Alexander reeders: ‘het bedrijfsleven is niet zo exotisch als men denkt’

Gesprek met de schrijver van De kreukelzone. Uitgeverij De Harmonie, 141 blz., \f24,90
ALEXANDER REEDERS (31) debuteerde onlangs met de verhalenbundel De kreukelzone: vijf korte verhalen en vier schetsen in dialoogvorm. Reeders laat zijn personages rondlopen in de wereld van de aandelenmarkt en de management consultancy - een voor de Nederlandse letteren ongebruikelijke keuze.

‘Ik had laatst een op zich leuk interview met de VPRO, in hun programma Boeken. Het leek meer op een gesprek met iemand die een bijzonder beroep heeft, een avontuurlijk leven leidt. De interviewer wilde vooral weten hoe mensen in het bedrijfsleven met elkaar omgaan: hoe vindt nu die communicatie plaats, bijvoorbeeld in een bank, tussen de directeur en de klant? Het klonk net alsof het bedrijfsleven een exotisch verschijnsel is. Terwijl het in mijn perceptie natuurlijk net andersom is en de literaire wereld een exotisch gezelschap vormt. Ik ben blij dat ik in beide werelden sta, dat is verrijkend.
Na de middelbare school in Bussum heb ik de driejarige opleiding bedrijfskunde aan Nijenrode gedaan. Daarna ben ik dienst geweest en ben ik teruggegaan naar Nijenrode voor een vervolgstudie voor het MBA-bedrijfskunde. Ik heb bij een bank gewerkt en daarna zes jaar bij Ahold in Zaandam op de afdeling treasury, waar de financiering wordt geregeld, en de afdeling controlling, waar de financiele rapportages worden gemaakt. Vorig jaar ben ik bij Ahold weggegaan om drieeneenhalve maand op reis te gaan door Zuid-Amerika met mijn vriendin. Daarna heb ik een nieuwe baan gezocht. Sinds een paar maanden werk ik bij NOG-verzekeringen in Amsterdam, als hoofd Pensioenen en Hypotheken.
Ik schrijf al sinds 1988. Ik ben ermee begonnen toen ik tijdens een vakantie een boek las dat mij prikkelde om het zelf te proberen. Dat boek was Zen and the Art of Motorcycle Maintenance. Het eerste verhaal dat ik schreef was “September”, dat ook in De kreukelzone staat. Daar ben ik wel meer dan drie jaar mee bezig geweest. Dat had ten dele ook met tijdgebrek te maken, want in die tijd heb ik ook nog de postdoctorale opleiding tot controller gevolgd. Het schrijven gaat me nu beter af. Ik merk dat ik meer techniek heb ontwikkeld. In “September” heb ik hele passages kunnen wegstrepen omdat ze overbodig waren. In de verhalen die ik daarna heb geschreven, hoefde dat niet meer. Toen ik de helft van de verhalen die nu in de bundel staan af had, heb ik alles wat ik geschreven had opgestuurd naar De Harmonie. Die wilden mij graag uitgeven.
Ik heb geen tijd om onmiddellijk met een nieuw verhaal te beginnen, want ik moet nu eerst zes maanden een cursus levensverzekeringen volgen. Dat geeft me de tijd om na te denken over de structuur van een nieuw verhaal dat ik wil schrijven. Ik denk na over een verhaal dat moet gaan over normen en waarden; over de confrontaties tussen het oude socialisme, het conservatisme, New Age - verschillende concepten. Maar ik weet nog niet in welke vorm ik het zal gieten. Daar kan ik de komende maanden over nadenken.’
'DE MEESTE VERHALEN spelen in Amsterdam, het eerste voor een deel in cafe Luxembourg. Zouden mijn vrienden daarom kwaad op mij moeten zijn? Niemand heeft tot nog toe tegen mij gezegd dat hij zich herkende. Het zijn geen verhalen over herkenbare personen. Hoogstens zit er in elk personage iets van mijzelf. Ik wilde in elk verhaal een andere stijl gebruiken. Het eerste verhaal “Nu en hier” over een aandelenhandelaar is een variant op de Amerikaanse Bratpack-generatie: Brett Easton Ellis en Jay McInerney. Volgens mij is het wel gelukt die sfeer te scheppen. Maar zonder het geweld van American Psycho en zonder drugs, want zo zit het milieu dat ik wilde beschrijven niet in elkaar. Er zal vast wel iemand rondlopen die coke gebruikt, maar het is niet gangbaar.
Ik geloof niet dat ik al in de Generatie Nix geplaatst ben. Ik heb ook nog nooit iets van hen gelezen. Wat ik ervan weet, komt uit een artikeltje in NRC Handelsblad, waar ik het niet allemaal mee eens was. Maar Ronald Giphart heeft een positieve recensie geschreven. En ze hebben een blad, Zoetermeer. Giphart belde me of ik daar eens voor wil schrijven. Het leuke van wat er nu gebeurt is dat ik allerlei mensen spreek die ik anders nooit zou spreken. Dat verbreedt gewoon enorm.
