Albert ‘Prodigy’ Johnson 2 november 1974 – 20 juni 2017

‘Prodigy was het soort rapper bij wie het altijd donker leek, zelfs midden in de zomer.’ Voor hem geen commerciële handigheid, Prodigy bleef een rapper’s rapper: weinig bekend bij het grote publiek, held van collega’s.

Geen enkele artiest kon het leven in achterbuurten zo overtuigend oproepen als de rapper Prodigy deed. Zodra hij het woord nam – een tikkeltje schor, soms bijna op fluistertoon, en zich nooit bovenmatig inspannend – kreeg je als luisteraar automatisch de neiging om achterom te kijken. Om te zien of de murderers en de gewapende leden van zijn crime family die hij in zijn nummers beschreef je niet al genaderd waren. Zijn muziek was dreigend en intimiderend achteloos. Prodigy was het soort rapper bij wie het altijd donker leek, zelfs midden in de zomer, en bij wie iedere straathoek een potentieel decor was voor een overval of moord.

Het bekendst werd hij als helft van Mobb Deep, dat hij begin jaren negentig vormde met jeugdvriend Havoc. Tamelijk onverwacht brak dit duo door met zijn tweede album The Infamous (1995), een straatplaat die talloze nog steeds klassieke hiphopnummers bevat. Slechts negentien was Prodigy (Albert Johnson, 1974) op dat moment, maar moeiteloos zette hij de lijnen uit op het album, dat werd onthaald als de onovertroffen, grimmige soundtrack van het New Yorkse Queens: een achtergestelde wijk vlak bij Prodigy’s geboortegrond, waar de P overigens was opgegroeid in een uitermate muzikaal gezin. Ook Havoc rapte, maar het was Prodigy die op de plaat de duistere teneur bepaalde.

Gelukkig maar, want Prodigy was de meester van het overrompelende openingscouplet, van de onopgesmukte oneliners. Zijn teksten hadden een duistere, persoonlijke ondertoon die zelden voorkomt binnen de muziekwereld. Geen moment liet hij zich verleiden tot het in hiphop zo gangbare gepronk of al te gelikte refreintjes. Nee, hij beschreef eenvoudigweg zijn bestaan als vergeten tiener in het armoedigste deel van een wereldstad. Zonder concrete verwijten, zonder moralistische boodschappen en ook zonder nadrukkelijke zelfverheerlijking, als een camera die ons rondleidde in gebied waar journalisten niet durfden te komen. En juist daardoor etsten de raps zich meteen in je geheugen; de woorden hadden in hun directheid en vanwege Prodigy’s soepele, bijna schouderophalende tongval iets overrompelend rauws.

Zo begon hij op de single Survival of the Fittest binnen een paar tellen te rappen, begeleid door zware pianotonen en drum: ‘There’s a war goin’ on outside no man is safe from/ You could run, but you can’t hide forever/ From these streets that we done took/ You walkin’ with your head down, scared to look, you shook/ Cause ain’t no such things as halfway crooks.’ Alsof hij op het moment van rappen boven op de scènes stond die hij beschreef, alsof hij dit dag in, dag uit meemaakte en niet nadacht over zoiets als songstructuur of commercieel succes.

Ook een kwetsbaar onderwerp behandelde hij met ongepolijste tongval

In zekere zin is Prodigy in de 22 jaar na The Infamous altijd hetzelfde blijven doen als bij zijn doorbraak. Natuurlijk, sommige thema’s kregen meer of minder nadruk, de begeleiding veranderde af en toe van geluid en de echte achterbuurten ontgroeide hij al snel, maar tot op zijn laatste projecten hield Prodigy vast aan dezelfde werkwijze: onopgesmukt en brutaal zijn eigen leven beschrijven. Op die manier maakte hij na The Infamous nog veel meer klassieke rapnummers – meestal namens Mobb Deep, soms als soloartiest. Vanaf 2000 bracht hij meerdere soloalbums uit (vaak met zijn bijnaam H.N.I.C. in de titel: Head Nigga In Charge), waarop Prodigy zich nu en dan ineens van een persoonlijke kant toonde door bijvoorbeeld zijn sikkelcelanemie te bespreken. Maar ook zo’n kwetsbaar onderwerp behandelde hij met ongepolijste tongval en zonder tranentrekkende instrumentaties; persoonlijk leed werd bij Prodigy nooit ingezet om meer luisteraars te bereiken.

In commercieel opzicht was die toonvastheid vermoedelijk geen handige keuze. Waar bijvoorbeeld rapper Nas, die in dezelfde tijd als Mobb Deep debuteerde met een eveneens donkere plaat over Queensbridge, dankzij handig artistiek en ook marktgericht denken uitgroeide tot een wereldwijde superster, en waar ook sommige van de rappers met wie Prodigy via wederzijdse diss tracks in een verbale strijd verwikkeld raakte inmiddels legendes zijn (2Pac, Jay-Z) bleef Prodigy altijd enigszins hangen in de periferie. Nooit had hij echt succes. Zijn albums werden geprezen, verkochten aardig tot goed, maar hij werd geen artiest voor hoge hitlijstnoteringen of voor wereldtours – ondanks alle lof die hem ten deel viel. Zoals er ook writer’s writers zijn, zou je kunnen zeggen dat Prodigy een rapper’s rapper was: collega’s lopen tot vandaag de dag met hem weg, het doorsnee publiek kent hem nauwelijks.

Erg? Op zich niet, alleen leek Prodigy daar zelf heel af en toe last van te hebben. Bijvoorbeeld toen Mobb Deep tot ieders verbazing een contract tekende bij de razend populaire en veel te gelikte 50 Cent: ongetwijfeld de best betaalde deal uit hun loopbaan, met hoe dan ook hun zwakste nummers tot gevolg. Tot overmaat van ramp kwam hij kort daarna jarenlang vast te zitten voor verboden wapenbezit en raakte hij ook nog verzeild in een merkwaardige ruzie met zijn vroegere compagnon Havoc.

Het zijn smetjes op deze verder rimpelloze loopbaan, die de hiphopwereld blijvend veranderde en die nog lang niet voorbij was. Sinds Prodigy in 2011 vrijkwam leek hij met hernieuwde energie muziek te maken. De afgelopen weken toerde hij rond met Mobb Deep – het duo was weer herenigd en bracht regelmatig nieuwe muziek uit. Twee dagen voor zijn overlijden, en slechts een paar uur voor hij naar het ziekenhuis moest voor complicaties van zijn sikkelcelanemie, stond Prodigy nog op een podium in Las Vegas. Nog één keer liet hij het publiek meebewegen met zijn rauwe straatverhalen, met zijn oeuvre dat is uitgegroeid tot een indrukwekkend monument voor vergeten jongeren uit de Amerikaanse achterbuurten.