Ajax-feyenoord de geschiedenis van een voetbalvete

Het scheelde weinig of de finale van de strijd om de KNVB-beker was, voor de zoveelste keer, uitgevochten door de twee meest verbeten kemphanen van het vaderlandse voetbal. Nee, niet Nec en Nac, maar Feyenoord, dat in de halve finale Nac versloeg, en Ajax, dat afgelopen zondag smadelijk van Nec verloor. Toch staan ze aanstaande zondag, maar dan in competitieverband, weer tegenover elkaar. Voor de 124ste keer. Een historische analyse van Neerlands meest tot de verbeelding sprekende voetbaltopper. Na Nec-Nac, uiteraard.

Wanneer Willem van Hanegem aan het eind van het seizoen 1993-‘94 in zijn Opel Calibra naar de heilige Kuip koerst, doen zich onderweg merkwaardige taferelen voor. Zodra de hoofdtrainer van Feyenoord op de snelweg wil invoegen, maakt de chauffeur van een Citroen vriendelijk ruimte voor hem en steekt een bemoedigende duim naar hem op. Opmerkelijk, want tegen het zijraampje van de automobiel is een Ajax-tuniekje gezuignapt. Wanneer De Kromme even later in een file terechtkomt, draaien verschillende automobilisten spontaan hun raampjes open. Met onversneden Mokumse tongval wensen ze hem alle succes van de wereld toe: 'Denk erom Willem! Feyenoord moet kampioen worden.’ Tegen de tijd dat de ex-international zijn Calibra in de schaduw van de Maastribune parkeert, weet hij een ding zeker. Er is een wapenstilstand getekend tussen de traditionele aartsvijanden van het Nederlanse voetbal: de Amsterdamsche Footballclub Ajax, opgericht 18 maart 1900, en Sportclub Feyenoord, opgericht 19 juli 1908 onder de naam Wilhelmina.
Wanneer Feyenoord enkele weken later na een eclatante 0-5 zege in Groningen op de plaatselijke FC inderdaad de kampioensschaal bemachtigt, stijgt er gejubel op van Lobith tot Hoek van Holland en van Gulpen tot Delfzijl. Zelfs op het Leidseplein heft men instemmend een biertje op het succes van de eeuwige rivaal. Symbolisch voor de ontdooide verhouding tussen de vaderlandse voetbalreuzen is de actie van prominent Ajax-fan Martin Schroder. Zodra hem ter ore komt dat de route Groningen-Rotterdam door hossende Feyenoord-aanhangers in een lange polonaise is omgetoverd, belt hij vanuit de catacomben van Ajax-stadion De Meer met een van de gezagvoerders van zijn chartermaatschappij Martinair. Hij dirigeert hem naar het Hoge Noorden in het kader van de humanitaire missie 'Airlift Feyenoord’. Aldus zorgt de Ajax-sponsor er hoogstpersoonlijk voor dat de Rotterdamse massa’s hun voetbalhelden nog voor het donker op de Coolsingel kunnen toejuichen.
Welke kracht was ertoe in staat een bittere vijandschap, die teruggaat tot de roaring twenties, voor enkele weken om te buigen in gevoelens van tederheid? Die eer komt toe aan onze nationale gloeilampengigant Philips BV te Eindhoven. Sinds die dag halverwege de jaren tachtig, toen op de bovenste verdiepingen van het elektronica-concern werd besloten om van de voetbaldivisie, beter bekend als PSV, een vehikel voor internationale promotie te maken, raakte de voorheen zo sympathieke Brabantse subtopper in een emotioneel vacuum. Ieder doelpunt dat de bijeengekochte voetbalmachine uit de Lichtstad dichterbij alweer een landstitel, beker of Europacup bracht, deed het voetbalpubliek meer terugverlangen naar clubs van vlees en bloed. Clubs met een ziel, een historie, een legendarisch stadion, een hondstrouwe aanhang, een herkenbaar shirt en een niet te kopieren speelstijl. Kortom, clubs met een voetbalcultuur in plaats van een business-cultuur. Ajax en Feyenoord.
