Referendumvrees

Aldus sprak het volk

Het referendum, ooit het kroonjuweel van vooruitstrevende vernieuwers, lijkt gekaapt door populisten, waardoor het instrument in het verdomhoekje is beland. Maar de referendumvrees is onzinnig, al is democratie meer dan een gang naar de stembus.

Medium anp 41633840
Bern, Zwitserland, 28 februari. Er werden vier referenda gehouden, waaronder het controversiële voorstel van de SP om veroordeelde buitenlanders uit te wijzen. Het werd afgewezen. © Alessandro Della Valle/APEA/ANP

In augustus 2015 zet GeenPeil een filmpje online dat even kolderiek als smakeloos is. Jan Roos die Hans van Mierlo ‘interviewt’. De actie om handtekeningen te verzamelen voor het Oekraïne-referendum is net van start gegaan en de GeenStijl-verslaggever wil wel eens weten hoe de overleden d66-oprichter daar tegenaan kijkt. Zijn partij was toch altijd het boegbeeld van bestuurlijke vernieuwing? Waarom liggen ze nu dan dwars? Wat volgt is een kinderlijk stukje knip-en-plakwerk waarin archiefbeeld van Van Mierlo wordt afgewisseld met bijdehante ‘interrupties’ van Roos.

Roos, onderuitgezakt in een versleten fauteuil: ‘Waarom bent u die club ooit begonnen?’

Iconische zwart-witbeelden van een jonge Van Mierlo die langs de Amsterdamse grachten wandelt: ‘We waren ervan overtuigd dat we een doorslaggevend goed verhaal hadden om de democratie directer te maken.’

Roos: ‘Maar d66 onder Pechtold is helemaal niet voor directe democratie. Hij wijst een referendum over de EU af.’

Van Mierlo, nu in zijn latere jaren: ‘Iedere revolutionair krijgt al bij het gaan door het poortje van het Binnenhof een klont boter op zijn hoofd.’

Toen Kamerleden van pvda, d66 en GroenLinks in 2005 een wetsvoorstel schreven voor het raadgevend referendum leek het een prachtig idee. Vol goede moed probeerden ze een doorbraak te forceren in de referendumdiscussie die eens in de zoveel tijd de kop op steekt in Den Haag. Ons democratisch bestel moest worden verstevigd door burgers meer inspraak te geven. Met het correctieve referendum zouden kiezers de mogelijkheid krijgen om aan de noodrem te trekken wanneer het kabinet uit de bocht dreigt te vliegen. Hoe konden de vernieuwingsgezinde parlementariërs ook zien aankomen dat tien jaar later een man met een matrozenhoedje de straat op zou gaan om campagne te voeren voor een referendum over een associatieverdrag met Oekraïne?

‘Directe democratie is prima voor dingen die er niet toe doen, zoals het Eurovisie Songfestival’

Het referendum, ooit een paradepaardje van progressievelingen, lijkt te zijn gekaapt door populisten. Niet alleen in Nederland, maar in heel Europa. Dat is althans de belangrijkste bevinding van een rapport dat de European Council on Foreign Relations eind juni uitbracht. De onafhankelijke denktank had de standpunten van 45 ‘opstandige’ partijen onder de loep genomen. Deze uitdagers van de gevestigde orde komen van beide uiteinden van het politieke spectrum; van linkse nieuwkomers als Podemos in Spanje tot de rechts-radicalen van het Franse Front National. Sommige zijn fel antimigratie, andere propageren een onversneden communisme, maar er is één kenmerk dat deze anti-establishmentpartijen verenigt: ‘Allemaal willen ze de macht teruggeven aan het volk door middel van directe democratie.’

Sinds vorige week weten we dat Geert Wilders hierop geen uitzondering vormt. Waar zijn verkiezingsprogramma op één A4 paste, werd het derde puntje daarop – ‘directe democratie: invoeren van het bindend referendum, burgers krijgen macht’ – onderbouwd met een rapport van maar liefst 138 pagina’s. Voordat Thierry Baudet deze week bekendmaakte dat hij zelf de politiek in gaat met zijn Forum voor Democratie leverde hij samen met de Leidse rechtsfilosoof Paul Cliteur op bestelling van de pvv een blauwdruk aan voor een ‘Echte democratie’. Hun betoog loopt langs vertrouwde lijnen: de democratie verkeert in crisis, burgers voelen zich niet gehoord en het vertrouwen in de politiek is tanende. Dit alles is een ‘symptoom van een inherente tekortkoming van de vertegenwoordigende democratie zélf’. Na een uitvoerige les politieke geschiedenis komen de auteurs met een verrassend eenvoudige remedie: meer volksstemmingen. ‘Referenda zijn in onze visie vrijwel uniek in staat om de kloof tussen kiezers en beleidsmakers te dichten.’

