Craig Unger, House of Bush, House of Saud:

Al-Qaeda, Saoedi-Arabië en George Bush

Waarom liet Bush vlak na 11 september, terwijl een vliegverbod gold, wél twintig familieleden van Osama bin Laden naar Saoedi-Arabië vertrekken? Over de geheime en uiteindelijk fatale menage à trois van de familie Bush, de Saoedische koninklijke familie en de Bin Ladens schreef Craig Unger een boek

«Waarom stellen ze geen vragen uit dit boek?» vroeg Stephen Gephardt, wiens broer omkwam in het WTC, op een hoorzitting van de commissie die onderzoekt hoe 11 september 2001 kon gebeuren. In dat boek, House of Bush, House of Saud, beweert onderzoeksjournalist Craig Unger dat «zonder Saoedi-Arabië en zonder de geheime relatie tussen de Saoedische koninklijke familie en de familie Bush» 11/9 nooit gebeurd zou zijn.

In de dagen na de aanslagen gold boven Amerika een absoluut vliegverbod voor burgerlijke vliegtuigen, zelfs in medische noodgevallen. Er vlogen slechts militaire vliegtuigen. Op één uitzondering na: privé-jets voerden Saoedi’s en hun bedienden, samen zo’n 140 mensen, naar enkele grote luchthavens — waaronder Boston en Newark, waar de kapers op 11/9 inscheepten — vanwaar ze haastig het land verlieten. De geheime evacuatie ontsnapte aan de aandacht van de pers, maar werd in oktober 2003 door Craig Unger aan het licht gebracht in het blad Vanity Fair.

In zijn boek begint Unger waar zijn artikel in Vanity Fair eindigt. Hij kreeg in de tussentijd de passagierslijsten van de gekaapte toestellen in handen. Daaruit blijkt dat onder de geëvacueerde Saoedi’s meer dan twintig familieleden van Osama bin Laden zaten, onder wie zijn zuster en twee Bin Ladens die voor 11 september al verdacht werden van financiering van terroristen, alsmede de Saoedische prins Ahmed bin Salman. De FBI controleerde hun identiteit, maar verhoorde ze niet. Volgens Unger kon de toestemming voor de evacuatie alleen van het Witte Huis komen.

Kort na de evacuatie werden in de VS duizenden Arabieren opgepakt voor ondervraging en honderden werden maandenlang opgesloten als mogelijke getuigen in het onderzoek naar de aanslagen. Sommigen spraken van een heksenjacht. Het contrast met de voorkeursbehandeling van de Saoedi’s, allen telgen van vooraanstaande families, is alleszins opvallend, zeker als men bedenkt dat vijftien van de negentien kapers Saoedi’s waren. Waarom werden de Saoedi’s zo snel en zonder ondervraging het land uitgewerkt? Unger meent dat ze iets te verbergen hadden, en dat Bush hen daarbij hielp.

Welk geheim droegen de Saoedi’s? Een deel van het antwoord komt van collega-on derzoeksjournalist Gerald Posner, naar wie Unger uitdrukkelijk verwijst. In Why America Slept: The Failure to Prevent 9/11 (2003) stelt Posner dat topfiguren van het Saoedische regime Osama bin Laden jarenlang heimelijk steunden en zelfs wisten dat al-Qaeda op 11 september 2001 in Amerika zou toeslaan.

In maart 2002 werd al-Qaeda-leider Abu Zubaydah aangehouden in Pakistan. De Amerikanen die hem ondervroegen gaven hem sodium penthotal («waarheidsserum»), maar Zubaydah liet niets los. Daarna gebruikten de Amerikanen een truc: ze brachten hem in de waan dat hij was overgedragen aan de Saoedische geheime politie. Het idee was dat angst voor de beruchte foltermethoden van de Saoedi’s zijn lippen losser zou maken. Maar Zubaydah reageerde opgelucht in plaats van bang. Volgens Posner zei hij tegen zijn ondervragers, Amerikaanse militairen van Arabische afkomst die zich voordeden als Saoedi’s, dat hij onder bescherming stond van Saoedische prinsen. Hij gaf zijn ondervragers het telefoonnummer van een van hen met de opdracht hem te bellen. «Hij zal u zeggen wat u moet doen.» Die prins was Ahmed bin Salman, de prominentste Saoedi die na de aanslagen uit de VS ontsnapte. Zubaydah’s ondervragers antwoordden dat 11/9 alles had veranderd en dat hij niet meer op bescherming kon rekenen. Zubaydah zei dat 11/9 helemaal niets had veranderd, prins Ahmed wist immers op voorhand van de aanslagen.

