In memoriam

Alec Guinness (1914-2000)

Zijn allereerste rol — die van de boodschapper in Shakespeares Macbeth — speelde hij als schooljongen. Terwijl op het toneel de koppen rolden, rende de aankomende acteur tweemaal rond het nabijgelegen voetbalveld, schoot een zijdeur in en stond precies op het juiste moment («enter a Messenger») voor zijn niet-scrupuleuze vorst. «Gracious (hijg) my lord, I (hijg) should report that (hijg) which I (hijg)…» Young Alec kreeg voor zijn meer dan authentieke vertolking het eerste applaus van zijn langdurige kunstenaarscarrière.

Zijn eerste open doekje kreeg Alec Guinness toen hij van Hamlets slijmballerige hoveling Osric («I thank your lordship, it’s very hot/ it is indifferent cold, my lord, indeed») een van die gepointilleerde miniaturen maakte die reeds spoedig zijn specialiteit zouden zijn.

Elke Britse acteur schittert in Shake speare, althans tracht in Shakespeare te schitteren. Laurence Oliver speelde Hamlet. Michael Redgrave excelleerde in Macbeth. Ook Alec Guinness had deze rollen op het repertoire, die door de critici vaak slecht tot zeer slecht zijn ontvangen. Anno 2000 valt moeilijk te beoordelen of deze kritiek gerechtvaardigd was. Er is van Guinness’ Shakespeare-rollen buitengewoon weinig op de plaat, film of video gedocumenteerd. Zelf ken ik alleen de catastrofale Macbeth uit 1966, met Simone Signoret in de rol van de ambitieuze echtgenote — en inderdaad, het is te breed, te pathetisch en te zalvend.

De toneelcriticus van De Telegraaf maakte in 1958 een interessante opmerking over Guinness als Shakespeare-acteur. De grote Shakespeare-rollen lagen hem eigenlijk niet zo goed, ondanks al die jaren dat hij bij de Old Vic onder contract had gestaan. «Som mige recensenten meenden — en terecht — dat hij daarvoor te veel in zichzelf gekeerd was.»

Dat kan heel goed waar zijn geweest. «In feite ben ik een acteur van bijrollen die het geluk heeft gehad een leven lang de hoofdrol te mogen spelen», zei Alec Guinness. Liever dan King Lear was hij de nar van King Lear. Liever dan Hamlet speelde hij Hamlets bediende Osric en nóg veel liever speelde hij de Geest («The serpent that did sting thy father’s life, now wears his crown») van Hamlets vader.

De verslaggever van Henk van der Mey dens Showpagina vroeg hem eens:

«Sir Alec, wat is uw geheim?»

Het is, antwoordde Alec Guinness, de reeks vermaningen die Hamlet (derde bedrijf, tweede akte) aan de door hem ingehuurde toneelspelers gaf:

«Ik bid u, spreek dit gedeelte vlot van tong. Als gij het uitbulkt als zovelen van uw gilde doen, had ik net zo lief dat de stadsomroeper mijn verzen declameerde. En zwaai ook niet te veel met uw armen door de lucht, zo, maar doe alles met matigheid. Zelfs in de stortvloed van storm en wervelwind moet u gematigd zijn. Wees ook niet te mat, maar laat uw eigen oordeel uw leidsman zijn, regel uw gebaar naar het woord en uw woord naar het gebaar. En let andermaal op dat u de gematigdheid niet schendt, want alle overdrijving is een aanslag op de dramatische kunst.»

Deze regieaanwijzingen hebben, zoals Alec Guinness heeft bewezen, drieëneenhalve eeuw later nog niets aan actualiteit en effectiviteit ingeboet.

Zijn roem dankte hij uiteindelijk niet aan het toneel, maar aan de film, via rollen waarover hij vrijwel zonder uitzondering ontevreden was. Zijn anticommunistische kardinaal in The Prisoner was hem te kil. The Ten Last Days, waarin hij Adolf Hitler weer tot leven wekte, heeft hij nooit willen zien. «Die is vermoord op de snijtafel.» Zelfs zijn halfgare, nochtans met een Oscar bekroonde kolonel Nickelson (in The Bridge on the River Kwai) bezag hij met een afkeurend hoofdschudden. «Ik heb nooit in die man kunnen geloven.»

Het moest allemaal perfect. Guinness’ neiging volkomen met zijn rol te vergroeien was zo groot dat hij beter geen schurk kon spelen, want dan was hij wekenlang ongenietbaar voor zijn familie en voor zijn weinige vrienden.

Het script van The Comedians (naar de gelijknamige roman van Graham Greene) schreef voor dat Guinness’ cinematografische alter ego door een Haïtiaanse politieman tegen een betonnen muur moest worden gekwakt. Guinness’ tegenspelers, Elizabeth Taylor en Richard Burton, zagen met grote ogen toe hoe de breekbaar gebouwde acteur de scène vier, vijf, nee, zes keer liet overdoen.

«Het spijt me», sprak de gewetensvolle Alec Guinness, «het is nóg niet goed, dus we doen het nóg maar een keer.»

Hij was de schuwste en zwijgzaamste aller acteurs — behalve natuurlijk als het ging om de gemeenschappelijke vijand: de criticus. Die deugden geen van allen, zonder uitzondering. «Mijn favoriete voorbeeld is de wijze waarop mijn Richard II is ontvangen», sprak Guinness genotzuchtig. «Een hoogst respectabele criticus meende dat het zo jammer was dat er geen muziek in mijn verzen doorklonk. Een andere recensent constateerde op zijn beurt dat hij, onder mijn gehoor gezeten, de indruk had gekregen naar een muziekstuk van Bach te luisteren.»

Men ziet, voor een schuw en zwijgzaam man kon sir Alec af en toe heel geestig uit de hoek komen.