En het blijft niet slechts bij verkiezingsprogramma’s of onderzoeksrapporten. Europa wordt momenteel overspoeld door een ware referendumgolf. De Britten hebben de EU nog niet verlaten of ‘het volgende dominosteentje’ dreigt al weer om te vallen, zo waarschuwde columnist Wolfgang Münchau onlangs in The Financial Times. Hij doelde op het aanstaande referendum in Italië. In december moeten de Italianen besluiten of ze instemmen met de voorgestelde grondwetsherzieningen. Zo niet, dan zal premier Matteo Renzi aftreden, liet hij weten. Daarmee neemt hij dezelfde gok die David Cameron uiteindelijk fataal werd. Door zijn lot aan het referendum te verbinden kunnen Renzi’s tegenstanders de constitutionele kwestie aangrijpen als een kans om de premier de laan uit te sturen. Volgens Münchau kon de Brexit wel eens ‘de lont in het kruitvat’ zijn.

Komende zondag mogen ook de Hongaren naar de stembus voor een binaire keuze, maar het zal Viktor Orbán niet gebeuren dat hij in dezelfde val trapt als Cameron (en Renzi?). De Hongaarse premier volgt keurig de populistische stelregel bij het uitschrijven van een volksraadpleging: doe het alleen wanneer je verzekerd bent van de gewenste uitkomst. Hij wil af van het vluchtelingenquotum dat door de EU wordt opgelegd en weet zich daarin gesteund door een meerderheid van de Hongaarse bevolking. Dat moet het referendum onderstrepen. Orbán reikt het electoraat een megafoon waarin het een boodschap tettert die tot in Brussel moet doorklinken: asielzoekers komen er niet in, het volk heeft gesproken.

Het is een trucje dat hij heeft kunnen afkijken bij zijn Griekse evenknie. Toen Alexis Tsipras vorig jaar op het hoogtepunt van de Griekse schuldencrisis met de rug tegen de muur stond in de onderhandelingen met de ‘trojka’ greep hij naar het enige democratische wapen voorhanden: een volksraadpleging. En al bleken de Europese onderhandelaars Schäuble en Dijsselbloem doof voor het nee van de Grieken, de actie van Tsipras toont hoe opportunistische leiders het referendum kunnen inzetten als politiek pressiemiddel. Het is alsof eurocritici een manier hebben gevonden om een spaak in het wiel van de Brusselse machinerie te steken. Nu nationale parlementen aan de leiband lopen, wordt een middel aangewend dat de onbemiddelde vox populi moet vertolken.

Ondertussen lijkt het ‘verlichte’ segment van de samenleving bevangen door een acute vorm van referendumvrees. Met volksstemmingen leveren we ons over aan de ‘tirannie van de meerderheid’, klinkt het. Het liberale Britse weekblad The Economist signaleerde een referendumania die zo snel mogelijk in de kiem gesmoord moet worden. ‘Directe democratie is prima voor dingen die er niet toe doen, zoals het Eurovisie Songfestival. Maar het is geen manier om een land te besturen, laat staan een continent.’ En ook in Nederland buitelden de commentatoren over elkaar heen om, na de presentatie van de plannen van Wilders cum suis, te waarschuwen voor deze vorm van directe democratie. ‘Een geinig plan, maar levensgevaarlijk’, zo classificeerde Marc Chavannes het in zijn ‘politiek dagboek’ op De Correspondent. ‘Een nachtmerrie voor wie wil dat democratie meer is dan het recht om nee te zeggen, het recht van de laatste passant met de grootste mond.’

‘Het mag niet zo zijn dat er een politieke elite is die ad hoc, wanneer het haar uitkomt, een referendum kan uitschrijven’

Zet het referendum automatisch de bijl aan de wortel van de democratie? Is het inderdaad onverenigbaar met de zorgvuldig uitgekiende checks and balances van ons parlementaire systeem? Uit een rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau, Meer democratie, minder politiek?, blijkt dat een merendeel van de Nederlanders behoefte heeft aan meer directe inspraak. Referenda ziet de burger niet zozeer als een alternatief voor de representatieve democratie, maar wél als een waardevolle aanvulling – een standpunt dat partijen als GroenLinks, d66 en de pvda nog niet zo lang geleden hardop durfden uit te dragen.