De literaire wereld is wel naar binnen gericht. In de NRC-recensie werd de vraag centraal gesteld of mijn boek literatuur was. Alsof dat belangrijk is! Dat wordt beschouwd als een belangrijke vraag. Wat maakt mij dat nu uit? Ik heb van tientallen mensen gehoord dat ze het een hartstikke leuk boek vonden, dat ze het met plezier hebben gelezen en het cadeau hebben gegeven aan iemand anders. Prima, denk ik dan. Ik vind het belangrijker dat ze erover nadenken en tegen mij zeggen dat ze over het verhaal “De tunnel”, dat gaat over die vent die veel te hard werkt en zichzelf bijna te pletter rijdt, hebben nagedacht. Of over “Karel Kans”, mijn verhaal over die fake-toestanden in het bedrijfsleven. Dat is belangrijk! Daar gaat het me om. Er zijn nu zo'n duizend boeken verkocht. Ik heb zo'n duizend lezers, en ik heb nog niemand gesproken die ’t het geld niet waard vond of het niet prettig vond om te lezen. Dat zie ik los van de vraag of het wel of niet literatuur is en of het bij stroming Nix hoort.
Ik wil niet zeggen dat ik mij niet interesseer voor literatuur. Ik heb natuurlijk op school ook literatuuronderwijs gehad. Mensen denken soms dat in het bedrijfsleven niemand ooit een boek leest. Wij zijn veel minder zwart-wit dan men denkt. In twee verhalen komen vrouwen voor die zonder meer dom zijn, maar in “De tunnel” is de vrouw, Sasha, toch niet dom? In het verhaal “Karel Kans en de gouden opportunity” komt geen vrouw voor en in “De reiziger en het meisje” was het niet mijn bedoeling het meisje dom te laten lijken. Maar de indruk dat ik alleen vrouwen beschrijf die dom dan wel lelijk zijn, wordt versterkt door de dialogen van mannen onder elkaar die tussen de verhalen staan. Zo'n dialoog schrijf ik in een keer op. Daar hoef ik niets meer aan te veranderen. Ik heb een goed oor voor taalgebruik. Dat heb ik van mijn moeder, die is daar ook gevoelig voor.
Er zullen allicht mensen zijn die menen dat de denkbeelden van die Alexander Reeders over vrouwen niet deugen. Maar die moeten het boek beter lezen. Het is een boek over mannen, niet over vrouwen. Met uitzondering van het laatste verhaal komen vrouwen ook niet aan het woord. Wel komen er in het boek behoorlijke verwrongen denkbeelden van mannen over vrouwen voor, ik laat dat zien. Ik laat al die zelfverzekerde mannen aan het woord, in de dialogen. Die mannen hebben een visie op vrouwen, maar aan het eind recapituleert een vrouw het boek en zet ze die mannen allemaal op hun plaats. In die groep die ik beschrijf, mannen tussen de 25 en 30 jaar in de stad, komen die denkbeelden meer voor dan je denkt. Hoe dat komt? Onvolwassenheid. En een winnersgevoel. Alles lukt. De mannen die ik beschrijf, zijn ervan overtuigd dat ze alles in de gaten hebben, alles begrijpen. De mannen zijn aan het onderzoeken hoever ze kunnen gaan in het beheersen van de wereld om hen heen. Neem het verhaal “De reiziger en het meisje”. Het lukt die jongen niet het meisje te beheersen en daar gaat hij aan kapot.
IK WIL DAT de lezers twee dingen doen met dit boek. Ik wil dat zij het prettig vinden om te lezen en dat zij erover nadenken. Alleen het vierde verhaal heeft een andere boodschap, over de drang van mannen om vrouwen te beheersen. “Karel Kans” gaat over hoe in bedrijven lucht wordt verkocht. ’t Loopt de spuigaten uit. Je kan niet-bestaande produkten met succes op de markt brengen. Ik stel me niet voor dat allerlei mensen na zo'n verhaal tegen zichzelf zeggen dat zij hun leven zullen beteren. Het is bedoeld om mensen een duwtje te geven. “Karel Kans” is wel satire, en in satire zit overdrijving, maar ik denk dat satire juist aan kracht wint door bijna realistisch te zijn. Het is een Hildebrand-verhaal. Ik heb de Camera obscura gelezen op mijn zeventiende, toen ik nog op school zat. Dat is mij altijd bijgebleven.
Je kunt je afvragen waarom de huidige schrijvers niet over het bedrijfsleven schrijven. Het kan wel. Tom Wolfe werkte drie maanden in een dealing room voor hij The Bonfires of the Vanities schreef, over een bond trader. Hij was volgens mij toen journalist. Margriet de Moor beschrijft in Eerst wit dan grijs dan blauw iemand die directeur is van een fabriek. Dat boek klopt. Zij heeft zich goed laten inlichten over wat een directeur doet.
De andere vraag is waarom er uit het huidige bedrijfsleven geen schrijvers voortkomen. Ik denk dat er meer rondlopen die het zouden kunnen. Ik denk niet dat het schrijven een unieke competentie is. Zo moeilijk is het niet. Voor mij nu voorlopig geen verhalen meer over de wereld op kantoor. De rol van werk in je leven heb ik nu uitgebreid behandeld. Daar ben ik nu klaar mee. Over tien, vijftien jaar misschien weer.’