Uit het Duits (Ich, der Augenzeuge, 1963) vertaald door W. Wielek-Berg (herzien door Frank Schuitemaker), Van Gennep, 270 blz., € 17,90

Als je de flaptekst niet al te secuur leest en van Ernst Weiss (1882-1940) niet meer weet dan dat hij een wat onbekendere tijdgenoot van Kafka was, dan waan je je de eerste honderd pagina’s in een wat gestoorde familiegeschiedenis: de vader is een architect van bruggen, die in een tweede leven langszij voor zijn geliefde (een vroegere dienstmeid) blijkbaar ook een huis kan ontwerpen; de ziekelijke moeder verraadt na terugkeer uit het sanatorium haar zoon, met wie zij een innige verhouding had, ter wille van een lieve vrede met de onbetrouwbare echtgenoot, die bovendien veroordeeld wordt voor een ingestorte brug.

De zoon vindt vervangende opvoeders in de joodse Gekkenkeizer, een vooraanstaand medicus en vader van een mooie dochter, met wie de verteller later trouwt. Door de grote geleerde kiest hij na zijn studie medicijnen voor de richting psychiatrie. Als arts aan het front in de Grote Oorlog ontmoet hij onder de (ook geestelijk) geblesseerden een Oostenrijkse korporaal. Hem geneest hij van zijn ingebeelde blindheid: een wonder dat hem en het Duitse volk duur te staan komt. Inmiddels heeft de hedendaagse lezer de huisschilder AH uit Braunau natuurlijk herkend, die zijn jodenhaat niet onder stoelen of banken steekt en iedereen plat lult.

Maar hoe was het in 1938 toen Weiss zijn roman schreef, die helaas pas in 1963 uitgegeven (en onmiddellijk vertaald) is? Het bijzondere aan de roman is wat er ontbreekt: een breed historisch perspectief. Nu – dat is vóór de oorlog – lijkt bralleput, ondanks de betoverende uitwerking die hij op velen heeft, een nationale binnenbrand die nog geblust kon worden.

De arts, die was getrouwd met een joodse vrouw, liep vooral gevaar doordat hij een dossier over AH achter de hand had; daarvoor kwam hij zelfs in een concentratiekamp terecht. Het bijzondere perspectief speelt ook mee in de geschiedenisles die het boek gaandeweg wordt – de afloop ervan was nog niet bekend. Ondanks zijn besluit een koele ooggetuige te blijven, dreigde zelfs de arts besmet te raken, te meer daar het fanatisme van AH, diens grootste kracht, zijn werk was geweest.

Wat nu enigszins hulpeloos aandoet is de manier waarop Weiss, toch zelf iemand met een medische achtergrond, de fascinatie die er van de volksmenner uitging probeerde te verklaren met termen als ‘de onderziel’: ‘de altijd verhulde, de zwarte hete oerbron’ die omhoog borrelt en waartegen niemand weerstand kon bieden. Of hij zoekt de oorzaak van Hitlers fanatisme, ‘zijn onverzadigbaarheid, het smeulende, alles aanzuigende, alles verslindende vuur van zijn wezen’ in H’s slapeloosheid en zijn volkomen liefdeloosheid.