Alarm

Heel raar: ik belde vanmorgen een kennis in Israël en op dat moment hoorde ik door de telefoon het luchtalarm afgaan.

We moesten ophangen.

Maar vanaf dat moment was ik ongerust.

Na tien minuten werd ik teruggebeld. Er was niets gebeurd. De raket die zou komen, was onderschept. Het gesprek dat we hadden afgebroken ging door. (We spraken trouwens over Leo Vroman en waarom dat zo’n goede dichter was.)

De rest van de dag probeerde ik me te herinneren wanneer me dit eerder was overkomen.

Ik wist zeker dat ik een keer eerder iemand aan de telefoon had gehad en dat er toen luchtalarm was. Maar wanneer was dat? Verdomme, het kwam niet naar boven. Was het niet de eerste Golfoorlog? Nee, met wie zou ik toen hebben moeten bellen? De krant had daar niemand zitten. De tweede Golfoorlog dan? Daar kan ik me helemaal niets van herinneren.

Was het misschien toen de Navo in Kosovo was? Langzaam begon me iets te dagen. Het was in 1995. Ik had een redacteur aan de lijn van een krant in Bosnië-Herzegovina. Opeens wist ik het weer. Ik wilde het een en ander van hem weten, maar kon niets van hem verstaan. Plotseling hoorde ik bij hem het zeurende luchtalarm afgaan. Ik schreeuwde in het Engels: ‘Let’s finish this conversation.’ Maar zijn Engels was te beroerd en desondanks wilde hij me uitleggen dat zijn strijd een rechtvaardige was. ‘Djo liss, djo liss’, hoorde ik, en ik begreep dat hij wilde zeggen: ‘You listen!’ Ik moest naar hem luisteren. Maar het bombardement stond op aanvangen en ik wist niet wat ik moest doen. Zelf ophangen? Ik zei maar: ‘Yes, yes!’ en probeerde te begrijpen wat hij me wilde uitleggen. En opeens, midden in een zin, werden we afgebroken.

Alsof een tak van een boom werd afgerukt.

Ook toen voelde ik me onmiddellijk ongerust.

De krant sloot bijna. Ik had niets. Ik probeerde na tien minuten terug te bellen. Geen contact. Ik deed aan het eind van de middag weer een poging. Niets. De volgende dag trachtte ik op alle mogelijke uren te bellen. Niets, niets en niets. Ik kende het telefoonnummer uit mijn hoofd. En toen gaf ik het op.

Ik heb dat gesprek vermoedelijk verdrongen. Zoals ik eigenlijk dat hele conflict heb verdrongen, terwijl ik er door het werk bij de krant bovenop zat. Ik had niet eens de naam van de vriendelijke redacteur die mij te woord had gestaan. Ik dacht: dat komt wel, ik vraag hem straks of hij zijn naam wil spellen.

Ik belde vanavond mijn vriend in Israël weer. Ik had een mooi exemplaar van een boek dat hij zocht op de kop kunnen tikken.

‘Elke dag strijd is een kantoorbaan’, zei mijn vriend. ‘Anders wordt het ondraaglijk’

‘En, hoe is het met de duizend bommen en granaten?’ vroeg ik.

‘Ach, je went eraan.’

‘Hoe kun je eraan wennen?’

‘Ach, kom maar langs.’

We spraken over het feit dat het niet goed is als je eraan went. Het is dan niet bijzonder meer.

‘Elke dag strijd is een kantoorbaan’, zei mijn vriend.

‘Dat zou hij niet moeten zijn.’

‘Jawel, anders wordt het ondraaglijk.’

We maakten grappen en vermeden min of meer over het conflict te praten. Dat hadden we al zo vaak gedaan. En hoewel onze standpunten niet ver uiteen lagen, waren er ook punten waarover we van mening verschilden. En dan praat je maar over mooie boeken en gedichten. Ik hoorde, terwijl hij sprak, dat hij op de achtergrond de radio aan had staan. Een taal die ik niet verstond.

We spraken over het WK voetbal. Het was alsof hij naast me woonde, zo helder en duidelijk kwam hij door, wat me nog altijd verbaast.

En opeens hoorde ik weer een luchtalarm.

Ik vloekte.