Het kampioenschap van Feyenoord werd, na een lange reeks klinische landstitels van de Philips-bedrijfsvoetballers, dan ook alom begroet als een overwinning van de emotie op de kille zakenmentaliteit. Maar nu de resultaten van de Eindhovense voetbalclub even dramatisch zijn als die van het moederconcern, is de relatie tussen de klassieke voetbalkemphanen uit Amsterdam en Rotterdam weer genormaliseerd. In De Meer barst weer hysterisch gejuich los als er wordt omgeroepen dat Feyenoord-doelman Ed de Goey een treffer om zijn oren heeft gehad. In De Kuip wordt weer hartgrondig gevloekt en geknarsetand als de speaker meldt dat Ajax-schaduwspits Jari Litmanen een doelpunt heeft gefabriceerd. En ook met de hoffelijkheid op de snelweg is het gedaan: Willem van Hanegem kan bij het invoegen weer rekenen op een obsceen opgestoken middelvinger van iedereen die Ajax een warm hart toedraagt.
De pathologische vijandschap tussen Ajax en Feyenoord ontstijgt de gebruikelijke sportieve rivaliteit tussen twee topclubs die al ontelbare malen in een nek-aan-nek-race om de titel hebben gevochten. De brouille tussen de beide clubs heeft dezelfde diepte als de Grote Europese Voetbalveten tussen AC en Internazionale Milan, Real en Atletico Madrid, Manchester United en Manchester City, Sampdoria en Genua, en - de Moeder Der Voetbalveten - tussen Celtic Glasgow en Glasgow Rangers. Opvallend in deze reeks is dat de buitenlandse voetbaloorlogen alle op stadsniveau worden uitgevochten. Bittere haat gedijt doorgaans het best tussen intimi: de meest verbeten ruzies worden uitgevochten tussen familieleden, de bloedigste moorden vinden plaats tussen bekenden en de wreedste oorlogen zijn burgeroorlogen. Hoe zijn Ajax en Feyenoord, gescheiden door tachtig kilometer zompige polder, in deze duistere spiraal terechtgekomen?
De eerste botsing dateert van 9 oktober 1921 en speelt zich af aan de Kromme Zandweg in Rotterdam-Zuid. Ajax is dan reeds een gearriveerde club; het draait al vanaf 1911 mee in de Eerste Klasse van de Nederlandse Voetbal Bond en viert in 1918 en 1919 de eerste landskampioenschappen. Hoe professioneel de organisatie destijds al is, blijkt uit de revolutionaire trip die het Ajax-elftal in de zomer van 1921 door de toenmalige voetbalgrootmacht Zwitserland maakt. Onder leiding van de Britse trainer Jack Reynolds dwingt Ajax knappe gelijke spelen af tegen Europese giganten als Sankt Gallen en Grasshoppers.
Feyenoord daarentegen opereert de eerste jaren in de schaduw van stadgenoot Sparta, dat al vijf maal tot beste club van Nederland is gekroond. Feyenoord staat in Rotterdam bekend als het clubje van de overkant van de Maas, 'de boerenzij’. Hans Kamman, voormalig voorzitter van de KNVB-afdeling Rotterdam, over de perifere afkomst van Feyenoord: 'De Maasbruggen waren toegangswegen naar een onbekende, mystieke verte.’
In 1921 komt de ommekeer. Sparta degradeert en Feyenoord promoveert voor het eerst in zijn bestaan naar de Eerste Klasse. De promotie brengt clubbladredacteur Rietveld tot lyrische lofzangen: 'Werkt aan onze club, maakt haar sterk, doet haar rijzen boven jullie hoofden uit als een groot en fier werk van moedige handen. Bewaart onze sympathieen, onze kameraadschap temidden der gevechten. Trekt op met tintelende ogen en heersende kracht. Voorwaarts, voorwaarts zij ons streven. Laat ons moedig voorwaarts gaan. Laat ons steeds, door heel ons leven, dapper naast elkander staan.’
Organisatorisch stelt Feyenoord aan de vooravond van het eerste seizoen op het hoogste niveau nog weinig voor. Terwijl Ajax de spelpatronen perfectioneert op de frisse Alpenweiden, komt men aan de Kromme Zandweg op het lumineuze idee het technische beleid voortaan toe te vertrouwen aan een heuse trainer. Ene Billy Julian wordt losgeweekt van het Haagse Houdt Braaf Stand (HBS). Een ingreep die weldra zijn vruchten afwerpt, want de competitie wordt glorieus ingezet met twee monsterzeges op UVV (5-0) en VOC (4-0). Waarna het grote Ajax op bezoek komt, dat in haar eerste twee wedstrijden vreemd genoeg nog geen bal tegen het net heeft gekregen. Het glorieuze doelsaldo van negen voor en nul tegen doet het Rotterdamse kamp blaken van zelfvertrouwen. De plaatselijke pers bombardeert Feyenoord zelfs al tot de opvolger van Ajax: 'het Rotterdamsche Ajax’.
