Kijken

Al krabbelend

Allerlei kleinigheden die Rembrandt zag kwamen op een goed moment samen in een landschap. Deze ets is een voorstelling die geleidelijk haar eigen werkelijkheid werd.

Rembrandt, Water met visser en twee zwanen, 1650. Ets en droge naald met lichte plaattoon, 82 mm x 107 mm © Rijksmuseum Amsterdam

In een kleine ets had Rembrandt wat kleinigheden in het landschap vastgehouden die hij had waargenomen: vlak water, rimpeling, verschillende rietkragen, twee zwanen, en dichtbij aan de overkant, een hengelaar met, wie weet, zijn zoontje. Dat is nog maar het begin van wat we zien. Daar is het water niet veel breder dan een sloot. Ik stel me voor dat hij daar voorbij kwam. Nog voor de voorste kraag van kort, verward riet zien we, helemaal rechts in de ets, een pad gaan. Dat pad buigt ook en loopt, als een strand, het water in. Wat ook kan is dat het verder rechtdoor gaat. Rembrandt is in ieder geval daar in de buurt geweest of ooit ergens bij zo’n waterplek. Er is heel veel wat we niet weten van zijn dagelijks leven – in zijn huishouden, in zijn werkplaats, met bekenden in de stad. Maar dat is ook niet erg. Want tegelijkertijd weten we heel veel over hem: we weten wat hij zoal gezien heeft. Daarna laat hij ons kijkers zien wat hij zag – allerlei landschappelijke details in deze ets bijvoorbeeld. Dat is spannend.

Misschien zijn het details die wij over het hoofd zagen. Hoe klein het blad ook is: het landschap is breed en gaat langzaam de verte in. We zien breed getrokken kragen van riet die zigzag verlopen door geleidelijk oplopende velden. Zo is de eerste opzet in een laag liggende ruimte. Vanaf het lage water op de voorgrond bouwt het land zich op naar boven, tot aan een eerste horizon. Die bestaat uit licht en dicht gekrast geboomte waarin zich allerlei bouwsels nog verschuilen. Links is het geboomte het zwaarst. Het gaat dan naar rechts waar het losser begint te ogen. Daar begint het te buigen naar een sloot die loopt vanaf het midden van het water (waarin ondertussen de twee zwanen krachtig zwemmen). We zien het stugge riet langs de sloot die daar schuin naar rechts beweegt tot de rand van het blad papier.

Naar rechts buigen de dunne stengels. Het waait in de ets

Het riet overigens staat her en der in de ets wiebelend overeind gekrast. Voornamelijk naar rechts buigen de dunne stengels. Het waait in de ets dus ook. Ik zie nu ook, vanaf de voorgrond, het vlakke aanzicht van het landschap. De zoom vervlochten bomen wordt naar rechts toe ook lager en dunner, totdat (voordat die bij de lage sloot zou geraken) het geboomte wegzakt en verdwijnt achter een helling.

Rembrandt zag van alles en allerlei en liet dat ons zien. Waar dat landschap was, weten we niet. Waarschijnlijk was het nergens en is het ontstaan tijdens een wandeling buiten de stad. Op een plek die hem beviel is hij misschien gaan tekenen in een schetsboekje. Toen hij weer thuis was, een andere dag, is hij gaan etsen. Al krabbelend groeide toen die opzet van glooiend veld, oevers met rietkragen daartussen, en andere kleinigheden. Die kan hij ook eerder en elders gezien hebben: zwanen, bewegingen in water, bundelingen van riet, een visser met zijn hengel, paarden en koeien verder weg. Wat hij zo zag kwam samen in een landschap. We kunnen zien hoe hij dat in elkaar zette en hoe het landschap groeide in zijn verbeelding omdat en terwijl hij keek naar wat zich aan zijn ogen voordeed. Deze ets is geen topografisch beeld maar een ruimtelijke voorstelling die geleidelijk haar eigen werkelijkheid werd.

Maar Rembrandt fantaseerde ook graag. Het landschap had goed bij de eerste horizon kunnen ophouden, bij die licht gebogen zoom van licht gekrabbeld geboomte. Toen zag hij daar wat ruimte, iets links van het midden, waar de bomen iets lager waren. Daar zag hij plotseling, in zijn fantasie, in heel dunne lijnen die slank bewegen een stevig bouwwerk ontstaan – groot als een kasteel en ijl als een fata morgana. Toen dat er eenmaal was, moest hij verder in die fantasie. Zo werd het gebouw een massieve berg die zich ver weg verheft voorbij de horizon. In het echt had Rembrandt nooit zulke bergen gezien. Buiten Nederland is hij niet geweest. Maar hij bezat veel oude prenten. Misschien is daarom de berg met zijn gewelfde flanken heel erg licht getekend, als alleen aanduiding van volume. Maar ik kan me ook voorstellen dat hij in de middag zware witte wolken laag over het land zag overdrijven – en dat het wolken waren die hem het idee gaven voor de berg en meer effecten van ruimte verder in de lucht.