Reportage: Angola

Al veertig jaar oorlog

Nadat de Portugezen Angola achterlieten, is het er continu oorlog geweest. Maar ook daarvoor was er geen vrede. De Angolezen zitten al decennia klem tussen moordende en rovende elites; de overheid is geen haar beter dan de rebellen. De bevolking is overgeleverd aan hulp van buitenaf. Een hongersnood dreigt.

Het vliegtuig duikt van negen kilometer hoogte in een spiraalvlucht naar beneden. De landingsbaan van Luena blijft voortdurend in zicht, zo klein zijn de cirkels die het maakt. Het toestel ligt bijna op zijn kant in de bochten, zodat de maag in de keel blijft steken. Van deze hoogte zijn duidelijk de verschillende wrakken naast de landingsbaan te zien. Ze liggen daar met hun geknakte vleugels, verlamd, net naast de grijze loper die over de rode aarde ligt uitgerold.

Klimmen en dalen in een spiraal is sinds jaar en dag de remedie tegen aanslagen van Unita op vliegtuigen, die de geïsoleerde steden in Angola bevoorraden. De vlieginstructies moeten de rebellen zo min mogelijk gelegenheid geven de toestellen te beschieten. Toch weet Unita met enige regelmaat een toestel te raken, waarna de vluchten weer enige tijd worden stilgelegd. Luena, provinciehoofdstad van Moxico in het oosten van Angola, telt tachtigduizend inwoners en ruim negentigduizend vluchtelingen. Het laatste voedseltransport over de weg dateert van eind 1997, toen een colonne vracht wagens na een lange periode van isolatie de stad bereikte. De bewoners vierden het uitbundig. Drieëneenhalf jaar is de bevolking nu alweer gevangene in eigen stad. Rondom liggen mijnenvelden en daarbuiten ben je overgeleverd aan de willekeur van Unita-soldaten.

Toen er even kans leek op een akkoord tussen de MPLA-regering en Unita, midden jaren negentig, is een aantal mijnenvelden rond de stad geruimd. Op kleine schaal wordt daar weer voedsel verbouwd. Het Wereldvoedselprogramma (WFP) van de Verenigde Naties vliegt de rest in. Dat wil zeggen 65 procent van wat de bevolking dagelijks nodig heeft. Meer is er niet en dat geldt voor alle hulpbehoeftigen in Angola. Er heerst enige vermoeidheid bij de donors over de oorlog in Angola en er is een gebrek aan faciliteiten. Structurele ondervoeding is het gevolg. Het WFP balanceert tussen het voortdurende voedseltekort en de vermoeidheid bij de donors. «We hopen dat vluchtelingen stukken land krijgen toegewezen rond de belegerde steden, zodat ze zelf in staat zijn wat voedsel te verbouwen», zegt Christina Müller van het Wereldvoedselprogramma, «maar dat zal nooit voldoende zijn.»

Luena is een godverlaten oord. «Het einde van de wereld», zeggen de bewoners. Maar het is niet eens de oorlog die de stad zo’n troosteloze indruk geeft. Het zijn de kapot gereden wegen, het verlaten spoorwegstation met een enkele treinwagon op verkreukelde rails, de smoezelige afgetakelde gebouwen en de laag rode stof waaronder alles schuil gaat, die de gemoedstoestand van haar inwoners reflecteren. «De regering heeft haar handen van steden als Luena afgetrokken», zegt pater Edmundo Valensuela, Uruguayaan en lid van de katholieke Salezianer orde. Hij woont en werkt al tien jaar in de stad. «De staat Angola functioneert niet meer. Het enige wat nog werkt is de oorlogsmachine en zelfs die functio neert slecht. Daarom verwachten de inwoners niets meer van de overheid. We zijn gestopt met nadenken over het bestuur van dit land», is zijn hard maar zakelijk oordeel. Antonio Eduardo, evenals zijn vrouw werkzaam bij een lokale NGO, deelt dat oordeel. Ze behoren tot de meer fortuinlijken in Luena met een baan die wordt betaald met buitenlands donorgeld. «Angolezen moeten alles zelf doen», zegt hij in een door kaarsen verlichte woonkamer. «De overheid zorgt niet voor stroom, niet voor onderwijs voor onze kinderen en is zelfs niet in staat vrede te brengen. Wat betreft vredes initiatieven verwacht ik niets meer van de huidige regering.» Ze vinden het deprimerend om in de stad opgesloten te zitten, ook al is het de laatste tijd relatief rustig rond Luena. De stad heeft mensen als Antonio en zijn vrouw hard nodig omdat mensen als zij het cement van de gemeenschap vormen. Maar ze hebben besloten dat hun toekomst in de hoofdstad Luanda ligt. Daar is tenminste een goede opleiding te vinden voor hun kinderen en daar is misschien ook meer economisch perspectief.