Toen de ondervragers hem later voorhielden dat prins Ahmed had aangegeven Zubaydah niet te kennen, en dat hij geëxecuteerd zou worden wegens smaad jegens een lid van de koninklijke familie, begon Zubaydah te praten. Hij kwam met een gedetailleerd relaas dat begon met een vergadering in 1996 in Pakistan tussen Osama bin Laden en Mushaf Ali Mir, die toen stafchef was van de Pakistaanse luchtmacht en die nauwe banden zou hebben gehad met al-Qaeda-sympathisanten binnen de Pakistaanse geheime dienst ISI.

Ze sloten een akkoord: Mir beloofde Bin Laden bescherming, wapens en Saoedische financiële hulp en Bin Laden beloofde geen aanslagen te plegen in Saoedi-Arabië en Paki stan. De deal zou de zegen hebben gehad van prins Turki, toen hoofd van de Saoedische geheime dienst en nu ambassadeur in Londen. Turki zou Bin Laden daarna herhaaldelijk hebben ontmoet, ook in 1998 in Kandahar, Afghanistan, samen met Taliban-leiders.

Toen Zubaydah later begreep dat zijn ondervragers geen Saoedi’s maar Amerikanen waren, probeerde hij zichzelf te wurgen. Later zei hij dat hij gelogen had en willekeurig namen had genoemd uit vrees gemarteld te worden. De mensen die hij had genoemd, ontkenden natuurlijk.

Gerald Posner staat bekend als een scepticus. In zijn bekendste boeken ontkracht hij de samenzweringstheorieën over de moorden op president Kennedy en Martin Luther King. Maar uiteindelijk valt zijn geloofwaardigheid samen met die van zijn anonieme bronnen, al rapporteerde ook The New York Times op basis van anonieme bronnen de ondervragings techniek die Zubaydah aan het praten kreeg.

Gebeurtenissen na de ondervraging doen vermoeden dat Zubaydah grotendeels de waarheid sprak. Kort nadat de CIA bij haar Saoedische en Pakistaanse collega’s informeerde wat er waar kon zijn aan Zubaydah’s verhaal, stierven enkele betrokkenen. Zubaydah had vijf namen genoemd. Ahmed bin Salman sneuvelde als eerste. Hoewel de 43-jarige prins kerngezond was, kreeg hij een fatale hartaanval. De volgende dag kwam prins Sultan al-Saud om bij een auto-ongeluk. Een week later stierf prins Fahd al-Kabir in de woestijn, «door dorst» volgens het koninklijk paleis. Daarna was het de beurt aan de Pakistaanse generaal Mir, die samen met zijn vrouw en vijftien naaste medewerkers omkwam toen zijn vliegtuig door onopgehelderde oorzaak neerstortte. Van de vijf door Zubaydah genoemde mensen overleefde enkel prins Turki. Maar die is onaantastbaar. «Hij is de Edgar Hoover van Saoedi-Arabië», zegt Posner. «Als iemand de geheimen kent van de hoogste leden van de koninklijke familie — hun seksleven, hun contacten met prostituees als ze in Europa zijn, enzovoort — is hij het.»

En wat heeft dit alles met Bush te maken? Daarover gaat de rest van Ungers boek. «Nooit eerder waren de belangen van een Amerikaanse president en de regerende familie van een ander land zo nauw verweven», schrijft Unger. De relatie tussen de VS en Saoedi-Arabië is volgens hem gebaseerd op een impliciet akkoord: de Saoedi’s houden de olieprijs laag en investeren hun petrodollars in Amerika en in ruil hiervoor mengen de VS zich niet in de interne zaken van Saoedi-Arabië. Maar de Saoedische koninklijke familie houdt haar heerschappij in stand met hulp van het wahabisme, een fundamentalistische, antiwesterse moslimstroming. De Saoedi’s geven miljarden aan wahabistische liefdadigheids organisaties. Een deel van dat geld werd naar al-Qaeda gesluisd. Onder president Clinton begonnen de VS die liefdadigheidsorganisaties te vervolgen, maar onder Bush werd er weer een oogje dicht geknepen.

De innige relatie tussen de families Bush en Saoed ontlook toen de vader van de huidige president in de jaren zestig olie ontgon in Koeweit. Toen Bush senior daarna CIA-directeur werd, gingen de Saoedi’s investeren in zijn staat Texas. In de jaren tachtig zorgde Bush senior, toen vice-president, ervoor dat Saoedi-Arabië geld doorsluisde naar de Nicaraguaanse Contra-rebellen en wapens naar Saddam Hoessein, die toen oorlog voerde tegen Amerika’s vijand Iran, en naar de anti-Russische rebellen in Afghanistan.

Toen Bush senior president werd, werden de banden met de Saoedi’s nog inniger. De Saoedische ambassadeur prins Bandar was als familie. First lady Barbara noemde hem «Bandar Bush». Twee dagen na 11 september werd hij opgemerkt in het Witte Huis in gezelschap van de president.

