Kunst: Van Loon & Suriname

Al dat porselein

Johannes Jacobus Cornelis Huydecoper uit Elmina. Uit de expositie Aan de Surinaamse grachten in Museum Van Loon © Tropenmuseum

Twee Leidse hoogleraren stelden vorige week in dit blad dat de bevindingen van het onderzoek van de historici Pepijn Brandon en Ulbe Bosma, waarin werd berekend dat in het jaar 1770 ongeveer vijf procent van het bbp van de Republiek afkomstig was van op slavernij gebaseerde activiteiten, alsmede het werk van de aan de Universiteit Leiden werkzame historicus Karwan Fatah-Black over de Sociëteit van Suriname, niet te vertrouwen zijn, omdat zowel Brandon als Fatah-Black ook publiceren op de website van de Internationale Socialisten, ‘een groep trotskistische activisten’. Dat is alarmerend nieuws. Wij mogen de hoogleraren wel dankbaar zijn dat zij ons op het bestaan van die vijfde colonne hebben gewezen.

Gelukkig is er een tentoonstelling over precies diezelfde periode in het voorname museum in Huis Van Loon in Amsterdam, die gelukkig niet is samengesteld door doortrapte cultuurmarxisten, maar juist door de welopgevoede nazaten van het Amsterdams patriciaat dat ooit aan die slavernij zou hebben verdiend: de families Van Loon en Van de Poll, en aanpalende neven en nichten.

De beknopte tentoonstelling is in de grond een nieuwe presentatie van materiaal uit de vaste collectie van het Museum Van Loon, aangevuld met specifieke documentatie over de investeringen van de familie in Suriname. De tentoonstelling toont zo de werking van de Amsterdams-Surinaamse plantage-economie door de bril van een specifieke Amsterdamse familie, de plantages waarin zij investeerden, hun relaties met gouverneurs in Elmina, enzovoort. Zo hangt er het portret van de oude Jan van Loon (1677-1763) door Quinckhard, uit 1761: een norse maar niet onaardige oude heer onder grijze pruik, de rechterhand steunend op een stok (hij had in 1734 een been verloren).

In 1728 werd hij bewindhebber van de West-Indische Compagnie; tien jaar na zijn aanstelling werd hij ook directeur van de Sociëteit van Suriname, een benoeming die een deelname van tenminste 12.600 gulden vereiste. Door de beschikbaarheid van zulk Amsterdams kapitaal nam de slavenhandel toe, en de omvang van de plantages groeide. Dat heeft de familie Van Loon geen windeieren gelegd. Bij het overlijden van zijn zoon Willem (1707-1783) bleek uit diens nalatenschap dat hij 630.000 gulden aan obligaties en leningen had uitstaan, waarvan 36.000 geïnvesteerd in Suriname en Berbice, 5,7 procent van het kapitaal, dus. De boekhouding, met overzicht van investeringen in menselijk materiaal, en het rendement daarvan, zijn hier te zien. Tot 1863 bleef de familie in Surinaamse plantages actief.

De verdienste van de tentoonstelling is niet dat hiermee het narrige geëmmer over het correcte percentage van het bbp zal verstommen. De verdienste is dat een bekend ensemble aan erfgoed en geschiedenis door een intelligente herschikking van het materiaal een nieuwe betekenis aanneemt. Die verandering heeft een directe werking, in dat huis: al dat Chinese porselein, die grote portretten, die Loosdrechtse serviezen, dat zilver; dat alles heeft een volstrekt concrete relatie met slavenhandel, uitbuiting en onderdrukking – ook al is dat ‘maar’ 5,7%. De relevantie van die gewaarwording is niet in percentages uit te drukken, althans voor mij – maar goed, het kan zijn dat ik hier het slachtoffer ben geworden van een trotskistisch complot, en dat het toch reuze meeviel, allemaal.


Aan de Surinaamse grachten – Van Loon & Suriname (1728-1863), Museum Van Loon, Amsterdam, t/m 13 januari 2020, museumvanloon.nl