Hoofdcommentaar

Airstrip One

Het belangwekkendste aspect van de Suez-crisis die aanstaande zondag zijn vijftigste verjaardag beleeft, is niet de toedracht ervan. Hoewel het laatste woord daarover niet gezegd is, lijkt de grote lijn voor historici wel vast te staan.

Toen de Egyptische president Gamel Abdel Nasser ‘hun’ Suezkanaal nationaliseerde, besloten Londen en Parijs te interveniëren. Met Tel Aviv werd afgesproken dat Israëlische troepen de kanaalzone zouden binnenvallen, waarna de twee Europese mogendheden met parachutisten ‘tussenbeide’ zouden komen om de zone te ‘pacificeren’. De Israëlische aanval vorderde echter onverwacht snel, de Europese troepen kwamen een week te laat en de hele wereld begreep dat ‘operatie Musketier’ doorgestoken kaart was.

De Amerikaanse president Dwight Eisenhower dwong de invallers vervolgens tot de terugtocht. Deed hij dat niet, dan zag hij de Amerikaanse contacten met gematigde Arabische leiders en het antikoloniale prestige van de Verenigde Staten in de wereld in gevaar komen, en dat midden in de Hongarije-crisis. Eisenhower dreigde alle pond-reserves van de Federal Reserve Bank te verkopen als de Britten zich niet terugtrokken. Londen haalde bakzeil, Parijs en Tel Aviv volgden schoorvoetend.

De overeenkomsten met de Amerikaanse invasie van Irak in 2003 liggen voor de hand: de Suez-crisis ontstond uit een verkeerde perceptie van Nasser als een tweede Hitler, de invasie vond plaats onder valse voorwendselen en liep uit op een fiasco door de zelfoverschatting van de invallers. De verschillen zijn echter groot en de Suez-affaire is voornamelijk interessant vanwege de tegenovergestelde conclusies die Britten en Fransen eruit trokken. De Britse minister van Financiën Harold Macmillan, die de Amerikaanse monetaire dreigementen aan zijn onverzoenlijke premier Anthony Eden moest overbrengen, begreep dat het Britse wereldrijk ten einde was. Toen hij Eden in 1957 opvolgde, verlegde Macmillan de koers: voortaan zou Groot-Brittannië zijn internationale belangen enkel in nauwe samenspraak met de Verenigde Staten behartigen. Alleen door onvoorwaardelijke bondgenootschappelijke trouw te tonen, kon Londen hopen invloed uit te oefenen op het Amerikaanse beleid om zo zijn eigen belangen veilig te stellen. Charles de Gaulle, die het jaar daarop president van Frankrijk werd, vond dat Parijs op eigen kracht zijn belangen veilig moest kunnen stellen. De Fransen opereerden voortaan buiten het Navo-opperbevel en ontwikkelden een reële nucleaire afschrikkingcapaciteit, de force de frappe, die tegenwoordig bestaat uit 350 kernkoppen. De Britten mochten in ruil voor hun volgzaamheid ook een eigen kernwapen voeren, maar zonder er daadwerkelijk over te kunnen beschikken. Hun nucleaire capaciteit bestaat momenteel nog slechts uit vier onderzeeërs met van kernkoppen voorziene Amerikaanse Trident-raketten die ze niet zonder toestemming van Washington kunnen afvuren. Gelijk het land Airstrip One uit Orwells roman 1984, dat slechts een voorpost was van het wereldrijk Oceania, werd Groot-Brittannië een strategische voorpost van de Amerikanen in Europa.

De ‘speciale relatie’ tussen Londen en Washington is voor de Britten nooit vanzelfsprekend geweest. Ze is niet alleen steevast door linkse backbenchers gekritiseerd, maar ook door toonaangevende politici als de Conservatieve premier Edward Heath. Er kwam echter nooit een beslissend moment waarop de Britten gedwongen waren die relatie te herzien. Met de déconfiture van de invasie in Irak lijkt dat moment nu toch te zijn aangebroken. Aan Britse kant wordt de relatie voor het eerst op alle niveaus aangevochten. Om te beginnen binnen het Britse kabinet, waar Tony Blair waarschijnlijk de enige is die er nog aan vasthoudt. Ministers lopen letterlijk weg omdat ze de Amerikaans-Britse bezetting van Irak in de woorden van ex-minister Clare Short ‘onverantwoordelijk, onverantwoordelijk en nog eens onverantwoordelijk’ vinden.

Onlangs heeft de Conservatieve oppositieleider David Cameron, die in staat wordt geacht Labour bij de volgende verkiezingen te verslaan, in een toespraak eveneens gezegd dat er een eind moet komen aan de ‘kritiekloze’ en ‘slaafse’ houding jegens de Verenigde Staten. De Liberaal-Democraten delen dat standpunt volmondig. Belangrijk voor de langere termijn is dat ook het buitenlandestablishment in Whitehall de speciale relatie aanvecht. De toon is in 2002 gezet door Douglas Hurd, van 1989 tot 1995 minister van Buitenlandse Zaken, toen hij in een toespraak stelde dat Groot-Brittannië sinds 1945 alleen op Amerikaanse steun kon rekenen indien en voorzover de Britten voor Washington ‘bruikbaar’ waren. Met andere woorden: de speciale relatie is altijd eenrichtingsverkeer geweest. Dat was vooral duidelijk in de Falklandoorlog van 1982. Toen ondervonden de Britten, aldus de toenmalige defensieminister John Nott in zijn mémoires, ‘meer steun van Frankrijk dan van de Verenigde Staten omdat de VS niet wilden kiezen tussen Groot-Brittannië en hun belangen in Latijns-Amerika’.

Bij de diplomatieke zwaargewichten voegt zich nu ook de Britse militaire top, die vorige week in de persoon van opperbevelhebber Richard Dannatt liet weten dat de bezetting van Irak de veiligheid van Groot-Brittannië niet vergroot maar juist aantast. Tot ieders verrassing liet Blair weten dat hij het ‘in elk opzicht’ met de generaal eens was, al voegde hij er zoals altijd aan toe dat de Britten zich niet konden terugtrekken ‘voordat de klus geklaard is’. Kortom, er is nog maar één ding dat Tony Blair van terugtrekking uit Irak weerhoudt: het internationale gezichtsverlies voor hemzelf en voor zijn land.

Maar zelfs die hobbel kan worden genomen. Zoals het strategen betaamt, hebben de generaals hun premier namelijk ook een exit-strategie aangereikt: het Britse leger wordt teruggetrokken uit Irak onder het voorwendsel dat het dan volwaardiger kan participeren in de bezetting van Afghanistan. Daarover wordt nu volop gesproken in Whitehall. Deze strategie heeft het voordeel dat de Britten de Amerikanen niet ostentatief in de steek laten, terwijl ze hun troepen aan Amerikaans bevel onttrekken en onderbrengen bij het Europese militaire bevel in Afghanistan. Zo redt ieder toch nog zijn gezicht. Alleen de speciale relatie gaat na vijftig jaar reddeloos ten onder.