Volgens Unger maakten de Saoedi’s de familie Bush schatplichtig door massaal te investeren in bedrijven die door Bush en zijn beste vrienden, zoals ex-minister van Buitenlandse Zaken Jim Baker, worden gecontroleerd. Hij heeft berekend dat de geldstroom van «het Huis van Saoed» (waaronder hij ook Saoedi’s rekent met nauwe banden met de koninklijke familie, zoals de Bin Ladens) naar «het Huis van Bush» bijna anderhalf miljard dollar bedraagt. Dat is natuurlijk maar een fractie van de ruim achthonderd miljard die de Saoedi’s in de Amerikaanse economie investeerden. Om te zien welke van die investeringen bedoeld waren om politieke invloed te kopen, moet je volgens Unger onderzoeken welke vanuit puur economisch standpunt idioot waren, zoals de kapitaalinjectie die het Texaanse oliebedrijf Harken redde van bankroet. Weggegooid geld, maar George Bush junior zetelde in Harkens directieraad. Volgens Unger dankt de huidige president zelfs zijn baan aan de Saoedi’s. Zij mobiliseerden de islamitische liefdadigheidsgroepen in de VS voor Bush. Bush kreeg de zege toegewezen omdat hij in Florida ruim driehonderd stemmen meer haalde dan Al Gore. 91 procent van de kiezers van Arabische oorsprong in die staat, zo’n 55.000 mensen, stemde voor Bush.

Unger is lang niet de enige die de regering-Bush ervan beschuldigt dat ze de Saoedische banden met al-Qaeda met de mantel der liefde bedekt. Vorige zomer censureerde de regering 28 pagina’s uit het rapport van een congrescommissie over 11/9 waarin de Saoedische rol in de financiering van de terroristen gedetailleerd stond beschreven. De commissie weigert de namen bekend te maken van Saoedische organisaties die verdacht worden van hulp aan al-Qaeda. David Armstrong, reporter van de National Security News Ser vice, schreef onlangs in Harper’s dat de geldstroom van Saoedische liefdadigheidsgroepen naar al-Qaeda nog steeds niet is opgedroogd. Volgens Armstrong heeft de regering wel de bankrekeningen bevroren van honderden niet-Saoedische groepen en individuen die worden verdacht van steun aan de terroristen. Maar Saoedische organisaties als de IIRO (In ternational Islamic Relief Organisation) en de MWL (Muslim World League) werden ongemoeid gelaten, hoewel de inlichtingendiensten sinds lang weten dat zij geld geven aan al-Qaeda. Prins Turki, prins Sultan (de Saoedische defensieminister), de vrouw van prins Bandar en andere Saoedische leiders hebben aan die groepen vele miljoenen geschonken.

Armstrong vermoedt dat de Amerikaanse regering niet zozeer hun als wel zichzelf een schandaal wil besparen door die Saoedische liefdadigheidsgroepen uit de schijnwerpers te houden. Want de VS gebruikten dezelfde groepen in de jaren tachtig om hulp naar de Afghaanse rebellen te sturen. Toen de Russen zich in 1989 uit Afghanistan terugtrokken, was het verhaal voor Washington afgelopen. Maar het financieringsapparaat dat de Amerikanen hielpen creëren, bleef bestaan en werd door Osama bin Laden gebruikt voor zijn terroristische netwerk. Armstrong schrijft: «Zoals de regering ervaart: ondanks de beroemde bewering van de president dat je ‹ofwel met ons ofwel met de terroristen bent›, is het verschil niet altijd zo duidelijk.»

De Saoedi’s ontkennen dergelijke beschuldigingen in alle toonaarden. «Waarom zouden we Osama bin Laden helpen?» vraagt prins Bandar. «Hij wil ons omverwerpen.» De Saoedische liefdadigheidsgroepen zijn volgens hem niet meer dan liefdadigheids groepen. Als er al eens geld naar al-Qaeda is gegaan, gebeurde dat buiten medeweten van die organisaties, van de donors en de Saoedische regering. Een van de financiers die in Ungers boek wordt genoemd heeft met een smaadproces gedreigd. Ungers uitgever Random House heeft daarom besloten het boek niet uit te brengen in Engeland, waar smaadprocessen makkelijk te winnen zijn omdat de aangeklaagde er elke bewering moet kunnen bewijzen. Prins Turki, volgens Unger de mas termind van de Saoedische hulp aan al-Qaeda, zegt dat hij integendeel de CIA informeerde over twee al-Qaeda-leden die op 11 september deelnamen aan de kapingen, maar dat de CIA niets deed met die informatie. De CIA zegt die informatie nooit ontvangen te hebben.