‘De kwaliteit van een directe democratie valt of staat met de spelregels’, zegt Arjen Nijeboer, een van de oprichters van de stichting Meer Democratie. Hij zit aan een ronde tafel op de zolderverdieping van een statig pand aan de Herengracht. Op de website wordt de huurprijs vermeld (‘150 euro per maand’) om hun donateurs gerust te stellen (‘dit was de goedkoopste optie’). Sinds de eeuwwisseling zet de organisatie zich in voor een ‘bloeiende democratie’ in Nederland – en referenda vormen daarvan een cruciaal bestanddeel. Natuurlijk weet Nijeboer dat er allerlei haken en ogen aan kleven. Alle voor- en tegenargumenten heeft hij zorgvuldig gewikt en gewogen, maar hij is er heilig van overtuigd dat referenda de democratie kunnen versterken. Mits ze op een intelligente manier worden toegepast.

Dat betekent géén top-down-referenda zoals in Italië, Hongarije en het Verenigd Koninkrijk. ‘Echte democratie komt altijd van onderop’, zegt hij. ‘Het mag niet zo zijn dat er een politieke elite is die ad hoc, wanneer het haar uitkomt, een referendum kan uitschrijven.’ Dan loop je het gevaar dat autoritaire leiders een volksstemming gebruiken om zichzelf met democratische veren te tooien, zoals Orbán nu doet. Terwijl referenda, zo benadrukt Nijeboer meermaals, een instrument zijn van de burgers, niet van de machthebbers.

Wat dat betreft kijkt Nijeboer vol bewondering naar Zwitserland. Daar zijn plebiscieten (volksraadplegingen uitgeschreven door politici) uit den boze. Burgers daarentegen kunnen met volksinitiatieven ieder onderwerp ter stemming voorleggen aan het electoraat. Voorstanders van referenda presenteren het centraal-Europese landje graag als het walhalla van de directe democratie. Ook Nijeboer somt op waarom het Zwitserse systeem superieur is: het land kent een stabiel politiek systeem, extremistische partijen krijgen er nauwelijks een voet aan de grond, de economie draait uitstekend, en het heeft sinds de invoering van het referendumstelsel in 1848 geen oorlog meer gevoerd.

Eigenlijk komt de ideaalschets van Nijeboer perfect overeen met de voorstellen van Wilders, waarin het Zwitserse model expliciet als voorbeeld wordt genomen. In plaats van de directe democratie te beperken tot correctieve referenda moeten burgers zelf onderwerpen kunnen agenderen en zouden de uitkomsten niet slechts raadgevend, maar bindend moeten zijn. Toch heeft Nijeboer gemengde gevoelens over de plannen van de pvv. Zijn voornaamste bezwaar betreft niet zozeer het adviserende rapport van Baudet en Cliteur, als wel de manier waarop Wilders het vervolgens in de pers brengt. ‘Hij roept dan dat er vier keer per jaar een referendum komt en dat we mogen stemmen over een “Nexit”. Dat is helemaal niet aan hem om te beslissen! Dat is juist de kracht van het Zwitserse systeem: de burgers beslissen hoe vaak er referenda gehouden worden en waar die over moeten gaan.’

‘Meer Democratie is politiek neutraal’, vervolgt hij, ‘dus wij wijzen een plan niet af omdat het toevallig van de pvv komt.’ Dat veel progressieve politici dat wél doen steekt hem. d66’ers en pvda’ers die vol overtuiging ijverden voor meer directe democratie, zijn nu in geen velden of wegen te bekennen om het referendum te verdedigen. ‘Traditioneel gezien is het referendum iets van linkse partijen, het zou wel zo sportief zijn als ze achter hun principes blijven staan. We gaan de verkiezingen toch ook niet afschaffen als Wilders de grootste wordt?’

