Alfamannetjes

De Emigrés opent met misschien wel het beste verhaal van W.G. Sebald, of in ieder geval het verhaal waarin Sebalds thematiek van het verleden dat nooit helemaal weg is het meest sprekend naar voren komt. Het is een kort ­portret van dr. Henry Selwyn, een joodse academicus die in de jaren voor de Eerste Wereldoorlog door Europa heeft getrokken. In ­Zwitserland was hij bevriend geraakt met de oudere bergbeklimmer Johannes Naegeli, van wie hij vlug afscheid moest nemen toen heel Europa zich in de zomer van 1914 mobiliseerde.

Edzard Mik, Mont Blanc, EUR 18,90

Edzard Mik, Mont Blanc, EUR 14,95 (e-book)

Medium mont blanc

Kort daarna was Naegeli op weg van de Oberaarhütte naar Oberaar verongelukt en nooit meer teruggevonden. De verteller denkt weer aan dr. Selwyn terug, die inmiddels zelfmoord heeft gepleegd, wanneer hij bij toeval op een krantenbericht stuit: de resten van het lijk van Johannes Naegeli zijn na 72 jaar weer uit de Oberaargletscher te voorschijn ­gekomen, met smeltwater. ‘Zo keren ze dus terug, de doden. Ze komen uit het ijs tevoorschijn.’

Edzard Mik begint zijn ambitieuze berg­beklimmersroman Mont Blanc met een soortgelijk beeld, bijna terloops medegedeeld door de verteller, Hugo, de verongelijkte vader van de beroemde bergbeklimmer Ruben Boom. Jaren terug is zijn neefje verongelukt toen hij met Ruben in de Alpen klom. Het lichaam is nooit gevonden en Hugo vraagt zich af hoe het met zijn zus zou zijn: ‘Hoe zou ze eruitzien, na vijftien jaar? Grijs en getekend door verdriet?’ Het verdriet was onafgerond, denkt hij, ‘zolang haar zoon daar nog lag en maar niet wilde verdwijnen, alsof het perfect geconserveerde lichaam dat afscheid in de weg stond’. Het idee van dat lichaam op een berg is een scherp en trefzeker beeld van een trauma dat nog altijd, letterlijk en figuurlijk, blootligt – ‘als een open zenuw’ schrijf je dan, maar dat zou in dit geval een eufemisme zijn.

Mont Blanc gaat niet zozeer over het spectaculaire klimmen zelf, weinig cliffhangers (huhuh) in deze roman, als wel over de verhouding tussen vader en zoon Boom, die op scherp is gezet nu Ruben een bestseller heeft geschreven over zijn beklimmingsavonturen, In IJle lucht (een verwijzing, lijkt me, naar Into Thin Air, het verslag van Jon Krakauers beklimming van Mount Everest in 1996, toen acht klimmers omkwamen). Hugo citeert gretig uit Rubens boek, vooral om de stijl af te zeiken en het tegen te spreken; dat Hugo bleek wegtrok toen ze de hoge Alpentoppen zagen opdoemen of dat hij zijn ijzers verkeerd onder zijn schoenen bond. Niet waar, moppert Hugo: ‘Bijna dertig was hij al, en nog steeds obsessief bezig om het beeld dat hij zélf van mij geschapen had, te ondergraven.’

Soms schiet Mik wat door in Hugo’s commentaar, is het wat te grof of zijn zijn beklimmingsvergelijkingen wat gratuit, bijvoorbeeld als hij Hugo, die een baan bij de Verenigde Naties heeft waarin hij zich bezighoudt met aanslagen op ‘onze kampen in Somalië’, laat opmerken: ‘Wat dat betreft was er weinig verschil met berg­beklimmen: de kleinste fout kon fatale gevolgen hebben.’ Of wanneer Hugo Rubens overspel becommentarieert: ‘Ik weet dat kinderen hun ouders niet als seksuele wezens believen te zien, maar omgekeerd is het nóg akeliger: met elke stoot van zijn bekken duwde Ruben mij dieper het graf in.’ Overdrijven is ook een vak, maar toch: het past bij Hugo’s doorgeslagen irritatie.

Die irritatie is Miks grootste literaire troef in het boek: je leert al heel snel Hugo niet te vertrouwen als verteller, je voelt aan alles dat er een andere realiteit achter zijn woorden zit. De roman begint in toeristenfuik Chamonix, waarvandaan vader en zoon de Mont Blanc over willen gaan. ‘Het was prettig om even van Ruben verlost te zijn’, merkt Hugo op als hij nog maar een middagje bij hem in de buurt is en hij gaat winkelen – maar als de irritatie al zo direct is, waarom gaan ze dan überhaupt samen een intensieve tocht maken? En als de vader-zoonband zo gefrustreerd is, waarom heeft Ruben dan zijn zoontje naar zijn vader vernoemd? Waarom komt hij naast zijn zoon zitten als deze op het ­logeerbed ligt te slapen, en waarom merkt hij later op, als ze naast elkaar in een kleine kamer liggen, dat het bijna is alsof ze één lichaam hebben?

Langzaam begon bij mij zich de vraag op te dringen waarom Hugo zich zo ergert aan Rubens boek. Op het oog omdat hij er niet altijd even manhaftig vanaf komt – maar heeft het er ook niet mee te maken dat hij erop wordt gewezen dat zijn zoon dingen anders beleeft, anders naar de wereld kijkt, of algemener: dat zijn zoon niet dezelfde man is als zijn vader? Opeens is Ruben niet alleen zijn zoon, maar ook een man, en twee alfamannetjes zullen nu eenmaal altijd met elkaar concurreren. Is Hugo bang dat hij de vergelijking niet kan winnen? Hij hamert er steeds op dat Ruben niet vreemd moet gaan en zijn vrouw vaker moet bellen, alsof hij een of andere losbol is – maar Ruben heeft zijn ­liefdesleven juist aanzienlijk beter op orde dan zijn vader, een hitsige, falende womanizer. Wanneer Hugo klaagt dat Ruben dwangmatig de wereld naar zijn hand wil zetten, zie je eigenlijk juist dat Ruben de dingen regelt die Hugo uit zijn ­handen laat glippen. Dat is het succes van Edzard Mik: dat hij alle woorden, beelden en observaties van Hugo geladen tot en met weet te maken.