Albert Camus

Albert Camus De mens in opstand

Wat kan de kunste naar doen in deze angstige tijden? Teruggrijpen op Albert Camus.

Wie als schrijver bang is omdat de gedachtepolitie van na 1984 stad en land afspeurt naar afwijkingen en graag haar pijlen richt op weerbare woordkunst, durft al gauw niets meer onbevangen aan het papier toe te vertrouwen. «Angst verlamt een door spookbeelden en machines bevolkt Europa.» Dat schreef Albert Camus meer dan vijftig jaar geleden in De mens in opstand, toen hij weigerde romans als propaganda of amusement te schrijven en de kunst als herschepping en op stand voorstond. Door de angst onontkoombaar te aanvaarden – makkelijk opgeschreven, moeilijk uitgevoerd – verliest de schrijver zijn vrees voor de angst. Angst of de a-creatieve oplossing om met de dood bedreigde parlementsleden onder te laten duiken in gevangeniscellen of op zwaar be waakte marinebases, ondermijnt de democratie. Salman Rushdie moest na 14 februari 1989 wel overgaan tot acceptatie van zijn angst omdat hij anders alleen al aan het idee van de fatwa-doodstraf zou zijn bezweken. In De laatste zucht van de Moor verklapt hij een geheimpje aan de lezer: «De angst is een absolutist. Alles of niets, niets daartussen. Hij overheerst je leven met een domme, verblindende almacht als een tiran, of je overwint hem en zijn macht gaat in rook op.» Rushdie heeft zichzelf bevrijd, hij leeft en schrijft en komt weer overal, al blijft hij met zijn woede op zijn hoede.

Hoe kan die vreemde vrijheid van het scheppen, ondermijnd door de huidige angstcultuur, mogelijk blijven «midden tussen de politiekorpsen van zo veel ideologieën», zoals Albert Ca mus het een halve eeuw geleden om schreef in zijn Haagse lezing De kunstenaar en zijn tijd. Toen waren die korpsen kapitalistisch, kolonialistisch en communistisch, nu is de Terroristische Inter nationale tot vijand nummer 1 verklaard, een religieus fanatisme dat met zijn zelfmoordcommando’s doodsangst wil zaaien en storm of hemelse bruiden wil oogsten. Osama bin Laden zei het half september vanuit zijn hol in Afghanistan voor de tv-zender Al-Jazeera zo: «De wind van het geloof is opgestoken om het kwaad van het schiereiland te verdrijven.»

Als denken vandaag de dag gevaarlijk denken is, aldus Peter Sloterdijk, dan is kunst maken «gevaarlijk scheppen», zoals Camus het in zijn nog altijd actuele De mens in opstand omschreef. Wat kan de kunstenaar doen tegen religieus fanatisme, nihilisme, kerosinebommen en moordaanslagen? Vasthouden aan die kunst die in opstand komt tegen de werkelijkheid omdat er nog veel ongrijpbaar en onvoltooid aan is. Noem die houding een esthetische betrokkenheid die zich keert tegen het utopisch denken waarin het doel altijd de middelen heiligt.

De inleiding op De mens in opstand omschrijft de Koude Oorlogstijd van 1950 raak: «Wij leven in een tijd van voorbedachte raad en de perfecte misdaad.» Vroeger riep het bloed van een moord nog minstens «gewijde af schuw» op, maar de vloek van dat tijdperk is volgens Albert Camus «dat het de suggestie wekt niet bloedig genoeg te zijn». Camus is ook helemaal van onze tijd. In zijn Haagse lezing van oktober 1954 zei hij tegen een zaal vol boekhandelaren dat veel kunstenaars de neiging hebben de actualiteit te ontkennen en graag dromen van toekomstige politieke stelsels: «De levende mens beoordelen in naam van een mens die nog niet bestaat, dat is de rol van de profeet. Maar de kunstenaar kan mythen slechts op hun waarde schatten in het licht van de terugslag die ze op de levende mens hebben. De profeet kan een absoluut oordeel vellen en laat zich dat overigens niet afnemen, zoals u weet. Maar de kunstenaar kan dat niet. Als de kunstenaar een absoluut oordeel velde, zou hij de realiteit ongenuanceerd in goed en slecht verdelen, hij zou er, nee, hij maakt er een melodrama van.»

De kunstenaar die een derde weg wil zoeken tussen amusement en sociaal moralisme in, zoals de moedige einzelgänger Camus, kiest de weg van de moeizame vrijheid. Mensen die zich laten voorstaan op hun artistieke in zicht en voortdurend om een politiek engagement van de kunst roepen, hebben nog altijd niet in de gaten dat diezelfde kunst al eeuwenlang «de onderdrukking van duizenden mensen verzacht, en soms een paar van hen voor altijd bevrijdt.» Grote kunst manoeu vreert tussen schoonheid en pijn, tussen opstand en instemming en zij vermijdt de politieke ethiek.

Het belang van de kunst is te vinden in de kunst zelf.

Het burgerlijk huwelijk tussen ro man en moraal is reeds lang ontbonden en een nieuw bruidsbed wordt niet meer opgemaakt. Toch is het nieuws van de echtscheiding nog niet overal doorgedrongen. Schrijvers krijgen op gezette tijden, als er conflicten oplaaien en genocide dichtbij is, het verwijt dat ze zich afzijdig houden. Kies toch eens partij! Want wie aan kunst doet lijkt zich niets van de ellende in de wereld aan te trekken. Maar een roman is geen pam flet, uitgesponnen column of snelle actuele vertelling. Toch blijft het verwijt aan de schrijver dreinen als een stille eis. Hij zou zich ondubbelzinnig en zonder literaire dubbele bodems moeten uitspreken, bij voorkeur op de opiniepagina of in een tv-praatprogramma want dat is goed voor zijn marktwaarde en naamsbekendheid. Maar de schrijver is er in dit sadistische universum niet voor de bijschriften onder de beelden maar om de lezers een blik te gunnen in de afgrond van hun eigen psyche.

