Akelig, maar herkenbaar

WAAROM BEMOEIT de literatuur zich zo weinig met het tumult, de oorlogschaos en de maatschappelijke onrust in de grote wereld? Worden politieke, sociale en etnische vraagstukken niet veel efficiënter behandeld door snellere media als televisie en krant? Hoewel, waarom zou een lezer de verbale omweg van een roman moeten bewandelen als de kern van de inhoud elders veel gemakkelijker en sneller te consumeren valt? Dit zijn vragen en overwegingen van lezers, professioneel of niet, die romans en verhalen louter zien als veredeld doorgeefluik van meningen en actueel engagement.

De literatuur is voor mij een heel andere, indirectere bron van kennis en inzicht. Haar wapens zitten verscholen in de botsing van stijlen en tonen, in de onverwachte zinswending, in het schokkende beeld en de dubbele bodem, in de ontluistering van een taboe, in de plotseling verschuivende waarneming, in het uitspreken van wat men maar al te vaak wil verzwijgen. Als de literatuur in vorm en op dreef is, becommentarieert zij verhalenderwijs clichégedachten, vastgeroeste kijkgewoonten, taalmishandeling of gemanipuleerde wereldbeelden. Zo toont zij haar betrokkenheid. Natuurlijk zijn er schrijvers die zich niet neerleggen bij de maatschappelijke marginalisering van de literatuur en die zich afvragen hoe hun verbeelding en perspectivische beweeglijkheid onrust en ongemak bij de lezer kunnen veroorzaken, een onrustige alertheid die op z'n minst een blik scherpt en achterdocht aanwakkert wanneer het gaat om dubieus gejongleer met taal, macht en beelden. Maar wil men die nog wel lezen? Een paar jaar geleden schreef de Amerikaanse auteur Jonathan Franzen in het tijdschrift Harper’s een lang artikel over literatuur en engagement in de Verenigde Staten en verzuchtte hij: ‘De romanschrijver heeft steeds meer te vertellen aan lezers die steeds minder tijd hebben om te lezen: waar haal je de energie vandaan om je in te kunnen laten met een cultuur in een crisissituatie als die crisis er nu juist uit bestaat dat je je onmogelijk met die cultuur kunt inlaten?’ TOCH DOEN DERTIGERS als Jonathan Franzen, William T. Vollmann, Rick Moody, Donald Antrim, Andrea Barrett en David Foster Wallace (een ietwat anarchistische schrijversbende die Nederland vooralsnog ontbeert) energieke pogingen zich literair te engageren zonder te vervallen in agitprop, barricadenbargoens of potsierlijke partijpolitiek. Wat opvalt is dat zij een degelijk historisch besef combineren met humorvolle ernst. In plaats van het vrijblijvende 'alles kan en alles mag’ durven zij begrippen als 'duivel’ en 'moraal’ weer zonder gemakzuchtige ironie aan de orde te stellen. Vanuit zo'n literaire houding schreef Franzen bijvoorbeeld The Twenty-Seventh City (1988), een roman over stedelijke verloedering waarin de geest van Dickens, Orwell en DeLillo rondwaart. En zo ontstond ook Purple America van Rick Moody, die de maatschappelijke chaos met een griezelig soort realisme omsingelt (Melville, Gaddis en Cheever zijn zijn inspiratiebronnen), en Antrims The Hundred Brothers, een relaas vol rituelen over de reünie van een gewelddadige clan, waarvan het ene lid nog excentrieker is dan het andere. En William T. Vollmann kwam in 1996 met The Atlas, een mozaïek van vertellingen die zich in de hele wereld afspelen, inclusief de Balkan, en die genuanceerd reageren op allerlei vormen van machtsmisbruik. Maar de grootste steen in de vijver van de literaire vrijblijvendheid gooide David Foster Wallace toen in 1996 Infinite Jest verscheen, een roman van meer dan duizend bladzijden en honderden