‘Burgers kunnen dan zeggen: ho politiek, jullie zijn te ver afgedreven van wat de meerderheid wil’

Niesco Dubbelboer is een van die linkse politici die wel trouw is gebleven aan zijn overtuigingen. Als pvda-Kamerlid stond hij samen met Farah Karimi (GroenLinks) en Boris van der Ham (d66) aan de basis van het eerste landelijke referendum dat Nederland ooit hield – over de Europese grondwet, in 2005. ‘Kort na de Fortuyn-revolte was er binnen de pvda veel steun voor democratische vernieuwing’, vertelt Dubbelboer. ‘In de Tweede Kamer kreeg ik alle ruimte om me in te zetten voor referenda.’

Het werd hem niet door iedereen in dank afgenomen. Toen er in 2006 Kamerverkiezingen waren vond hij zichzelf terug op een onverkiesbare plek. ‘Het was niet de enige reden’, zegt Dubbelboer, ‘maar het hielp niet mee dat ik pleitte voor meer directe democratie. Door de kandidatencommissie werd ik toch een beetje als een radicaal gezien. Ik denk ook dat de partij geschrokken was van de uitslag van het Europese-grondwetreferendum; daarna waren ze beduidend minder ontvankelijk voor mijn ideeën.’ Zeker na het Oekraïne-referendum is het enthousiasme bij veel partijgenoten tot een dieptepunt gedaald. Het stoort Dubbelboer: ‘Omdat de uitslag mensen niet bevalt, wordt het middel plots verdacht. Wat nou als we vóór het associatieverdrag hadden gestemd? Ik durf te wedden dat we dan een stuk minder kritisch geweest zouden zijn op referenda – dan zou het verstand hebben gewonnen.’

De huiverigheid waarmee veel partijen nu over referenda spreken heeft volgens Dubbelboer alles te maken met een onderhuidse angst voor het volk. ‘Veel politici achten zichzelf redelijker of verstandiger dan de gemiddelde Nederlander. Dat bestrijd ik ten diepste. Het is jammer dat Wilders, iemand voor wie ik volstrekt geen sympathie koester, nu met dit onderwerp aan de haal gaat. Ik wantrouw zijn motieven: Wilders is geen intrinsieke democraat, maar een opportunist. Maar dat neemt niet weg dat het rapport dat hij presenteerde inhoudelijk goed is.’

Na een carrière binnen de pvda is Dubbelboer inmiddels samen met Nijeboer een van de drijvende krachten achter Meer Democratie. ‘Ik ben mijn hele leven al bezig om de politiek ontvankelijker te maken voor de signalen die er in de samenleving zijn. Als directeur van het partijbureau heb ik bijgedragen aan de interne democratisering van de pvda.’ Nu wil hij datzelfde doen voor de Nederlandse samenleving als geheel. En daarbij zijn politieke partijen soms juist een sta-in-de-weg. ‘Ik weet uit ervaring hoe belangrijk partijen zijn, maar op dit moment is hun invloed te dominant. Eén manier om die dominantie terug te dringen, is het invoeren van referenda. In Nederland hebben we heel weinig mogelijkheden om direct onze stem te laten gelden. Wij kiezen de controle van de macht, maar niet de macht zelf. Wij bepalen niet wie de minister-president wordt, of welke partijen er in de regering komen. Alleen op een heel indirecte wijze kunnen we invloed uitoefenen op beleid. Een correctief referendum is al een goede manier om ons democratisch bestel iets volmaakter te maken. Burgers krijgen dan de mogelijkheid om te zeggen: ho politiek, jullie zijn te ver afgedreven van wat de meerderheid wil. Je moet het zien als een correctiemechanisme. Het is een kleine stap, maar ik denk dat het de democratische dynamiek gezonder maakt.’

In het opiniekatern van de Volkskrant reageerde Frank Hendriks, hoogleraar bestuurskunde aan de Universiteit van Tilburg, op de referendumfobie die de kop op stak in de nasleep van de Brexit. ‘De denkfout zit in het categorische karakter van de waarschuwing. Referenda in alle gevallen afwijzen is even onzinnig als ze in alle gevallen omarmen. Het effect van referenda wordt namelijk op beslissende wijze bepaald door de context waarbinnen en de manier waarop ze worden toegepast.’ De geest is uit de fles, gelooft Hendriks: de roep om referenda zal voorlopig niet verstommen en het is onverstandig om daardoor in een kramp te schieten. We moeten juist nadenken op welke manier we referenda op een zinnige manier kunnen inpassen in onze parlementaire democratie.

