Alfa en bèta, wetenschapsgeschiedenis

Alfa en bèta

wie onze cultuur wil begrijpen, moet zich verdiepen in de wetenschapsgeschiedenis

Susan Greenfield

Het wetenschapsboek

Lannoo/Spectrum, 528 blz., € 34,95

In 1959 hield de Engelse schrijver en fysicus C.P. Snow zijn roemruchte rede The Two Cultures and the Scientific Revolution, waarin hij de immense kloof tussen de alfa- en bètacultuur signaleerde en aan de kaak stelde. On danks het feit dat het huidige curriculum van het voortgezet onderwijs de vakken «algemene natuurwetenschappen» en «culturele en kunstzinnige vorming» kent, zal die kloof wel nooit helemaal ge dicht worden, al was het maar omdat ze asymmetrisch is. De ene kant van de kloof ligt namelijk aanzienlijk hoger dan de andere. De gemiddelde bèta is heel goed in staat een roman te lezen, terwijl nagenoeg iedere alfa struikelt over zaken als antimaterie, quantum elektrodynamica, de snaartheorie, buck minsterfullerenen en het bewijs van de laatste stelling van Fermat.

Om deze laatste, beklagenswaardige groep enigszins het idee te geven dat ze ergens, heel in de verte, een notie hebben wat pedante wijsneuzen à la Ronald Plasterk nu ongeveer uitvoeren, is dit fraai geïllustreerde Wetenschapsboek uitgegeven. Beginnend bij de uitvinding van het rekenen (rond 35.000 voor Christus) wordt per jaartal een belangrijke ontdekking of uitvinding behandeld. Naast keiharde bèta vakken als wis-, natuur-, schei- en sterrenkunde komen in beperkte mate ook andere disciplines aan bod. Zo passeren de chimpansees van Jane Goodall de revue, is er aandacht voor de taaltheorie van Chomsky en is de psycho logie vertegenwoordigd met het be ruchte Milgram-experiment. Het overzicht eindigt in 2000, met de vaststelling van de volgorde van het menselijk ge noom.

John North

God’s Clockmaker: Richard of Wallingford and the Invention of Time

Hambledon and London, 441 blz., € 42,-

De kloof tussen alfa’s en bèta’s ontstond vooral in de negentiende eeuw, toen de wetenschappelijke disciplines zich zo specialiseerden dat het ondoenlijk werd om op sterk uiteenlopende terreinen op redelijk niveau te blijven meedoen. In onze ogen was Richard van Wallingford een geheide alfa. Hij was priester, theoloog en abt van de grote abdij van St. Albans. Geloof en wetenschap gingen toen echter nog hand in hand en Wallingford had grote belangstelling voor wiskunde. Na de val van het Romeinse Rijk was deze kennis in het Westen zo goed als verdwenen, maar rond 1300 sijpelden de inzichten van de oude Grieken via de islamitische wereld weer Europa binnen. Wallingford was vooral geïnteresseerd in de praktische toepassing van deze kennis en bouwde voor de kathedraal van St. Albans een enorme mechanische klok. Het woord klok doet eigenlijk geen recht aan dit wonder van vernuft, waarop ook de standen van de zon, maan en sterren te zien waren, naast de getijden bij de London Bridge, een bewegende voorstelling van het menselijk rad van fortuin en tal van andere lijnen en figuren die de ge middelde tijdgenoot boven de pet zullen zijn gegaan.

Dat we zo veel weten over deze klok, die helaas verloren is gegaan, komt door de uitgebreide handleiding die Wallingford schreef voor de monniken die het mechaniek moesten onderhouden. Op basis van deze papieren heeft North het leven van Wallingford kunnen reconstrueren en schetst hij tevens een prachtig en aangrijpend beeld van het leven van een middeleeuwse abt die niet alleen een groot wetenschapper maar tevens een belangrijk kerkelijk bestuurder was en die op zeker moment melaats werd.

Alfred W. Crosby

The Measure of Reality: Quantification and Western Society 1250-1600

Cambridge University Press, 245 blz.,

€ 26,90

Richard van Wallingford leefde van 1292 tot 1336. Volgens de Amerikaanse historicus Alfred Crosby is dat exact het tijdvak waarin zich een wetenschap pe lijke, technologische en artistieke revolutie voltrok die alleen te ver gelijken is met de tijd rond 1900, toen radio, radioactiviteit, relativiteit, Picasso en Schönberg het aangezicht van de wereld veranderden.

In de decennia rond 1300 werden in het Westen de mechanische klok en het kanon uitgevonden, werden de eerste zeekaarten getekend, begon Giotto geometrie toe te passen in fresco’s, probeerde Roger Bacon de hoek van de regenboog te meten, vond er een revolutie in de muziek plaats en werd de dubbele boekhouding ontwikkeld.