Alle voorwaarden voor een koningsdrama zijn aanwezig. En een koningsdrama wordt het! De tot op het bot gemotiveerde Ajacieden leiden bij rust met 0-2. Feyenoord komt terug tot 1-2, maar moet uiteindelijk buigen met 2-3. De Rotterdammers tonen zich echter slechte verliezers. Men beweert na afloop dat de beslissende Ajax-treffer van Hein Delsen, een pegel tegen de onderkant van de lat, ten onrechte is toegekend en tekent officieel protest aan. Na het horen van diverse 'betrouwbare getuigen’, besluit de protestcommissie van de NVB dat er 'alle reden is om aan te nemen dat de bal de lijn niet gepasseerd is’. De treffer wordt alsnog geannuleerd, waardoor de gecorrigeerde eindstand 2-2 luidt. Ajax is in alle staten.
De Amsterdammers bladeren verwoed in de reglementen en ontdekken dat 'een protest tegen een scheidsrechterlijke beslissing binnen vijf minuten na beeindiging van de wedstrijd dient te worden ingediend door de betreffende aanvoerder, in aanwezigheid van de aanvoerder van de tegenpartij en uiteraard de scheidsrechter’. De Ajacieden beweren met het horloge in de hand dat er maar liefst negen (!) minuten zijn verstreken alvorens het protest is ingediend. Bovendien zijn er van de behandeling door de protestcommissie geen notulen beschikbaar. Onrecht! huilt Amsterdam.
Deze tumultueuze premiere zet de toon voor de voetbaloorlog die Ajax en Feyenoord tot vandaag de dag voeren. Ajax, de begenadigde godenzoon wiens positie op de apex van de Olympus hem rechtens toekomt, tegenover Feyenoord, de eeuwige troonpretendent van lage komaf die, wegens gebrek aan natuurlijk talent, slechts met spierballengedrag de Olympus aan zijn voeten kan krijgen.
De eerste keer dat Feyenoord de Olympus bedwingt is in 1924. Hoewel er daarna nog twaalf succesvolle bestijgingen volgen, went Feyenoord nooit helemaal aan de toppositie. Een troonpretendent die een rechtmatig heerser van zijn kroon beroofd heeft altijd wat uit te leggen. Zo ook Van Hanegem in 1993, luttele seconden na het behalen van Feyenoords dertiende landstitei in Groningen. Een verslaggever duikt op de stilletjes genietende Van Hanegem met de vraag of Feyenoord het kampioenschap eigenlijk wel verdient. De Kromme reageert korzelig: Ja, Ajax voetbalt beter. Ik zeg niet dat wij voetballen zoals Ajax. Dat kan ook niet, want dat materiaal hebben we niet. Maar wat mij stoort is dat er over ons altijd wordt gezegd: jullie werken hard. Alsof hard werken iets geks is. Maar ik begrijp niet wat er tegen hard werken is. Als negentig procent van Nederland hard zou werken, zouden we er financieel en economisch een stuk beter voorstaan.’
