Tentoonstelling: Iedereen fotografeert

Al die levens

Wat maakt de foto’s in de Rijksmuseum-tentoonstelling Iedereen fotografeert, privékiekjes van vroeger, toch zo boeiend? Deze vergetelheid is ook onze toekomst.

George Hendrik Breitner, Marie Jordan naakt op de rug gezien, ca. 1889 © Rijksmuseum, Amsterdam / Bruikleen van mevrouw F.B. Douglas-ter Beek, Laren (Gelderland)

Wat blijft hangen? En waarom? De nonchalante kiekjes van het goede leven van de jongens en meisjes van de bourgeoisie? De zelfverzekerde blik in de ogen van de jong gestorven Joseph Jessurun de Mesquita en de hedendaags toeschijnende portretten die de door hem geïnspireerde schilder Willem Witsen maakte van bijvoorbeeld Willem Kloos en Paul Verlaine? Of juist de intieme, huiselijke taferelen? De kinderen in hun ledikantjes, de naakte geliefden, de stranduitjes? De blauwige foto van een rij houten palen die onder een zware grijze lucht manmoedig als golfbreker de zee in lopen, gemaakt door niemand minder dan de 27-jarige koningin Wilhelmina? Het niet-aflatende enthousiasme van de serieuze amateurs, met hun verenigingen, hipsterachtige uitdossingen, penny-farthings en hun trots over de schouder gedragen camera’s op hoge houten statieven met dunne poten, gracieus en imposant als kleine spinnen van Louise Bourgeois? Of toch gewoon die vrolijke poster uit 1901 van Guy de Coral, handelaar in fotoartikelen, waaraan de tentoonstelling Iedereen fotografeert in het Rijksmuseum haar naam ontleent?

Zo ontstellend druk als het even verderop bij de Rembrandt-tentoonstelling is, zo rustig is het hier. Voor wie er niets meer van vraagt is het simpelweg een verzameling van in meerderheid piepkleine sepiakleurige beelden van andere levens, lang geleden. Taferelen waarvan je niets hoeft te weten om er toch bij te kunnen wegdromen. Het Nederland van een handvol generaties terug is even onherkenbaar als de vreemdste vreemde cultuur nu en daarmee vanzelfsprekend even fascinerend en ongrijpbaar. Zoals L.P. Hartley in de openingszin van The Go-Between schreef: ‘The past is a foreign country, they do things differently there.’

Waarom spreken foto’s die zo duidelijk voor andermans ogen zijn gemaakt toch tot de verbeelding? Is het herkenning of juist bevreemding die maakt dat je bij dat ene beeld blijft staan? Neem de foto van de man die vanachter een brede tafel met daarop een theeservies in de camera kijkt. Naast hem, half op schoot, zit een klein jongetje. Ze zitten voor of in Hotel Scheltema aan het Damrak. De naam van de fotograaf is niet overgeleverd, maar het beeld is gemaakt rond 1895. Mogelijk, zo vermeldt het bijschrift, gaat het om de eigenaar van het etablissement. Het is de kadrering die de foto uitzonderlijk maakt. De twee zitten in het midden, maar laag in beeld. Om hen heen is een zee van ruimte die wordt gevuld door de strakke, rechthoekige oppervlakten van houten panelen en vuile spiegels – of zijn het ramen? Er is de trots van de vader, want dat dit een vader en zijn zoon zijn staat vast, en er is de onzekere ernst van het jongetje. De scène is ontspannen en toch ook plechtig. Pas op het laatste moment valt op hoe de man niet alleen zijn linkerarm om de jongen heen heeft geslagen, maar hoe tussen de wijs- en middelvinger van zijn rechterhand ook de vingers van het kind zichtbaar zijn. Het is een kleine houdgreep die tegelijk liefdevol is en ook stilzitten nu lijkt te betekenen.

Het is plaat 247 in Everyone a Photographer, de rijk geïllustreerde catalogus bij de tentoonstelling. Deze Engelstalige bewerking van het proefschrift van curator Mattie Boom legt het monnikenwerk dat voorafging aan de tentoonstelling bloot. Booms promotieonderzoek richtte zich op een onderbelicht deel van de Nederlandse fotografiegeschiedenis: de wondere wereld van de vroege amateurfotografie. Een paar decennia na de uitvinding van het medium kwam ze binnen bereik van de liefhebber te liggen. Van ijverige vroege hobbyisten tot de onnadenkende schieter van familiekiekjes. Boek en tentoonstelling proberen een breed overzicht te schetsen van wie er zoal fotografeerde en hoe men dat deed, welk materiaal men gebruikte en wat voor ideeën er achter die vroegste foto’s schuilgingen. Het resultaat is een even fascinerend als grof inzicht in een moeilijk te ontsluiten geschiedenis, alsook een schat aan anekdotes.

Dit is niet het leven zoals het toen was. De bias is evident: wie fotografeerde kon zich dat veroorloven. Wat gefotografeerd werd was voor iemand de moeite en het materiaal waard. Maar naarmate de techniek goedkoper werd en binnen het bereik van een breder publiek kwam te liggen, werd ook dat wat werd vastgelegd veelzijdiger van aard. Maar dan nog blijft de vraag: hoe maak je het privékiekje interessant, zonder het interessanter te maken dan het is? Want dat lijkt het centrale dilemma van zowel het boek als de tentoonstelling. Het vanzelfsprekende gebrek aan breder belang is bijna wezenskenmerk van de amateurfoto. De geslaagde amateurfoto is voor maar weinig mensen heel veel waard. Een triomf van het particuliere. De amateurfoto is interessant juist omdat hij het particuliere niet overstijgt maar in zijn volle glorie toont. Dat zoiets zich toch zonder veel moeite laat presenteren in een catalogus of een tentoonstelling, dingen die van nature vehikels zijn voor dat wat juist wel belangwekkend wordt verondersteld, heeft er ongetwijfeld mee te maken dat alles wat lang genoeg wordt bewaard op den duur als historisch document als vanzelf aan belang lijkt te winnen.

