Al een kwart eeuw zwak en ziek

Een kwart eeuw geleden bestormden wij de wereld, wat voor ons betekende: het toneel. “Wij” niet als pluralis majestatis maar letterlijk: de vriendenkring.

Hoe gaat zoiets? Je doet mee aan het schooltoneel, geregisseerd door je hartstochtelijk kunstminnende juf Nederlands. Je bezoekt het schellinkje van de Stadsschouwburg. Je ziet Albert van Dalsum, kolossale oude man, in Biedermann en de brandstichters, niet beseffend dat je getuige bent van het eind van een legende. Je gaat plat voor het titanenwerk van Ank van der Moer, Ko van Dijk en Ellen Vogel om je, als student-op-zoek-naar-identiteit te bekeren tot ingehoudener acteurs als Paul Steenbergen en Han Bentz van den Berg en aan de experimenterende regisseur Kees van Iersel; om weer later, op de vleugels van Ritsaert ten Cate en het Loenerslootse Mickery, je van het ganse bestel af te wenden. Als student speel je Samuel Becketts Fin de partie, repertoire dat de beroeps dan nog nauwelijks aanraken. Je spel wordt gewaardeerd door Jeanne van Schaik van De Groene Amsterdammer en Willy Pos van de Toneelschool en je deelt de laatste mee dat je wilt stoppen met de geschiedenisstudie om acteur te worden. Die raadt je dat af omdat “de toneelwereld niks voor intellectuelen is”. Je bent gevleid omdat je nooit eerder zo betiteld bent en neemt dus maar, bij diezelfde Pos, dramaturgie als bijvak. Dan roert Tomaat zich om nog meer verandering en je loopt mee met het gevoel deel te nemen aan een revolutie, niet wetend dat ook namaakrevoluties echte slachtoffers maken - en wel vaak degenen die dat het minst verdienen omdat zij zich alle kritiek, de verdiende en de onterechte, serieus aantrekken. Inmiddels zijn je vrienden Jeanne opgevolgd als critici bij de Groene, waar je als “freischwebende” een studentenabonnement op hebt en tegen welks geschiedenis en redactie je huizenhoog opkijkt. En ze vragen je mee te doen terwijl je laatstgeschreven tekst het examenopstel, dertien jaar eerder en met een vijf beloond, is. Je weigert gevleid en lacherig drie keer om dan een proeve van recensie in te sturen naar de redactie, uitgerekend over een voorstelling waar je beste vriend al een stuk over schreef. Daarmee zou normaal de carriere van een dromende jongeling eindigen. Dan krijg je, per kerende post, dat artikel terug van de net- begonnen cultuurredacteur, grotendeels herschreven, voorzien van bergen adviezen. Moet uren werk in hebben gezeten. Die ongelofelijke aandacht en de aanmoediging vooral stukken te blijven sturen, zij het liever over voorstellingen die nog niet besproken zijn, trekken je over de drempel.
Steeds weer zal die redacteur je adviezen, kritiek en ideeen geven, je eeuwige twijfels weglachen, je gezeur aanhoren, net zolang tot je op eigen benen staat. Als je een tijd de deur niet uit kunt en daarom een historisch-materialistische analyse van Swiebertje schrijft (u ziet mijn schaamrood gelukkig niet), zal hij je tot televisiecriticus bombarderen, “dat ideale vak voor zwakken en zieken” (Dennis Potter, die het zelf ook ooit was).
Die redacteur was Max Arian, net als ik 25 jaar bij De Groene. Mijn lintje is voor hem.