Dat is precies waar Ruud Koole zich als hoogleraar politicologie aan de Universiteit van Leiden mee bezighoudt. De boekenkast in zijn werkkamer is gevuld met zware naslagwerken in stoffen kaften: vijftien delen van de Algemene geschiedenis van Nederland naast reeksen over de Nederlandse buitenlandpolitiek en de verkiezingen van de Tweede Kamer. In het politieke denken van Koole staat de parlementaire democratie centraal. Al betekent dat niet dat hij antireferenda is. ‘In een organisatie met grote getallen zul je altijd via afgevaardigden moeten werken’, zegt hij. ‘Alleen in kleine groepen kan iedereen direct deelnemen aan besluitvorming. In de regel geldt: hoe groter het collectief, hoe representatiever de democratie. Maar daarmee schep je wel een politieke fictie. We doen alsof een parlementaire meerderheid het volk vertegenwoordigt. Die fictie is noodzakelijk, maar ook problematisch. Het leidde al snel tot pleidooien voor referenda.’

‘Democratie is veeleer een proces van collectieve deliberatie op basis van volledige en gelijke deelname’

Om dat uit te leggen vertelt Koole het verhaal van Moisei Ostrogorski, een van de eerste politieke denkers die tot dat inzicht kwam. De Rus, die in het begin van de twintigste eeuw kortstondig lid was van de Doema, was een pionier in het onderzoek naar politieke partijen. Koole: ‘Ostrogorski was een klassieke liberaal en een voorstander van de representatieve democratie. Zijn ideaal was dat vertegenwoordigers van het volk samenkomen in het parlement, waar de rede regeert. In een vrije botsing van redelijke meningen zou dan uiteindelijk de waarheid boven komen drijven en konden er met een democratische meerderheid besluiten worden genomen. “Thorbeckiaans” zouden wij in Nederland zeggen.’

Na een opleiding aan de École Libre des Sciences Politiques in Parijs reisde Ostrogorski naar de Verenigde Staten en Groot-Brittannië om in 1902 een studie te publiceren waarin hij het politieke systeem van beide landen met elkaar vergelijkt. ‘Hij merkte dat er in Amerika en Engeland, eerder dan in andere landen, permanente politieke partijen ontstonden. Dat vond hij vreselijke dingen. Opeens kwamen er organisaties die via de fracties invloed konden uitoefenen op het parlement, waardoor in dat parlement niet langer de rede overheerste, maar de macht. Volksvertegenwoordigers probeerden elkaar niet meer te overtuigen met redelijke argumenten, maar kregen opdrachten mee van buitenaf.’ Daardoor groeide de afstand tussen het volk en zijn vertegenwoordiging.

‘Ostrogorski was een van de eersten die inzag dat representatieve democratie altijd leidt tot een vertekening van de wil van het volk. Hierdoor kan het voorkomen dat er voor een specifiek besluit wel een meerderheid bestaat in het parlement, maar niet onder de bevolking. In politicologisch jargon heet dat de Ostrogorski-paradox. Die is inherent aan het parlementaire systeem. De enige oplossing hiervoor, vond Ostrogorski – en let wel: dit was een rasechte liberaal – is het correctieve referendum. Maar dan moet je het wel beperken tot kwesties die sterk leven onder de bevolking. Hij zag dat al in 1902.’

Op een van de eerste pagina’s van het pvv-rapport voor ‘Echte democratie’ wordt Theodore Roosevelt geciteerd: ‘Ik geloof in referenda, niet om het representatieve stelsel te vernietigen, maar juist om dat te corrigeren wanneer het niet meer representatief is.’ Maar hoewel Koole de strekking van deze boodschap onderschrijft, ziet hij weinig in de oplossingen die Baudet en Cliteur aandragen. Het correctieve referendum heeft een toegevoegde waarde, maar met volksinitiatieven moet je voorzichtig zijn, vindt Koole. ‘Een representatieve democratie kan alleen goed functioneren als je in beginsel vertrouwen hebt in de volksvertegenwoordigers. Het referendum als “noodrem” in incidentele gevallen past daar bij. Als je het initiatief voor wetgeving direct bij het volk legt, dan stel je je niet langer aanvullend op. De wetgever initieert, de bevolking kan zo nodig corrigeren.’