Luena had vroeger nog wat industrie. De stad stond bekend om de parketvloeren die er werden gemaakt en de meubelindustrie. Het omliggende gebied was rijk aan landbouw en een aantal producten werd verwerkt in de stad, bijvoorbeeld in een fabriekje dat vruchtensappen produceerde. Toen die industrie door de oorlog tot stilstand kwam, trokken er eerst vluchtelingen in de fabriekshallen. De vluchtelingen zijn inmiddels ondergebracht in kampen aan de rand van de stad en de gebouwen herbergen nu onder andere een werkplaats waar prothesen worden gemaakt voor de vele mijnslachtoffers die de bevolking telt of een trainingscentrum voor het ruimen van landmijnen. De gebouwen van de spoorwegmaatschappij staan allemaal leeg. Daar mag niemand aankomen. Die kunnen ieder moment weer in gebruik worden genomen door de spoorwegen. Het symboliseert de hoop dat de verbinding met de haven van Lobito aan de kust en misschien met Zambia ooit wordt hersteld. Een functionerende spoorlijn betekent immers het einde van het isolement.

Vooralsnog moet alles wat de stad ontbeert door de lucht worden aangevoerd. Pater Valensuela heeft met zijn Salezianer broeders een gebouw waar geen deur, raam of dak meer in of op zat tot school omgetoverd. Het is de voormalige staatsgevangenis, nog gebouwd door de Portugezen voor het opsluiten van antikolonialen, daarna door de machthebbers van de MPLA gebruikt om hun oppositie vast te zetten. De meeste bouwmaterialen zijn door de lucht aangevoerd. Evenals de generator, een enkele computer en het aftandse schoolmeubilair, dat uit Italiaanse klaslokalen afkomstig is.

Unita heeft het vredesproces, dat begin jaren negentig op gang kwam en na een korte, maar hevige periode van vechten in het midden van de jaren negentig werd voortgezet, eindeloos getraineerd. In plaats van hun soldaten naar demobilisatiekampen te sturen, arriveerden daar boeren die van hun land waren geplukt en gedwongen zich bij de kampen te melden. Toen duidelijk werd dat Unita de wapenstilstand voornamelijk gebruikte om zich opnieuw te bewapenen, besloot president José Eduardo dos Santos dat de enige weg naar vrede de oorlog was. En in 1999 vochten de troepen van de Forças Armadas Angolanas weer volop tegen Unita.

De rebellen van Jonas Savimbi waren niet in staat de veroverde posities, zoals een aantal provinciehoofdsteden, in handen te houden. Unita raakte ernstig verzwakt, maar werd niet verslagen. Met terreur, een aanslag op een trein, een konvooi, een aanval op een stad en de beschieting van vliegtuigen, is de rebellen beweging nog steeds in staat een groot deel van het land in de greep van het geweld te houden.

Sommige Angolezen en hulpverleners denken dat Unita een sociale crisis in het land wil veroorzaken door de bewoners van hele streken naar de steden te jagen, waar de regering niet in staat zal zijn hen te voeden en medische zorg te bieden. Hoewel niemand de grillige geest van Savimbi kan begrijpen, is het meest waarschijnlijk dat de terreur tot nieuwe onderhandelingen moet leiden. Die waarschijnlijk weer zullen mislukken.