Het zijn zaken die op het eerste gezicht weinig met elkaar te maken hebben, maar allemaal zijn ze op hun manier uitdrukking van het verlangen ruimte en/of tijd te kwantificeren, om ze zo te kunnen beheersen. Ook de Grieken, Romeinen, Maya’s en Chinezen hadden al geteld, gerekend en wiskunde bedreven, maar bij hen begonnen na verloop van tijd theorie en praktijk uit elkaar te drijven, waardoor deze culturen weer terugvielen tot een lager niveau.

Europa maakte rond 1300 een eco nomische en culturele bloei periode door, maar de pest, hongers noden en ontelbare oorlogen maakten van de veertiende eeuw een rampzalige periode. Het bevolkingscijfer daalde dramatisch, maar de wetenschappelij ke en culturele ontwikkeling stagneerde niet en hierdoor zou het Westen een andere weg inslaan dan andere cul turen. Kwan ti ficering speelde daarbij een enorme rol en zou ook de wetenschappelijke revoluties van de zeventiende en twintigste eeuw mogelijk maken.

William R. Newman

Promethean Ambitions: Alchemy and the Quest to Perfect Nature

University of Chicago Press, 333 blz., € 34,90

Wie het debat over hoogst moderne zaken als gentechnologie en kunstmatige intelligentie volgt, realiseert zich vermoedelijk niet dat dit in feite de voortzetting is van een discussie die ook in de Middeleeuwen en Renaissance de ge moederen hoog deed oplopen. Dat debat gaat over de vervagende grenzen tussen «natuur» en «kunstmatigheid». Bevinden tegenwoordig DNA-onderzoekers zich in de frontlijn van deze strijd, tussen 1200 en 1700 waren dat de alchemisten, die dachten dat zij de natuur konden beïnvloeden en zelfs verbeteren. Ook toen riep dit «geknoei met de schepping» heftige reacties op, en niet alleen van de zijde van de kerk. Leonardo da Vinci bijvoorbeeld veroordeelde hen als ongodsdienstige oplichters.

Vaak worden alchemisten gezien als dwaallichten die met hun pruttelende kookpotjes en borrelende kolven wellicht in de verte leken op voorlopers van de moderne scheikundigen. Volgens Crosby klopt dat niet en dient de alchemie gezien te worden als een kunst die was gebaseerd op coherente filosofische en empirische principes. Onder de aanhangers ervan treft men scherpzinnige denkers en serieuze geleerden aan. De grondlegger van de scheikunde, Robert Boyle, kan geen alchemist worden genoemd, maar in zijn afkeer van wetenschap die niet op het experiment maar op speculatie was gebaseerd, bediende hij zich dikwijls van argumenten uit de debatten van de oude alchemisten.

Frederick Burkhardt (red.)

Charles Darwins brieven: Een selectie, 1825-1859

Nieuwezijds, 289 blz., € 29,95

In de discussie over «natuur» versus «kunstmatigheid» wordt voorstanders van ingrijpen in de natuur dikwijls «hovaardij» verweten. De middeleeuwse alchemisten en de huidige celbiologen zouden het idee hebben dat de mens «beter dan God» is. Charles Darwin werd van het tegenovergestelde beticht. In plaats van de mens op een voetstuk te plaatsen, te zien als kroon op de schepping, zou hij hem door het slijk hebben gehaald en gereduceerd tot een dier dat hooguit wat slimmer en handiger is dan andere soorten.

Hoewel anno 2005 zelfs de Nederlandse minister van Onderwijs en Wetenschappen zich nog verzet tegen de evolutietheorie is de invloed van Darwins werk op ons denken uiteraard enorm geweest. Deze selectie uit zijn correspondentie, die is voorzien van een voorwoord van Stephen Jay Gould, biedt een boeiend kijkje in de keuken van deze wetenschapper. Het is fascinerend om te zien hoe Darwin, die zijn onderzoek begint met de veronderstelling dat soorten onveranderlijk zijn, al werkend tot de conclusie komt dat de verzamelde gegevens in een andere richting wijzen. De bereidheid om een theorie te verwerpen wanneer de feiten er niet mee in overeenstemming zijn te brengen, is het kenmerk van de ware wetenschapper. Gemakkelijk is dat natuurlijk niet altijd, en Darwin verzuchtte dan ook: «Het lijkt op het bekennen van een moord.»

Frans Saris en Rob Visser (red.)

Trots en twijfel: Kopstukken uit de Nederlandse natuurwetenschap van de twintigste eeuw

Meulenhoff, 518 blz., € 29,90

Gezien het feit dat in Nederland een obscurantiste als Maria van der Hoeven minister van Onderwijs en Wetenschappen kan worden, lijkt het een mirakel dat ons land vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw een indrukwekkende reeks wetenschappers heeft voort gebracht. Met namen als Zeeman Van ’t Hoff, Lorenz, Van der Waals en Brouwer kon Nederland zeker voor de dag komen.

