‘Death of a pig’, E.B. White

Al zijn het regenwormen

Ik dacht eraan Vsevolod Garsjins De beren over het voetlicht te brengen, maar besefte net op tijd dat hoewel dieren een belangrijke rol spelen in die geweldige bundel mensen en bomen in de mooiste verhalen de show stelen. Het prachtige essay over een verdwenen kat van Mary Gaitskill dan? Maar dat zat in de bundel Somebody with a Little Hammer die ik vorig jaar al eens in een lijstje als dit aanbeval. Vervolgens was daar plots de ingeving: Anton Koolhaas! De perfecte keuze, zo leek het. Ooit redacteur van deze krant en een man die over zijn eigen werk zei: ‘Ik zit in alle figuren, al zijn het regenwormen.’ Maar waar ik ook zocht in de boekenkast en hoeveel ik ook opdook – Vergeet niet de leeuwen te aaien, Poging tot instinct, Er zit geen spek in de val – het verhaal over de snoek Wampoei vond ik niet. En zonder Wampoei ging het niet. De tijd begon te dringen. Wie dan wel? Wat dan wel?

E.B. White, geliefd essayist en kinderboekenschrijver (Stuart Little, Charlotte’s Web) schreef in de herfst van 1947 Death of a Pig – opgenomen in Essays of E.B. White. De titel dekt weliswaar de lading, maar lijkt omgekeerd evenredig aan het gewicht van de korte vertelling over de vergeefse verzorging van een varken dat in plaats van op tafel in een graf eindigt. White en zijn dachshund Fred doen wat ze kunnen (‘Hij miste geen gelegenheid om mij te vergezellen en bracht daarnaast zelf nog allerlei werkbezoeken’). White schrijft het allemaal licht op (‘Ik ontdekte echter dat er na uitvoeren van een klysma bij een varken geen weg terug is, geen kans om het leven in een meer gangbare rol weer op te pakken’), maar hoe diep de dood van het varken hem (en Fred) roert is helder: ‘Toen we het lichaam in het graf lieten glijden, waren we geraakt tot op het bot. Het verlies dat we ervoeren was niet het verlies van ham maar het verlies van varken.’