Ger Groot

Alexander en Irak

Wat is het succes waarvan Willem Jan Ottens toneelstuk Alexander (Het Toneel Speelt) blijkens de ondertitel de tragedie schetst? Of liever: wiens succes is het? Van Alexander zelf? Zo lijkt het wel. Aan het einde van het stuk zit hij als een oosterse despoot op zijn troon en verordonneert de dood van zelfs de laatste vriend die hem nog tegen durft te spreken.

Het was begonnen met een vrouw_._ Na een gewonnen veldslag eist Parmenion, de oudste generaal, een van de buitgemaakte bijvrouwen van de gevluchte tegenstander op. Niet om haar charmes te genieten, maar om haar ter dood te brengen, zo is de oorlogswet.

Alexander weigert en dat maakt hem bij zijn kameraden niet geliefder, en nog minder wanneer hij later door diezelfde Barsina zal worden ingewijd in de liefde. Tegenover de barse logica van oorlog en terreurbestrijding toont hij zich hoffelijk. In cultuurrelativistisch humanisme respecteert hij zelfs het sluiergebod van de buitgemaakte vrouwen: naast Dareios’ minnares ook nog een officiële echtgenote en de moeder-koningin.

Zo is de rolverdeling duidelijk. Houwdegen tegenover ‘snotneus’ (zoals hij hem noemt) die béter meent te weten hoe de beschavingsmissie van de Macedoniërs moet worden gevoerd. Vol vuur en redelijkheid is hij, wanneer hij zijn strijd rechtvaardigt tegenover de dichter die ervan verslag moet doen: ‘Je vraagt: is deze oorlog legitiem –/ en erger nog, je twijfelt of je mee/ mag doen’. En wijst dan op de Griekse krijgsgevangene wiens tong op Dareios’ bevel is uitgerukt: ‘Kijk naar de ene schim waar het om gaat,/ …/ …Om hém/ zijn wij zo ver van huis. Zijn lot moet worden/ recht gezet.’

Later komt daar een tweede reden bij, zoals dat gaat in oorlogen, maar deze is niet minder nobel. ‘De tijden zijn veranderd. Onze oorlog heeft/ als een rivier zijn loop verlegd. Wij willen niet/ de executie van één enkel mens./ …/ …Wij brengen vrijheid,/ vrije mensen, nieuwe mensen die geen slaven/ kúnnen zijn, mensengoden brengen wij.’ En daar begint de taal al zelf te wringen. ‘Mensengoden’: dat is te véél aan contradictie én ambitie. En toch raakt Alexander daaraan en verleidt het hem. ‘Een man die tegen alle oorlogswetten in/ de vrouwen van zijn goddelijke vijand/ spaart die moet hem zijn. De zoon van god’, zegt de koningin-moeder tegen hem.

Om hem te paaien, ongetwijfeld, maar Alexander gelooft, zoals hij droomt dat ook het leger in zijn droom geloven blijft. Hij is verblind; dat zegt hem Parmenion: ‘Het leger, Alexander, wil nu rust.’ Hij wordt erom door de laatste voor ‘heimweegeneraal’ uitgescholden en als een Colin Powell avant la lettre, geveld door de leugens die hij gedwongen werd te spreken en misschien wel te geloven, met pensioen gestuurd. Houwdegen van de oude stempel, hard want hij kent de oorlogswerkelijkheid, maar recht door zee. Hij liegt niet, houdt zichzelf geen illusies voor – ook niet wanneer het een vrouw betreft die moet worden gestenigd.

En zo draait alles een slag om zijn as. De wrede logica van het antieke bestel blijkt óók verstandig en humaan. En de moderne vrijheidsretoriek van Alexander heeft zijn eigen achterbaksheid: in erotiek en in karakter. Hij, zo klein van stuk, wil groot zijn, wil Dareios zijn, maar Alexander blijven. Een groot en pralend vorst, maar met de retoriek van vrijheid in de mond, al heeft hij die zelfs bij zijn minnares al lang verloochend. Méér dan alleen maar geografisch is hij de Perzische wereld ingezogen, waarvan de wetten – ooit barbaars geacht – zo handig uitkomen voor de vestiging van zijn bewind.

Wie wint? Dareios wint, misschien, al is het dan postuum. Want het succes van het vrijheidslievende ‘jonge volk’ doet aan de oude macht de ene na de andere concessie. Vergeefs houdt het zichzelf voor dat al die hoofse vormen en barbaarse wetten nodig zijn: ‘de Perzen/ … die worden/ zonder zulke rituelen achterbaks’. In werkelijkheid is het de vooruitgang zelf die capituleert. De werkelijkheid is haar te groot, te hard en op hetzelfde ogenblik ook te verleidelijk. Want ze is niet redelijk, zoals het revolutionaire modernisme wil. Ze is inert en onverbiddelijk. De logica ketst op haar af en zoekt als ongeleid projectiel dan maar haar eigen catastrofale weg.

Zo worden democraten potentaten en vlamt een te jong enthousiasme dat te veel gelooft. Wanneer het even snel is gedoofd, rest de chaos van een moderniteit waarin de despotie haar kansen schoon ziet. Warlords storten zich erop en alles kan opnieuw beginnen: dat is de tragedie van het redelijk succes. ‘De Slag bij Issos naakt’, zegt de kroniekschrijver in het begin van Alexander tegen de tongloze Griek: ‘Schrijf op. De Slag bij Issos naakt.’