© ANP Kippa

Ooit was Jan Wolkers een levende held, denk ik. Ik was er niet bij. Jan Wolkers kom je nu doorgaans voor het eerst en het laatst tegen op je literatuurlijst, op de middelbare school. Turks fruit kies je dan uit om het bescheiden aantal pagina’s, en omdat de lerares erbij zegt: dit was baanbrekend in zijn tijd. Grensverleggend en schokkend! Dat zegt ze met zo’n veelbetekenende blik in haar ogen. Diezelfde blik had de lerares Latijn toen we Catullus van haar moesten lezen, móchten lezen, zei ze, want het was een traktatie voor ons pubers om schunnige gedichten te vertalen. Catullus: iets over de brute ontmoeting tussen een weidebloempje en een ploegmes, en iets over het bonken en kraken van een beverig bedje.

Wat vond ik van Wolkers? Ik kan me de aanvankelijke opluchting herinneren, dat Turks fruit niet iets moeilijks over integratie bleek te zijn. De dingen die als tiener indruk op je maken zijn onnavolgbaar. Hoe het verhaal nou precies ging, wat er ook alweer met die Amerikaan aan de hand was, Olga’s sterfscène, het is allemaal vervaagd, maar ik weet wel nog dat ze trouwde in een paarse jurk, en dat ze wel eens een hele dag inmaakuitjes zat te pellen op het balkon. En ik heb me mijn hele tienertijd afgevraagd of ik die ‘borsten recht omhoog’ van Olga nog zou krijgen, ‘waarvan iemand eens vroeg: “Bestaat dat?”’ Ik denk het soms als ik een goed bedeelde vrouw over straat zie lopen: borsten recht omhoog.

Ik was geraakt door de liefde in het boek, maar het ging natuurlijk meer over seks. Ik las werktuiglijk over de ene na de andere vunzigheid. Het wond me niet op en het schokte me niet. Zoals de vaaglijk onsmakelijke biologiepractica (een inktvis opensnijden, staafjes aardappel volzuigen met water) leek ik het vooral niet echt te begrijpen. Wat was hier zo baanbrekend aan? Ergens op het internet zwerft nog een filmpje rond, een opdracht voor school, waarin ik met mijn beste vriendinnetje vat probeer te krijgen op het boek. Betweterig, maar haperend van maagdelijke naïviteit beweer ik dat al die dieren in het boek symbool staan voor de ‘dierlijke relatie’ tussen Olga en de hoofdpersoon. Van dierlijke relaties zou ik nog geruime tijd het fijne niet weten.

De verfilming, die ik ter verheldering met mijn ouders keek, was zo mogelijk nog buitenaardser dan het boek. Dat harde, schelle Nederlands, intelligente volzinnen met een plat accent. Al dat schaamhaar. Het domme poppengezichtje van Monique van de Ven, haar onhandige jonge lichaam, zo zacht en menselijk, niet voor de televisie gemaakt. De seks (en hierbij richtte ik mijn ogen strak op het scherm, bang voor mijn moeders plagerijen als ik mijn ongemak liet blijken) die hardhandig was en toch lacherig, niet zoals ik het kende uit films. De algehele plakkerigheid en ongewassenheid van de kleren, de mensen, de grappen. Wat moest ik ermee, al dat uitbundige geneuk? Het boek, die film, dat hele decennium kwamen groezelig op mij over.

Wat ik toen niet begreep, denk ik, is waar de seksuele bevrijding een bevrijding van was. Nadat ik stapels tienerboeken had verslonden over drugsverslavingen, loverboys, kidnappings, triootjes, GHB, eerwraak, hoe moet je tongen, de gevaren van sexten, morning-afterpillen die erin gingen als smarties, had zelfs de beste docent niet aan mij kunnen uitleggen waar we vandaan kwamen, vóór Turks fruit, vóór Ik, Jan Cremer. Dat men ooit bekrompen was in Nederland, gelovig zelfs, dat er een gevestigde morele orde was waartegen men zich moest verzetten, voelde prehistorisch ver weg. Dat er ooit iets anders had geheerst dan de huidige cultuur van leven en laten leven hoorde ik wel van oudere familieleden maar daar kon ik me gewoon helemaal niets bij voorstellen. Nog steeds niet, eigenlijk.