Het verhaal dat Boom vertelt in Everyone a Photographer komt wat traag op gang, vermoedelijk blijft het boek als publieksvertaling dicht bij de oorspronkelijke opbouw van het proefschrift. En spijtig is vooral ook de keuze van het museum om de catalogus uitsluitend te publiceren in niet overal even vlot vertaald Engels. Maar al snel begint het wetenschappelijke graafwerk vruchten af te werpen. Boom schetst de geschiedenis aan de hand van een handvol helder van elkaar te onderscheiden invalshoeken. Ze kijkt naar de twee belangrijkste groepen die elk op hun eigen manier de fotografie bedreven. Aan de ene kant waren er de serieuze amateurs die zich verenigden en samen de mogelijkheden van het medium verkenden en tentoonstellingen en wedstrijden organiseerden. Aan de andere kant kwamen er op den duur ook steeds meer ‘do-it-yourselfers’, in Booms terminologie. Daarnaast kijkt ze achtereenvolgens naar de handelaren in en makers van fotografische apparatuur en lichtgevoelig materiaal, de nieuwe beeldtaal die kunstenaars met fotografie ontwikkelden en de schat aan informatie over gebruiken en interesses die besloten ligt in de vroegste fotoalbums waarin amateurs hun beelden begonnen te verzamelen.

Anoniem, Familie Enthoven op Normandisch strand, 1900 © Rijksmuseum, Amsterdam
De amateurfoto is interessant juist omdat hij het particuliere in zijn volle glorie toont

Boom schrijft over de Internationale Tentoonstelling van Foto-Kunst in het Stedelijk Museum in 1908 – georganiseerd door het personage met de meest aanstekelijke naam uit deze hele geschiedenis: Ignatius Bispinck – en hoe men hoopte het aanzien van de fotografie als kunstvorm te vergroten. Een van de amateurfotografen vroeg zich in het tijdschrift Eigen haard zelfs af of men door de overdaad aan schoonheid niet zou denken dat het om gereproduceerde schilderijen in plaats van foto’s ging. De tentoonstelling leverde ook een mooie discussie op in De Amsterdammer. In reactie op een lange bespreking van de tentoonstelling door H.W. Idzerda, docent aan de technische hogeschool voor fotografie, schreef schilder Theo Molkenboer een al bijna even uitvoerige reactie onder de kop ‘Is Photographie Kunst?’ waarin hij zich beklaagt over de oppervlakkigheid van de wijze waarop fotografie kunst probeert te zijn door de schilderkunst te emuleren. Molkenboers betoog loopt uit in een buitengewoon grappige uiteenzetting over smaak. Kunstfotografen hebben dikwijls veel smaak, maar of je daar nu blij mee moet zijn? Hij schrijft:

‘Geen smaak hebben is treurig.

Slechts een beetje smaak hebben, om meelij mee te krijgen.

Veel smaak hebben voert dikwijls tot pedanterie en geeft dikwijls aanleiding tot zeer bizarre dingen — maar nog meer smaak hebben is zoo iets van tot inkeer komen en werkelijk verstandig worden.

Als alle hedendaagsche kunst-photographen tot die min of meer philosophische smaakverheffing zullen zijn gekomen, zullen ook tentoonstellingen als deze niet meer gehouden worden.’

Het is wat verderop in Booms verhaal dat de gedachte aan deze discussie zich opnieuw aandient. Het is een beetje lullig voor die sympathieke, onvermoeibare pictorialistische fotografen, met hun exposities en hun strijd voor de fotografie als volwaardige kunst, maar de ironie wil dat het de beelden zijn die schilders als George Hendrik Breitner en Willem Witsen voor hun plezier maakten die de een eeuw later verwezenlijkte potentie van de fotografie als autonome kunstvorm lijken te voorafschaduwen. De kunst schuilt in de vrijheid van de geest die zich van het medium bedient.

Het plezier van een tentoonstelling als Iedereen fotografeert, tegelijk beperkt van omvang en oneindig breed, op het willekeurige af, ligt in de wijze waarop de grote geschiedenis zowel kleiner als groter wordt. Enerzijds tastbaarder, teruggebracht tot de behapbare proporties van gewone levens waarin gewone dingen worden gedaan. Anderzijds onmetelijker: elk vastgelegd moment brengt plotseling een heel leven naderbij. Al die levens, net zo lang en gelaagd en ingewikkeld en vol liefde en plezier en teleurstellingen als het eigen leven, lijken heel even binnen handbereik. Het verleden dat zo tastbaar wordt, wordt als vanzelf een herinnering aan onze eigen onbeduidendheid. Deze vergetelheid is ook onze toekomst. Een beangstigend idee, wellicht. Maar ook een prettige relativering en een ingang in de rijkdom van het bestaan. Zo veel mensen, zo veel levens, zo veel in stilte gehulde verhalen. Het onwerkelijke besef dat al dat verre verleden ooit voor iedereen het vanzelfsprekende heden was.


Iedereen fotografeert, Rijksmuseum, t/m 10 juni. Everyone a Photographer, geïllustreerde, Engelstalige bewerking van het proefschrift van conservator fotografie Mattie Boom, € 39,95