«Vluchten in Angola betekent nooit meer terugkeren», zegt Ralf Syring van Deutsche Welthungerhilfe. Zijn organisatie is onder meer betrokken bij de hulp aan het vluchtelingenkamp Cambambe vlak bij de stad Caxito, zo’n zestig kilometer ten noorden van Luanda, waar dertigduizend vluchtelingen verblijven. In mei lanceerde Unita nog een aanval op de stad, waarbij tweehonderd doden vielen. Cambambe ontstond begin 1998. Het vluchtelingenkamp met zijn lemen hutten ziet er verraderlijk permanent uit, als een gewoon dorp. Tijdelijke onderkomens van takken zijn inmiddels verstevigd met klei. Met zijn dertigduizend inwoners is het zelfs groter dan de stad Caxito. Welthungerhilfe is inmiddels gestopt met het uitdelen van voedselhulp. «Je kunt je afvragen of tweeëneenhalf jaar hulp verstrekken nog wel noodhulp is», zegt Ralf Syring. Daarom wordt er met de provinciale overheid en lokale organisaties gekeken of de vluchtelingen kunnen worden geherhuisvest in de buurt van Caxito, waar ze huizen en landbouwgrond krijgen. Een wet uit 1992, voor dat doel gemaakt, bepaalt dat ongebruikte landbouwgrond aan vluchtelingen kan worden gegeven, maar wordt nauwelijks toegepast. Veel grond rondom Caxito is van militairen en MPLA-functionarissen. De provinciale overheid ziet de vluchtelingen liever naar huis vertrekken, maar dat is nog steeds onveilig. Bovendien wordt het hervestigen van de bevolking als het bezwijken voor de Unita-terreur gezien.

De markt van het vluchtelingenkamp biedt een karig aanzien van kleine handeltjes. Een handvol tomaten en wat pepers, een jongen met een paar vissen uit de rivier, een vrouw met een zak maïsmeel of iemand met wat pillen antibiotica. Voorheen was er een levendige handel in voedselhulp. De vluchtelingen verkochten een deel van de hulp om ook zeep en schoolschriften te kunnen kopen, die niet werden verstrekt. Nu bieden veel mensen zich aan als dagloner om op het land van anderen te werken. Justino Costa, maatschappelijk werker in Cambambe, toont begrip voor het wantrouwen van de vluchtelingen tegenover de overheid. Sommigen zijn al meerdere keren gevlucht en hebben alles achter moeten laten. Tijdens hun vlucht zijn ze bedrogen en anderen zijn beroofd van hun laatste bezittingen. «Maar ze zien wel in dat hun situatie zo niet kan voortduren en dat ze uiteindelijk akkoord moeten gaan met een stuk land», zegt Syring.

Angola wordt officieel aangeduid als een «zwakke» staat omdat deze staat niet het hele grondgebied beheerst en geen kans ziet een aantal essentiële voorzieningen voor zijn bewoners te realiseren. Het Wereldvoedselprogramma is verantwoordelijk voor de aanvoer van voedsel voor 1,2 miljoen mensen. Nog eens vijfhonderdduizend hulpbehoevenden in door Unita beheerst gebied zijn onbereikbaar, volgens Christina Müller van het WFP. Inmid dels zijn de tekorten zo ver opgelopen, ondanks een recente gift van de Amerikaanse regering, dat het WFP een hongersnood voorziet in Angola. De gezondheidszorg wordt in steden als Luena voor een belangrijk gedeelte verzorgd door organisaties als Artsen Zonder Grenzen en dan nog wel op een uiterst minimaal niveau. De aanvoer van medicijnen hapert voortdurend en de meeste ziekenhuisapparatuur is buiten werking.