Destructie is creatie, vernieling is vernieuwing. Bakoenin en Nietzsche, twee hoofdrolspelers in Camus’ De mens in opstand, hebben dat aan den lijve ondervonden. Zonder het kwaad – of dat nu negentiende-eeuws anarchisme in tsaristisch Rusland is of de 21ste-eeuwse wereldwijde jihad – geen literatuur van de opstand. Wie de be weegredenen van het kwaad niet onderzoekt, dringt niet tot de mensenharten door, en dat geldt ook andersom.

Wat zijn de kernvragen? Hoe geeft de schrijver zijn betrokkenheid bij leed en liefde, haat, dood en verderf weer in zijn romans? Is het niet zijn ideaal om voor iedereen te spreken over geluk en ongeluk? Valt er nog iets essentieels te zeggen over de menselijke existentie na Treblinka, waar de schoonheid wel de gelijk verminkt werd? Hoe te schrijven na de kersoninebomaanval op de WTC-torens of de rituele afslachting van een cineast die niet op zijn mondje was gevallen? Hoe worden schrijvers weer de niet-erkende wetgevers van de wereld? Door zich artistiek te verweren tegen de politieke wetgevers die alles en iedereen in de gaten willen houden en gevaarlijk denken en scheppen per definitie wantrouwen.

In het midden van die andere koloniale oorlog in Algerije, begin 1956, hield de Algerijnse Fransman Albert Camus in het hol van de leeuw, Algiers, een rede: Appel pour une trêve civile en Algerie. Het was een idealistische, antipolitieke toespraak die opriep een einde te maken aan het vergieten van onschuldig bloed. Want er is nooit een reden te verzinnen die de dood van een onschuldig mens rechtvaardigt. De hel, zijn dat de anderen? Nee, de «anderen doen ons ontstaan. Pas in de samen leving krijgen we een menselijke waarde die superieur is aan de dierlijke waarde» (De mens in opstand).

Camus had een filosofische held, Nietzsche, en een literaire, Dostojevski, die allebei midden in de arena van hun tijd stonden. Wie Dostojevski leest, weet dat elke ideologie dwars tegen de psy chologie ingaat. Dostojevski’s be schrij ving in Boze geesten (1871) van de gevolgen van ideologisch fundamentalisme is onverminderd actueel. In Camus’ to neelstuk Les justes, dat zonder Boze geesten niet geschreven zou zijn, spelen Russische anarcho-terroristen rond 1900 de hoofdrol. Camus was gefascineerd door de drijfveren van deze martelaren voor de revolutionaire religie. Welke utopische geest bezet en bezit die zogenaamde rechtvaardigen? Hoe bezielen ze hun strijd, hun jihad? Ze willen de poorten openen naar een gouden toekomst, die ene transcendente realiteit waarvoor ze hun leven willen opofferen. Door hun eigen dood dachten zij een gemeenschap van gerechtigheid en liefde te kunnen scheppen. Zo meenden ze een missie over te nemen die de kerk had verzaakt. Er moest en zou een gelukkige wereld komen, een politieke utopie voor iedereen in een klap.

Hoe komt het dat zelfs de zuiverste geesten zich dienstbaar kunnen maken aan een moordenaar? Dit is niet alleen de kernvraag van Boze geesten maar van alle romans die het schemergebied achter de geharnaste meningen willen omploegen. Dostojevski liet zich inspireren door de zaak-Nechajev. In 1869 richtte deze pseudo-socialistische op lichter een geheim genootschap op: «De Volkswraak». Doel: de openbare executie van de tsaar en de omverwerping van de regering. Nechajev was een Bakoenin-anarchist wiens doel het was overal in Europa chaos te stichten. Van de leden van De Volkswraak eiste hij kadaverdiscipline en blinde gehoorzaamheid. Maar het genootschap deed zichzelf de das om toen ze een deloyaal lid vermoordde. «Niemand beschuldigen, ikzelf» luiden de cruciale woorden op de slotpagina’s van Boze geesten.

Wie de terroristen van 11/9 of de moordenaar van Theo van Gogh beter wil begrijpen doet er goed aan deze Dostojevski weer te lezen. In Boze geesten wordt de esthetiek van het seksuele en politieke geweld zelden ge hinderd door ethische intermezzi. «Wat is schoner: Shakespeare of schoenen, Raphael of petroleum?» vraagt een liberale intellectueel zich in de roman af. Staan de bevrijding van de Russische boeren en het socialisme lager dan de Engelse toneelschrijver? Liever een stuk kaas dan Poesjkin? Dostojevski is duidelijk: Shakespeare is «de werkelijke vrucht van het hele mensdom, en misschien wel de hoogste vrucht die maar bestaanbaar is!» De mensheid kan het doen zonder Engelsen, Duitsers of Russen, «maar zonder schoonheid niet, omdat er dan helemaal niets meer in de wereld te doen zou zijn! Ziehier het hele geheim, de hele geschiedenis!» (Boze geesten).

In Dostojevski’s pleidooi voor «on partijdigheid en ruimheid van blik» wint de esthetiek het van de ethiek. Toch had hij aan den lijve ervaren, staande op het schavot voor de galg, dat de schoonheid haar gezicht al lelijk had verbrand. Maar hij wist dat er, dankzij de koninklijke route van de roman, geen andere weg openstond: esthetiek als verzet, schoonheid als opstand.