Hoe anders vergaat het Ajax! Drieëntwintig keer wordt het kampioen, maar iedere keer dat de godenzoon naast de hoofdprijs grijpt, moet hij verantwoording afleggen voor het verkwanselen van de troon. Verpersoonlijking van de godenzoon en Ajax-held aller tijden, Johan Cruijff over de denkwijze bij Ajax: Nummer één dekt zich niet in, want die kan zich niet indekken. Hij heeft succes of hij wordt afgemaakt. Er bestaat geen middenweg voor de nummer één.’ Typerend is dan ook de vraag die trainer Louis van Gaal vorig seizoen kreeg voorgeschoteld, vlak nadat zijn elftal was afgehaakt in de kampioensrace. 'Louis’, vroegen onthutste verslaggevers, 'hoe kan dit? Hoe is dit mogelijk?’ Het gezicht van Van Gaal beantwoordde het ongeloof met ongeloof. Half groggy mompelde hij iets over 'rendement’ 'concentratieverlies en scherpte’
Het is ook niet gemakkelijk om te verliezen als je clublied het volgende refrein heeft: 'Heil Ajax, heil Rood-Witte schare/ Dapp’re: strijders fier en koen/ Bevestigd Uw roemrijke mare,/ Driewerf heil onz’ Kampioen!’ Spreekt uit dit Ajax-clublied de vanzelfsprekendheid van de superioriteit, het 'Hand in hand kameraden’ van Feyenoord is meer een lied waarbij de supporters bij elkaar kruipen om het wankele geloof in hun club nieuw leven in te blazen. De Rotterdamse troonpretendent blijft zich immer bewust van zijn bescheiden komaf en begroet iedere landstitel, beker of Europacup als het eigenhandig breken van natuurwetten. Phida Wolff, officieel geschiedschrijver van Feyenoord, noteert: 'Feyenoord, dat kluppie, dot onooglijke, onbeschaafde, doodarme en proletarische samenraapsel van allerlei slag, later zelfs tot underdog verklaard in de rij der groten en omtrent wie velen de lippen krulden van medelijden, heeft zijn stempel op het Nederlandse voetballeven gedrukt meer dan enige andere club voor haar heeft gedaan en (wellicht) na haar ooit zal kunnen doen.’ De geest van de oude clubliederen waait nog steeds door de huidige AJax- en Feyenoord-aanhang. Wie regelmatig de stadions van beide clubs bezoekt, merkt hoezeer gedrag en mentaliteit van beide supportersscharen verschillen. Wanneer Ajax minder dan oogstrelend voetbal op de mat legt of het eerste doelpunt te lang op zich laat wachten, wordt het vanaf de tribune op een striemend fluitconcert getrakteerd. Terwijl Feyenoord reeds voor het tonen van gezonde werklust - een scherp aangesneden sliding of het tegen beter weten in willen binnenhouden van een bal geestdriftige golven van applaus ontvangt. Deze onvoorwaardelijke solidariteit met het eigen elftal heeft de afgelopen jaren ook zijn schaduwzijde getoond. Heel wat treinstellen, winkelruiten, ME'ers en oppositionele sypporters moesten het na een nederlaag van de Feyenoord-elf ontgelden.
1970 is het jaar waarin de troonpretendent zich definief de nieuwe koning waant. Op 6 mei speelt Feyenoord in het San Sirostadion de Europacup-l-finale tegen het Schotse Celtic.
Feyenoord is inmiddels vertrouwd met de indrukwekkende ambiance van het Milanese bouwwerk, want eerder in het toernooi heeft men het Italiaanse superteam AC Milaan uitgeschakeld - hetzelfde AC Milaan dat Ajax in de Europacup-I-finale van het jaar ervoor met 4-1 vernederde. Celtic is favoriet, maar Feyenoord weet na negentig minuten een verlenglng af te dwingen (1-1). In de tweede helft van de verlenging produceert de Zweedse Feyenoordspits Ove Kindvall het meest herhaalde doelpunt van de Nederlandse tv-geschiedenis. Zijn koddige rommelgoal wordt in Geen woorden maar daden als volgt in herinnering geroepen: 'IJzeren Rinus legde in die trap als : het ware: lichaam en ziel: met een verschrikkelijk harde en hoge knal kwam de bal :in de richting van Williams. McNeill zag de bal aankomen die over hem heen dreigde te gaan, doodgevaariijk omdat achter hem Kindvall was opgedoken. Hii probeerde het leer met de hand te stoppen, maakte hands, doch Lo Bello liet, terecht, doorspelen, waardoor Kindvall het ronde ding in zijn bezit kreeg en met een vertwijffelde beenbeweging dat voorwerp hoog over Williams in het doel liet belanden ( 1-2).’
Het clubje van de Rotterdamse 'boerenzij’ verovert als eerste Nederlandse club de Europacup-l. Enige maanden later voegt Feyenoord de Wereldbeker aan zijn palmares toe, na twee bikkelharde ontmoetingen met het Argentijnse Estudiantes de la Plata.