Maar ook een correctief referendum is geen wondermiddel dat op magische wijze de verfoeide ‘kloof’ weet te dichten. Een klein half jaar nadat een meerderheid van de kiezers tegen het associatieverdrag met Oekraïne stemde, is nog steeds niet duidelijk hoe er gehoor wordt gegeven aan de uitslag. Oké, het is officieel een raadgevend referendum, maar zelfs al zou het bindend zijn, dan is het nog niet zo evident wat er precies moet gebeuren. Dat is ook waar premier Theresa May nu in het Verenigd Koninkrijk tegenaan loopt. Verder dan het gratuite ‘leave means leave’ komt ze niet. ‘Het rare aan het EU-referendum dat zoveel kopzorgen bracht en zo definitief had moeten zijn, is dat het niets beslecht heeft’, schreef James Meek in The London Review of Books. De stem van het volk is zelden zo eenduidig als de ja/nee-dichotomie doet voorkomen. En wanneer wezenlijke politieke besluiten genomen moeten worden – hoe wordt een ‘Brexit’ vormgegeven? Wat betekent de afwijzing van het associatieverdrag? – staat de burger wederom aan de zijlijn.

Hoofdstukken lang schrijft antropoloog David Graeber in The Democracy Project over de directe democratie. Maar het woord ‘referendum’ valt niet één keer. The Democracy Project is in de eerste plaats een geschiedenis van Occupy, de mondiale protestbeweging van de ‘99 procent’. Graeber, die zichzelf omschrijft als een ‘anarchist met een kleine a’, maakte deel uit van de eerste groep activisten die in 2011 hun tentenkamp opzetten in het Zuccotti Park nabij Wall Street. De grootste verdienste van Occupy is volgens Graeber dat ze het democratische ideaal nieuw leven inblies. De protesten lieten zien dat democratie ‘veel verder en dieper gaat dan het deelnemen aan verkiezingen’, schrijft hij. Het gaat over ‘vrije mensen die samen kunnen komen en als redelijke volwassenen hun eigen zaken regelen’.

Graeber doorprikt de mythe dat democratie van oudsher verbonden is met de stembusgang. ‘Er is een reden dat politicologen lokale verenigingen en bijeenkomsten vaak negeren als ze het hebben over de geschiedenis van de democratie: het gebeurde namelijk zelden dat daar besluiten werden genomen door te stemmen.’ Ook tijdens de pleinvergaderingen van Occupy werd stemmen zo veel mogelijk vermeden, omdat het per definitie verdeeldheid zaait. ‘Democratie wordt niet noodzakelijk gedefinieerd door meerderheidsbesluitvorming; het is veeleer een proces van collectieve deliberatie op basis van volledige en gelijke deelname.’

Waar Occupy de verbeeldingskracht prikkelde en onze democratische horizon verbreedde, lijken we in de referendumdiscussie weer terug bij af. Ook voorstanders lijden aan een blikvernauwing door ‘meer democratie’ gelijk te stellen aan een keuze in het stemhok. Inspraak blijft zo beperkt tot het inkleuren van een bolletje. Mede daardoor zijn referenda zo’n aantrekkelijk instrument voor opportunistische volksmenners. Alleen door de democratie te reduceren tot meerderheidsbesluitvorming kan Geert Wilders, een man wiens eigen partij geen leden kent, zich opwerpen als redder ervan. Populisten eisen enkel referenda om hun eigen standpunten kracht bij te zetten, schreef de Duitse politicoloog Jan-Werner Müller een paar jaar geleden al, ‘niet omdat ze wensen dat mensen continu deelnemen aan de politiek of dat ze willen dat de gewone burger inspraak heeft op het bestuur’.

Niesco Dubbelboer is vastberaden om zijn kroonjuwelen niet door populisten uit zijn handen te laten grissen. Het referendum kan een prima instrument zijn om de democratie te verrijken, daarvan blijft hij overtuigd, maar hij weet ook dat het slechts een deel van het verhaal is. Vandaar ook de naamswijziging van de stichting in 2014: ‘Referendum Platform’ werd ‘Meer Democratie’. Dubbelboer: ‘Wij zijn nu ook bezig met projecten rondom buurtgemeenschappen, zodat bewoners zelf kunnen bepalen wat er in hun directe leefomgeving gebeurt. Daardoor ontstaan er allerlei hybride vormen van democratie, waarin meer plaats is voor burgerparticipatie. Er zijn talloze lokale initiatieven waarin mensen samenkomen om bijvoorbeeld energie op te wekken of zorg te organiseren. Daar willen wij ruimte voor creëren.’

‘Free people governing their own affairs’, zou David Graeber zeggen; democratie zonder dat er een stembiljet aan te pas komt.