Al die energie!

Elle van Rijn

De hartbewaakster

Contact, 269 blz., € 17,95

Christophe Vekeman
Lege jurken
De Arbeiderspers, 187 blz., € 17,95

Ze waren er natuurlijk al eeuwen: romans waarin slechteriken de macht overnemen, botte hoofdpersonen hun kleine zusjes terroriseren of moorden plegen en daarmee wegkomen, of onterechte verhoudingen aangaan met zwakkelingen die aan het laatste eind trekken. Of romans met zwakke mannen uit de lagere middenklasse die zich naar de slachtbank laten leiden door onaangename echtgenotes. De schurken erin zijn meestal dubbelzinnig, raar gestoord, in hun onaangenaamheid zelfs deerniswekkend. Zie het werk van Emants, Dostojevski, W.F. Hermans. Patricia Highsmith was er een laatste grootmeester in, haar Tom Ripley-romans zijn onovertroffen, vooral omdat ze behalve verontrustend ook geestig zijn en je er als lezer altijd naar verlangt toch een beetje Ripley te mogen wezen, hoeveel moorden die ook op zijn geweten heeft.
Het genre bestaat nog steeds en ik heb het gevoel dat het zelfs de laatste jaren nieuw leven is ingeblazen. Het is na de onthullingen in de sociologische en de psychologische wetenschap van de laatste twee eeuwen niet meer echt nodig om de slechtheid van de mens aan te tonen, zou je zeggen, maar toch. In de nieuwste ontwikkelingen van dit genre is er van dubbelzinnigheid geen sprake meer. We krijgen ontzettende klootzakken voorgeschoteld, er ontwikkelt zich een soapverhaal met veel zwart-wit-tegenstellingen en karakterinvullingen en uiteindelijk blijken die klootzakken inderdaad klootzakken. Geen geestigheden, geen dubbelzinnigheid, rechttoe, rechtaan de slechterik aan de macht en niks geen mededogen. Laat staan een stijl waarin enig tegenwicht geboden wordt tegen alle slechtheid. Op het eerste gezicht lijken deze romans ons te willen confronteren met de slechtheid van de wereld, ons te willen verontrusten. Maar bij nader inzien gaat het om het omgekeerde: ze willen ons juist geruststellen. Wanneer we ze uit hebben kunnen we ons weer gelukkig prijzen met het idee dat het in de echte wereld allemaal zo beroerd nog niet is. Ja, slechtheid, dat is erg, maar gelukkig is dat niet iets van ons soort mensen, dat hoort tot de anderen. De grote populariteit van dit genre komt voort uit deze geruststelling: gaat u rustig lekker slapen, het is maar literatuur. Bij ons is Saskia Noorts roman Nieuwe buren een treffend voorbeeld.

De romans van Elle van Rijn en Christophe Vekeman werken volgens bovengenoemde principes. Onaangename eikels nog onaangenamer maken. Laten zien dat sukkels sukkels zijn en blijven. Bij Van Rijn ligt het er allemaal wel heel erg dik op, ik kreeg het bijna letterlijk benauwd van het verderfelijke beeld dat zij ophangt van haar hoofdfiguur, de verpleegster Anna die uit wraak overgaat tot afpersing en moord. Die benauwdheid gold overigens niet de leeghoofdige gedachtewereld van Anna, die interesseerde me minder en minder omdat ze geheel uit clichés is opgetrokken. Maar ze overviel me wel steeds dwingender bij het idee dat de schrijfster het opbracht zo veel energie en schrijfverlangen te steken in dit barre verhaal zonder kraak en smaak, waarin iedere zin erop gericht is het al bekende nog bekender te maken. Waarom schakel je als schrijver je nieuwsgierigheid tijdens het schrijven zo totaal uit? Er is niets nieuws in deze roman, niets waarvan ik nieuwsgierig werd, waarbij ik dacht: hé, dat wist ik nog niet, daar wil ik meer van weten. Niets in de zinnen, niets in het verhaal, niets in de ontwikkelingen. Waarom al je literaire verlangen in een soap gestoken?

In Christophe Vekemans roman gaat het niet om moord en doodslag. Hij introduceert ons via een monologue intérieur in de benepen en rancuneuze gedachtewereld van de kleinburger Lester Brandman. Deze is jaloers op schrijvers en leidt een leeghoofdig leven, zijn werk bevalt hem niet en zijn huwelijk is ook al slecht. Kortom, bekende beelden rondom het overbekende idee dat ‘de’ mens uit de lagere middenklasse ongelukkig is, niets weet, te veel drinkt, zich door de televisie laat leiden, alleen anderen de schuld geeft en ongelukkig sterft. En dat alles steeds erger wordt, maar dat wisten we ook al. Vekeman besteedt overigens heel wat meer aandacht aan zijn stijl dan Van Rijn. Hij laat de benardheid van zijn antiheld af en toe goed doorklinken in zijn zinnen. Maar ik werd er niet wanhopig van, of treurig, of nieuwsgierig, het interesseerde me allemaal steeds minder. Alles al bekend. Ja, Vekeman kan schrijven, daar twijfelde ik niet aan, maar waarom zo veel energie gestoken in overbekende beelden van de angsten van een kleinburger? Angst voor ontrouw, angst voor onzekerheid, angst voor de dood. Zo veel energie in psycho- en sociogebabbel. Schrijven over de bekende weg. Waarom het zo iemand weer eens symbolisch ingepeperd? Vekeman kijkt te veel op zijn held neer. Zou ik daarvan onder de indruk moeten raken? Zonder tegenwicht, of tegenstem die mijn interesse op gang zou kunnen brengen? Misschien moet hij in een volgende roman niet langer werken met een vooropgezet raamwerk dat hij over de wereld legt, maar zich meer laten leiden door verlangen naar en nieuwsgierigheid over iets dat hij zelf nog niet wist. Iets dat hij echt wil weten. Wanneer romanschrijvers niet meer echt iets willen weten, gaan ze uiteindelijk ten onder aan beter weten.