De natuurlijke orde staat volledig op zijn kop. Getooid met lauwerkransen en geschenken host de onooglijke plebejer Feyenoord op de ijle hoogten van de Olympus. Maar het tegennatuurlijke carnaval duurt niet lang: de houder van Europacup en Wereldbeker wordt in de eerste ronde van het nieuwe seizoen keihard uit de Europese titelstrijd geknikkerd door het nietige Ut uit het Roemeense textielstadje Arad. Waarna Ajax de verhoudingen op indrukwekkende wijze herstelt. Met voetbal van bovenaardse schoonheid, uitgevoerd door wereldsterren als Cruijff, Krol, Haan, Neeskens en Rep, verovert Ajax in 1971, 1972 en 1973 drie Europacups op rij. Deze wonderschone trilogie maakt het zogenaamde `Ajax-systeem’ wereldberoemd. Een fluwelen techniek, snelle balcirculatie en het onophoudelijk bewegen van de speiers zonder bal zijn de belangrijkste wapens van dit systeem. Het is een spelwijze die enorm hoge eisen stelt aan de spelers. Om zich verzekerd te weten van voetballers die het Ajaxsysteem aankunnen, investeert de club uit de Watergraafsmeer veel tijd, geld en moeite in de jeugdopleiding. Superlatieven in overvloed: Ajax wordt internationaal geroemd als 'de kweekvijver van Europa: 'de meest gereputeerde voetbalschool ter wereld’ en 'de voetbaluniversiteit’.
De Ajax-school heeft het patent op een aantal zeer onorthodoxe trainingsprincipes. Zo heeft men lange tijd bewust drie jeugdspelers ingezet tegen fysiek veel sterkere tegenstanders. Cruyff over deze tactiek: 'Als je klein bent, en dan neem ik mezelf als voorbeeld, moet je altijd goed omkijken of je wordt omvergekegeld. Resultaat: ik heb altijd heel oplettend moeten voetballen. Ik moest het hebben van balbehandeling en rondkijken hoe het spel verloopt. Dat zijn de twee pijlers. En dan zie je toch dat wie zo opgeleid is, op oudere leeftijd dat stapje extra kan zetten en alerter is dan anderen.’
Momenteel zwaait Co Adriaanse als directeur opleidingen de scepter over de jeugdaccomodatie van Ajax met de beloftevolie naam 'Voorland’. Adriaanse is een bijna exacte kopie van directeur betaald voetbal Louis van Gaal, de man met de snelst groeiende papierwinkel van de eredivisie: geen wedstrijd training of recreatief uitstapje of Van Gaal krabbelt, omcirkelt, onderstreept en pijltrekt een ruitjesschrift vol. Ook Adriaanse is administratief mirakel. Wekelijks voert hij talloze standaardgegevens over de prestaties van alle honderdzestig jeugdspelers in op de computer. Al deze gegevens worden twee keer per jaar samengevat tot rapporten waarin de cijfers 1 tot en met 9 te verdienen zijn in maar liefst veertig facetten van het edele voetbalspel: dribbelen, passen, passeeracties, schot op doel, handelingssnelheid, aanvallend koppen, scorend vermogen, voorzet, balsnelheid, meeverdedigen, verdedigend koppen, sliding, tackle, storen, overzicht, positiegevoel, taakgerichtheid:, startsnelheid, snelheid van 0 tot 10, 10 tot 30 en boven de 30 meter, wendbaarheid, :duelkracht, uithoudingsvermogen, loopvaardigheid, sprongkracht, leidinggeven, wedstrijdmentaliteit, houding tegenover anderen, coachbaarheid, drukbestendigheid, bescheidenheid, brutaliteit, creativiteit, dienende speler, karakterspeler, technische speler, rechtsbenig, linksbenig en tweebenig. Er is in 73 jaar dus weinig veranderd. Net als in 1921 - aan de vooravond van de eerste Feyenoord-Ajax - loopt de technische begeleiding en organisatie van de Amsterdammers mijlenver voor op die van de Rotterdammers. Terwijl bij Ajax een felle discussie gaande is over de toegevoegde waarde van vechtsporten in de jeugdopleiding en vorig seizoen werd geëxperimenteerd met aerobics ('voor de vergeten spiergroepen’), is men in Rotterdam-Zuid net bezig de kunst van het eén-keer-raken-van-de-bal te ontdekken. Waar Ajax zijn jeugd toevertrouwt aan de gelouterde Co Adriaanse, rangeert Feyenoord de uitgebluste prof John Metgod pardoes op de stoel van het hoofd opleidingen. Slechts op één terrein heeft Feyenoord altijd ver voor gelegen op de Amsterdamse rivaal: het stadion. Vanaf 26 maart 1937 voetbalt de trots van Rotterdam-Zuid in de voetbaltempel van Nederland. Nu Ajax binnen afzienbare tijd zijn eigen voetbaltempel betrekt (met Amsterdamse bluf tot het Nationale Stadion gedoopt) zal Feyenoord zijn 'knuisten uit de mouwen-mentaliteit harder dan ooit nodig hebben om in het spoor van AJAX te blijven.