Alain Robbe-Grillet (1922-2008)

Bij het overlijden van schrijver en filmer Alain Robbe-Grillet maakte de Franse pers weinig gepassioneerd melding van het verdwijnen van de rebelle raffiné, zoals hij inmiddels door de politiek is bestempeld. Met graagte wordt aangehaald hoe weinig hij in Frankrijk en hoe veel hij in de ‘Trans-Atlantische’ universiteiten werd gewaardeerd, als theoreticus van de nouveau roman, het genre dat in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw definitief wilde afrekenen met de conventionele negentiende-eeuwse roman à la Balzac. Vroeger werk als Le voyeur (1955) wordt enig belang toegekend vanwege het controversiële en stilistisch vernieuwende karakter. Soms memoreren de journalisten ook nog de trilogie Les romanesques (1985-1994), die wel ‘la nouvelle autobiographie’ is genoemd: memoires waarin verzonnen gebeurtenissen en onzekerheden in het tijdsverloop niet worden geschuwd.

Ger Groot mijmerde onlangs in dit blad over het met de jaren wegkwijnen van de tinteling die hij voelde als jong mens, staand voor de uitdaging de gehele wereldliteratuur te omarmen. Als jong mens van 28 zie ik de eerste beweging in die melancholische richting ingezet door het verdwijnen van eerst al Derrida en nu dan ook Robbe-Grillet. Zo mooi als de eerste lezing van La jalousie in 2001 – waarbij ik de pretentieuze indruk had iets te begrijpen wat niemand anders ooit zo zou kunnen begrijpen als ik – zo mooi wordt het niet meer. Nu ken ik mijn bescheiden plaats in de intellectuele wereld, maar het zegt veel over deze tekst, die de lezer een dusdanig belangrijke plaats geeft dat hij zich ‘le maître du monde’ kan voelen.

In ludieke en ironische labyrinten vol verwarde vertelstructuren, onderling miniem verschillende herhalingen, spiegeleffecten en meta-narratieve uitweidingen, brak ik mijn hoofd over de vraag wat er nu eigenlijk gebeurde met de opmerkelijke sadistische vrouwenbeelden. Een hoogmoedig scriptieonderwerp, maar wel een dankbaar object om je als ongestuurde geest in vast te bijten.

Sterker nog dan de andere nouveau-romanschrijvers als Claude Simon en Nathalie Sarraute heb ik Robbe-Grillet ervaren als een compromisloze schrijver. Daar waar andere romanciers zich naar mijn smaak ietwat verloren in een l’art pour l’art gelijkend concept, zocht Robbe-Grillet met behulp van sado-erotisch beeldmateriaal de provocatie op. Dit gaf zijn werk een ruwe, onderzoekende en tegendraadse inslag, wat paste bij Robbe-Grillets publieke optreden.

In La jalousie (1957) volgt de lezer extreem consequent de visuele observaties van de verteller, wiens aanwezigheid enkel en alleen merkbaar is door zijn kijkrichting. Men raadt een jaloerse echtgenoot die verteerd wordt door het gebrek aan visuele totaalkennis. Hoe objectief het oog zich ook voordoet, het subject verraadt zichzelf voortdurend. Niemand die het interessant vond, maar bij mij kookte het enthousiasme over toen ik constateerde dat de buiten de vertelling geplaatste jaloerse verteller alleen maar een ‘man’ wordt door de genderbepaalde interpretatie van de lezer. In samenspel met Robbe-Grillets complexe teksten kun je je eigen revoluties ontketenen.

De experimentele niemendal Djinn (1981) mat zich in mijn ogen met zeer abstracte gendertheorieën en La reprise (2001) is een dijk van een roman, waarin Robbe-Grillet virtuoos en vol zelfspot zijn eigen oeuvremuseum bouwde. Het is tevens een op zichzelf staande spionagethriller, waarin een rijke postmoderne poëtica zeer soepel is geïntegreerd. Als in navolging van Grunberg nog ooit iemand zijn Ako-prijzengeld aan een vertaling wil besteden, is dit explosieve boek een mooi begin van de Nederlandse ontdekking van Robbe-Grillet, over wie te vaak wordt gezegd: bekende naam, nooit wat van gelezen.