voetnoten waarin de schrijver een beeld schetst van het Amerika in het volgende millennium, een land genaamd ONAN vol dumpplaatsen en samenzweringen waarin iedereen en alles wordt gesponsord, tot en met het Vrijheidsbeeld, en de mens zich amuseert tot hij erbij neervalt. President is de zoetgevooisde zanger Johnny Gentle, televisie speelt een verlammende hoofdrol. In Nederland is het welhaast ondenkbaar dat leidende politici literaire personages worden maar in de Verenigde Staten hebben onder anderen Robert Coover, Don DeLillo en David Foster Wallace bewezen dat de politiek wel degelijk materiaal kan zijn zonder dat het tot platvloersheid vervalt. In het verhaal 'Lyndon’ (Girls With Curious Hair, 1989) schetst Foster Wallace via een trouwe presidentiële assistent een intrigerend beeld van Lyndon B. Johnson. Hij laat hem zeggen dat de jeugd in de jaren zestig alles op een dienblaadje krijgt aangeboden en niet weet wat lijden is. Hij, de solitaire en zieke politicus, spreekt over liefde voor het vaderland en voor de medemens en over verantwoordelijkheid, en dat allemaal terwijl de Vietnamoorlog woedt. Zo bezien draagt de strijd overzee bij aan de opvoeding van de jeugd. Het kleine lijden is productiever als het grote lijden stevig meedoet, aldus de cynische redeneertrant. (IN DE PAS verschenen nieuwe verhalenbundel van David Foster Wallace, Brief Interviews with Hideous Men, is verspreid over het hele boek een serie vraaggesprekken opgenomen met mannen die, daartoe uitgenodigd door een interviewster wier vragen niet vermeld staan, spreken over liefde, seksualiteit en lichamelijk geweld. In een van die solipsistische woordenstromen is een man aan het woord die, na lezing van een boek over de holocaust, beweert dat lijden loutert en karaktervormend is. Het is een standpunt dat past in de psychotherapeutische 'blame game’ en dat het verantwoordelijk-zijn voor eigen daden in een heel nieuw, schel licht beziet. Alle mannen in de interviews zijn al pratend bezig hun angsten voor vrouwen te sublimeren en schuld af te schuiven. De aard van geluk, de waarde van therapie, de kern van geestelijk welzijn - daaromheen draaien de vertellingen van Foster Wallace. En de grote wereld, 'het postindustrieel bestaan’ dat binnenkomt via de televisie die de donkere kamer van de menselijke geest verlicht en verdooft, spreekt mee als de overbewuste personages zich in allerlei bochten wringen om maar aardig gevonden te worden. De verhalenbundel is heel gevarieerd in genre en onderwerp. De krankzinnige binnenwereld van een dertienjarige puber die op een duikplank staat, de 56-jarige schrijver die bij zijn zwembad in Newsweek leest, de vrouw die haar man te allen tijde seksueel wil behagen en er zelf aan onderdoor gaat, de moeder die door haar overdreven zorg haar zoon de afgrond in duwt, de vader op zijn sterfbed die zijn zoon verloochent; die verhalen presenteert Foster Wallace als toneelstukje, innerlijke monoloog, vraaggesprek, klinische vertelling, woordenboeklemma of pseudo-wetenschappelijke verhandeling met woekerende voetnoten. Er zit geen doodgewoon verteld verhaal bij, wat niet wel zeggen dat de lectuur een zwaar corvee is, integendeel. David Foster Wallace (1963) bewijst met Brief Interviews with Hideous Men een veelzijdige schrijver te zijn die de ironie voorbij is en zeer betrokken blijkt bij het wel en wee van mensen die zich maar al te graag laten verleiden en verdoven. 'Hideous’ worden de mannen in de bundel genoemd, maar ze zijn o zo herkenbaar, wat Brief Interviews with Hideous Men tot verontrustende lectuur maakt.