Toch, zo zegt pater Valensuela, moeten we niet vergeten dat deze regering de erfgenaam is van de kolonisator Portugal. Pas in 1975, na de Anjerrevolutie in Portugal en een verbeten gewapende strijd vanaf 1961 in Angola, is het land onafhankelijk geworden. Nog voor de onafhankelijkheid officieel was uitgeroepen, bevonden zich al Zuid-Afrikaanse en Cubaanse troepen op Angolees grondgebied om de Koude Oorlog uit te gaan vechten. Unita werd gesteund door de Verenigde Staten, die niets van het socialistische MPLA-bewind moest hebben. En de soldaten van het Zuid-Afrikaanse apartheidsbewind, die bang waren dat Angola Namibië naar de onafhankelijkheid zou helpen, stonden tegenover de Cubanen op het slagveld. In de jaren tachtig paste Angola prachtig in de Amerikaanse strategie van het «low intensity conflict». In landen waar socialistische regeringen aan het bewind waren, werden tegenstanders opgetuigd en bewapend. Dat gebeurde heimelijk, bijvoorbeeld met het steunen van de contra’s in Nicaragua, het opzetten van een fundamentalistische guerrilla in Afghanistan tegen de sovjettroepen, waaruit Osama bin Laden en zijn al-Qaeda-netwerk zijn voortgekomen, en het gebeurde openlijk met de steun voor Unita.

Jonas Savimbi, die er toen al niet meer op betrapt kon worden echt voor een zaak te vechten, werd zelfs door de Amerikaanse president Ronald Reagan ontvangen. De Verenigde Staten gingen pas over tot erkenning van Angola tijdens de eerste termijn van president Clinton in 1992, toen de Koude Oorlog was uitgewoed en de laatste Cubanen uit Angola waren vertrokken.

Er is geen enkel perspectief dat het land uit de huidige patstelling raakt. De veertien miljoen zielende tellende bevolking zit klem tussen twee rovende elites. Angolezen spreken van MPLA-dieven en Unita-moordenaars. Unita probeert ondanks de officiële sancties van de Verenigde Naties haar bestaan te verlengen door de handel in diamanten. De MPLA-regering hult zich in weelde met behulp van oliedollars en houdt met datzelfde geld haar oorlogsmachine op gang. Ze doet weinig voor haar eigen bevolking, de sociale sector bestaat nauwelijks of wordt overgelaten aan de internationale gemeenschap, zoals voedselhulp en medische zorg. Veel soldaten krijgen geen soldij en maken dus het platteland onveilig om hun kostje bij elkaar te roven. De aankondiging van president Dos Santos dat hij niet meedoet bij de volgende presidentsverkiezingen, heeft nauwelijks voor opluchting gezorgd. De MPLA is totaal in handen gevallen van apparatsjiks, die vooral aan hun eigen portemonnee denken. Van vernieuwing zal dus geen sprake zijn.

Jonas Savimbi duldt in de gelederen van Unita intussen geen enkele afwijkende gedachte. Wie dat probeert, wordt afgemaakt. De enige hoop die mensen koesteren is de ontwikkeling van een derde weg. Het opbouwen van een civiele maatschappij, die op den duur in staat is genoeg tegenwicht te bieden aan de politieke elites. Dat is een lange weg die misschien wel tien jaar of langer kan duren. De Portugezen hebben het land immers achtergelaten zonder dat er mensen waren opgeleid, en daarna is het continu oorlog geweest. Nu al veertig jaar. Toch zijn er langzaam kritische geluiden te horen in de pers, van intellectuelen en in de kerken.

Een van die «nieuwe Angolezen» is Adao Pambal. Hij is letterlijk herrezen, nadat hij in de oorlog zijn linkerbeen door een mijn verloor. Aanvankelijk zat hij in zak en as, want in Angola word je als gehandicapte niet langer in staat gezien voor je familie te zorgen en rest vaak een bestaan als bedelaar op straat. Sinds het aanmeten van een prothese waar hij goed mee heeft leren lopen, is hij de energieke secretaris van de gehandicaptenorganisatie Lardef, die het ene project na het andere start met fondsen van donors. Even buiten Luanda bouwt Lardef een steenfabriek, waar gehandicapten zullen gaan werken. Ook bij de bouw worden gehandicapten zoveel mogelijk ingezet. De eerste geproduceerde baksteen zal worden gebruikt voor een wijk voor de arbeiders en hun familie, pal naast de fabriek. Daarna moet het bedrijf commercieel gaan draaien. «De regering heeft zich nooit iets van de oorlogsslachtoffers aangetrokken, zelfs niet van degenen die als soldaat invalide zijn geworden. Dan doen wij het maar zonder de overheid», concludeert Pambal.