De prestaties van deze klinkende namen zijn voor de meesten van ons niet te volgen, maar de kloof tussen alfa- en bètacultuur was in ons land nu ook weer niet zo groot dat een tijdschrift als De Gids niet veel aandacht heeft besteed aan de ontwikkelingen op het gebied van de «echte» wetenschappen. Uit de jaargangen van dit sinds 1837 verschijnende tijdschrift hebben Saris en Visser een groot aantal artikelen geselecteerd die een beeld geven van de stand van zaken in een bepaalde discipline, een overzicht bieden van bepaalde debatten, of een portret schetsen van een belangrijke wetenschapper.

Niet alleen de gekozen onderwerpen zijn over het algemeen boeiend, ook komt men onder de Gids-auteurs interessante namen tegen, zoals die van Johan Huizinga, E.J. Dijksterhuis, E.W. Beth, Leo Vroman, C.J. Dippel, Hans Freudenthal, Frits Staal, Gerrit Achterberg en Lucebert. De laatste twee namen geven aan dat het lang niet allemaal wetenschappelijke artikelen zijn (Lucebert leverde een tekening over de vraag: «Hoe zwaar is het licht?»), maar dat ook in De Gids daadwerkelijk gepoogd werd de kloof tussen alfa’s en bèta’s een beetje smaller te maken.

Dirk van Delft

Heike Kamerlingh Onnes: Een biografie

Bert Bakker, 664 blz., € 39,95

De wetenschappelijke en culturele revolutie die zich in de decennia rond 1900 voltrok, was een algemeen westers verschijnsel. Op lang niet alle terreinen bevond Nederland zich in de voorhoede, maar de prestaties op het gebied van de natuurwetenschappen waren zo indrukwekkend dat de laatste jaren met enige overdrijving zelfs wordt gesproken van een «Tweede Gouden Eeuw». Van de in 1901 ingestelde Nobelprijzen zou Nederland er in ieder geval een respectabel aantal in de wacht slepen.

Toen in 1882 in Leiden een hoogleraar experimentele natuurkunde benoemd moest worden, was het moeilijk kiezen. De uitverkorene, Heike Kamerlingh On nes, zou in 1913 inderdaad de Nobelprijs winnen. Maar de twee andere voorgedragen kandidaten, de in Nederland opgegroeide Wilhelm Röntgen en Johannes van der Waals, hadden de prestigieuze prijs toen al op zak.

In deze biografie van de man die als eerste helium vloeibaar maakte en onder wiens verantwoordelijkheid het fenomeen supergeleiding werd ontdekt, geeft Dirk van Delft een prachtig beeld van het natuurwetenschappelijke we reld je tijdens die zo enerverende decennia. Niet alleen de wetenschappelijke ontwikkelingen worden leesbaar uiteengezet, ook schetst Van Delft de maatschappelijke en institutionele context en laat hij zien dat Kamerlingh Onnes tevens een groot organisatorisch talent was.

Klaas van Berkel

Academische illusies: De Groningse uni versiteit in een tijd van crisis, bezetting en herstel, 1930-1950

Bert Bakker, 650 blz., € 39,95

Uit de biografie van Kamerlingh Onnes wordt duidelijk hoe belangrijk de institutionalisering van de wetenschap is. De geniale eenling die in afzondering een ontdekking doet die de wereld uit zijn hengsels tilt is heel wat zeldzamer dan de noeste, in een complex netwerk opere rende onderzoeker die zijn eigen vakgebied een heel klein beetje vooruit helpt.

Het is dan ook terecht dat er de laat ste jaren nogal wat aandacht is voor uni versiteitsgeschiedenis. Willem Otterspeer werkt momenteel aan het vierde en laatste deel van zijn geschiedenis van de Leidse universiteit, en wetenschapshistoricus Klaas van Berkel heeft onlangs een dik boek gepubliceerd over de Groningse universiteit rond het midden van de twintigste eeuw. Doordat in deze periode Nederland vijf jaar lang door de Duitsers werd bezet, valt er in de geschiedschrijving van allerlei maatschappelijke instellingen een soort «gat». De periode 1940-1945 wordt eruit gelicht en lijkt weinig te maken te hebben met de jaren ervoor en erna.

Omdat de universiteiten vanaf de jaren twintig een enorme ontwikkeling doormaakten, heeft Van Berkel geprobeerd de bezettingsjaren in een breder perspectief te plaatsen. Zijn opmerking dat studenten die in 1943 de loyaliteitsverklaring tekenden ten onrechte zijn afgeschilderd als morele collaborateurs heeft reeds stof doen opwaaien.