Veel experts achten het onwaarschijnlijk dat de Saoedi’s ten tijde van 11/9 al-Qaeda nog steunden. «Ik beweer niet dat al-Qaeda geen aanhangers had in de koninklijke familie», zegt Sandra Mackey, die verscheidene boeken schreef over Saoedi-Arabië, «maar niet in de leidende regionen. Al-Qaeda was hun vijand.» Osama bin Laden zou zich sinds de Golfoorlog tegen het Saoedische regime hebben gekeerd omdat het «heidense legers» had toegelaten op heilige grond.

Als al-Qaeda en de Saoedi’s in 1996 een akkoord sloten, zoals Zubaydah volgens Posner beweerde, lijkt dat vandaag aan flarden. In mei 2003 pleegde al-Qaeda zware bomaanslagen in Riad, waarbij veel Saoedi’s omkwamen. Daarna openden de Saoedische autoriteiten de jacht op al-Qaeda . De aanzienlijke wapenvoorraden die ze vonden, toonden aan wat al-Qaeda in petto had voor Saoedi-Arabië.

De acties tegen al-Qaeda gaan volgens insiders nog steeds door, maar de Saoedische re gering loopt er niet mee te koop. Dat zou haar impopulair maken. Het regime gebruikte het radicaal islamisme om de bevolking ideologisch te controleren, maar betaalt daar nu een prijs voor.

Volgens Robert Baer, ex-CIA-man en Midden-Oosten-expert, is er nog een andere reden voor de Saoedische discretie. Zijn contacten vertelden hem dat de Saoedi’s geschokt waren toen ze al-Qaeda serieus begonnen te vervolgen, omdat er zo veel aanhangers bleken te zijn binnen de overheid en de koninklijke familie. Die familie, de rijkste op aarde, telt duizenden prinsen waarvan vele weinig macht maar veel geld hebben. De Saoedi-heersers voeren nu volgens Baer een strijd op leven en dood tegen al-Qaeda. «Ze weten dat hun vijanden ingebed zijn in heel hun familie», meldde Baer op de website Salon. «Noem hen zoals je wilt — terroristen, Arabische nationalisten, gekken — maar ze zitten bij de politie, in het leger, op de ministeries.» Dat verklaart ook waarom de Saoedische regering weigert haar al-Qaeda-gevangenen te laten ondervragen door de Amerikanen en informatie vrij te geven over de Saoedische liefdadigheidsinstellingen.

Niet alleen in de Saoedische heersende klasse maar ook in de Amerikaanse bestaan grote meningsverschillen over de relaties met de Saoedi’s. Dat de meerderheid van de Democraten én de Republikeinen zeer omzichtig met Saoedi-Arabië omgaat, heeft niet alleen te maken met belangenverstrengeling zoals die van de familie Bush. Die politiek wordt vooral gemotiveerd door het enorme strategische en economische belang dat de VS hebben bij Saoedi-Arabië, en door het gevaar van een onstabiel, of erger, een islamistisch Saoedi-Arabië. Sommige linkse Democraten pakken de Saoedi’s hard aan. Maar de rechtse neo conservatieven schieten de giftigste pijlen af.

Die stroming, die droomt van een democratisch, pro-Amerikaans Midden-Oosten, was binnen de regering de pleitbezorger bij uitstek van oorlog tegen Irak. Ze zou dat oorlogsavontuur graag nog eens overdoen in Saoedi-Arabië. Maar zelfs al hebben de «neocons» invloedrijke aanhangers, wat Saoedi-Arabië betreft zijn ze een minderheid.

Volgens Robert Baer zijn de aanvallen van de neocons op de Saoedi’s gevaarlijk. «Als het huis van Saoed valt, zal het de rest van de Golf meesleuren», zegt hij. «Hoezeer ik de Saoedi-koninklijke familie ook veracht om hun arrogantie, ik wil ze niet zien verdwijnen. Dat zou een stammenoorlog betekenen en een catastrofe van mondiale afmetingen.»

Sandra Mackey is het daarmee eens: «Het leidt tot dezelfde vraag als die waarmee we nu in Irak worstelen: wat komt hierna? Het Saoedi-regime is misschien een kaartenhuis, maar het is tenminste een huis. Wie zal het land overnemen als het instort, wie zal de regio samenhouden? Sommigen zeggen: we zullen de islamisten Mekka en Medina geven, we moeten ons enkel zorgen maken over de olievelden. Het is door dat soort kortzichtigheid dat we nu in Irak zitten.»

Craig Unger

House of Bush, House of Saud: The Secret Relation Between the World’s Two Most Powerful Dynasties

Scribner, 368 blz., $ 26.00

Gerald Posner

Why America Slept: The Failure to Prevent 9/11

Random House, 256 blz., $ 25.00