Terug naar Oegstgeest lezen dan maar, waarin Wolkers zijn ouderlijk dorp bezoekt en zo op de ene na de andere herinnering aan zijn jeugd stuit. Ik heb het in een nostalgische opwelling bij de bibliotheek geleend, een herontdekt plezier waar ik van alles over kwijt wil, maar niet nu. Nu de jaren dertig, in een noodlijdende kruidenierszaak, waar het gereformeerde gezin Wolkers de vele monden probeerde te voeden. Jan, een fijngevoelig en dromerig jongetje, overleeft in het huis waaruit hij als tiener ontsnapt, en dat als hij terugkomt veel kleiner blijkt dan vroeger. Voor het jongetje Jan brak mijn hart een beetje, zoals het al tig keer gebroken is voor al die literaire jongenshartjes, Kees de Jongen, Anton Wachter, zachte jongens voor wie het leven te snel en te fel is, de tranen zo dicht bij het oppervlak. Ieder verdriet, iedere schaamte en iedere schoonheid is onvermijdelijk en enorm. Zo voelt het echt om een kind te zijn.

Maar verder was voor hem alles, alles anders dan voor mij. De armoede! Alles, kleren, eten, spullen, werd aangelengd, hergebruikt, omgekeerd in elkaar genaaid, gestopt, doorgegeven of tot op de draad afgedragen. En wat hij allemaal niet mocht van de bijbel. Niet eens naar de film. Geen wonder dat ik dat hele Turks fruit niet begreep. Wat hebben wij nog voor beklemming te ontvluchten, wat voor schraalte? Geen tien broertjes en zusjes, geen bloemkool met een papje, geen god die ons voor het gericht zal brengen, geen meester die zegt dat je nooit een ‘behoorlijke steunpilaar van de maatschappij’ zal worden. Het was zo anders toen. Dat hadden ze erbij moeten zeggen op school. Ik neem aan dat ze het voor algemene kennis hielden.

Wolkers heeft nog veel meer geschreven, maar ik heb zijn brieven gelezen aan Annemarie Nauta, zijn tweede vrouw, die model stond voor Olga in Turks fruit en inderdaad een mollige meid met rood haar was. Die brieven werden mij ook weer door iemand in de handen gedrukt met diezelfde blik van: kijk eens, hier staan allerlei vieze dingen in. Grappig hoe die kinderlijke samenzweerderigheid rondom seks nooit is versleten, zelfs bij die vrijgevochten generatie niet. Ze lijken niet door te hebben dat het godganse internet vol staat met porno. Daar heb ik de brieven van een dode schrijver niet voor nodig. Maar waar dan wel voor? Om Wolkers te kennen zoals hij echt was? Daar moet je misschien eerder zijn dagboeken voor lezen, waar er vreselijk veel van zijn, en waar te veel tuinieren in voorkomt.

Nee, liever die brieven, die hij stuurde vanuit Parijs toen hij daar bij een beroemde beeldhouwer in de leer was in 1957. In die brieven smeekt hij zijn jonge vriendinnetje Annemarie vooral om hem geile berichten te sturen: ‘Maak het maar eens beetje bont, een beetje te bont.’ Kijk, dat is niks veranderd. Wolkers had sexten prachtig gevonden. Hij had een handje van absolute gorigheid, maar af en toe ontviel hem iets dat door aandoenlijke ouderwetsheid nooit geil zou kunnen zijn: ‘Je billen waren zo mieters.’ Hij genoot van het leven in Parijs. De kleuren van het fruit op de markt, de kunst, de jazzplaten die hij voor zijn vrienden draaide. Hij kookte voor zichzelf daar, koteletten, uitsmijters, rijst met kerrie, pannenkoeken, en dan dronk hij een fles wijn leeg en schreef hij een verlekkerde brief aan Annemarie. Dat hij hoopte dat ze niet lichter geworden was dan honderddertig pond, en dat ze niet te veel rookte. Dat hij aan haar hals dacht.

Zo vol van leven allemaal. Hij hield van veel en zwaar eten, hield van muziek en kunst en natuur en meiden, in overvloed. Het bacchanaal na de beklemming, dat beestachtig gelukkig zijn, ik denk dat ik het snap, nu. Het is hem gegund.