Alfred dreyfus - ‘eer is alles’

Dit jaar is het honderd jaar geleden dat een Franse krijgsraad de joodse kapitein Dreyfus wegens spionage tot levenslang veroordeelde. De bewijzen waren vals, het antisemitisme dat Frankrijk overspoelde was echt. Nog altijd zaait de naam Dreyfus onrust onder hoge militairen, terwijl historici geboeid blijven door zijn worsteling met de publieke verachting en met de godverlaten eenzaamheid van het Duivelseiland. Een portret van Alfred Dreyfus, stiefkind van zijn eigen affaire.

Net als veel van zijn latere vervolgers en medestanders was Alfred Dreyfus afkomstig uit de Elzas. Die gemeenschappelijke afkomst verklaart veel, want in het negentiende-eeuwse Frankrijk plantten de provinciale twisten en loyaliteiten zich voort tot in de hoogste Parijse kringen.
Dreyfus kon zeker niet minder dan de anderen bogen op een historische verbondenheid met de streek. Het geslacht Dreyfus bewoonde al sedert de Romeinse tijd het gebied van de Boven-Elzas. Marskramers en slagers van die naam duiken herhaaldelijk op in de streekarchieven. Tijdens de industriele revolutie wist een aantal protestantse en joodse families in de Elzas een aanzienlijk fortuin te vergaren - zeer tot ongenoegen van de overwegend katholieke en Duitssprekende arbeidersbevolking.
De vader van Dreyfus was textielfabrikant te Mulhouse en liet bij zijn vroegtijdig overlijden alleen al aan Alfred een erfenis van 235 duizend goudfranken na. In een arbeiderswoning in dezelfde stad stond de wieg van Jean Sandherr, die later als inlichtingenofficier alles in het werk zou stellen om Dreyfus’ schuld te helpen ‘bewijzen’.
Het kinderrijke gezin waarin Alfred op 9 oktober 1859 werd geboren - hij had drie zusters en drie broers - verschafte hem een beschermde, republikeinse en door en door burgerlijke opvoeding. 'Mijn kinderjaren verliepen onbezorgd te midden van de zachtaardige invloed van moeder en zusters, een vriendelijke vader die zijn kinderen met goede zorgen omgaf, en de kameraadschap van mijn oudere broers’, schreef hij later in het voorwoord van Vijf jaren van mijn leven, nzijn gevangenisdagboek. Aan de joodse riten en feestdagen hield het gezin enkel uit traditie vast. De Dreyfus-familie was joods zoals andere katholiek of protestants waren. Alfred heeft in zijn latere leven zelden een bijzondere godsdienstigheid aan de dag gelegd.
Als hij tien is, wordt deze idylle ruw verstoord door de Frans-Pruisische oorlog van 1870, die de krijgsgeschiedenis zal ingaan als cLe De'baclen. Het Franse leger wordt door de mobiliteit en vuurkracht van de tegenstander verrast en vernietigd, de keizer wordt bij Sedan gevangengenomen en Elzas-Lotharingen wordt bij Duitsland getrokken. Het betekent voor Alfred c'een verdriet dat nooit meer uit mijn herinnering kon worden gewist’.
Zijn vader kiest voor het Franse staatsburgerschap en moet met zijn gezin de Elzas verlaten. Alleen de oudste broer blijft achter, maar die laat als bewijs van het felle revanchisme in de familie zijn zes zonen dienst nemen in het Franse leger.
Ook Alfreds keuze voor een militaire carriere staat vanaf dat moment vast. Na afronding van zijn middelbare school vertrekt hij, vijftien jaar oud, naar Parijs, waar hij wordt toegelaten op de befaamde Polytechnische School. Vervolgens doorloopt hij als aankomend artillerist de Militaire Oefenschool in Fontainebleau, zet als jong luitenant zijn eerste soldatenschreden bij het 31ste regiment artillerie in Le Mans en vervolgens bij een rijdende batterij in Parijs.
Het leger belichaamt in die dagen de hoop van de Franse natie op revanche, de wraak op Duitsland voor de smadelijke nederlaag van 1870. De katholieke kerk heeft in legerkringen grote invloed, met name door toedoen van jezui"eten, assumptionisten en dominicanen, die zich nog altijd niet bij de teloorgang van het cancien regime hebben neergelegd. Het Vaticaan gebruikt het antisemitisme als voornaamste wapen in de strijd voor het behoud van zijn invloed in landen als Oostenrijk, Spanje en Frankrijk. Het hoopt de ontwrichtingen op het Europese toneel als gevolg van oorlog, kapitalisme, migratie en nationale wrijvingen op het conto van een joodse samenzwering te kunnen schrijven. De strijd tegen een 'joods gevaar’ moet de inleiding zijn tot een zuivering van de Europese cultuur van revolutionaire waarden als vrijheid en gelijkheid.
In het bijzonder de Franse jezuieten hebben hun hoop gevestigd op een militaire staatsgreep, die 'het eeuwige Frankrijk’ in ere zal herstellen. Republiek en parlement zijn door financiele schandalen waarvoor de antisemitische pers onmiddellijk de schuld bij enige vooraanstaande joden heeft gelegd zodanig gecompromitteerd dat veel afgevaardigden zelf lijken terug te verlangen naar de duidelijke verhoudingen van het Tweede Keizerrijk. Een poging tot staatsgreep van generaal Boulanger in 1889 ketst echter af op de neutraliteit van het leger. Niettemin beschouwt datzelfde leger zich wel degelijk als laatste steun en toeverlaat van de Franse natie. Waarden als Eer, Vaderland en Hierarchie gelden er als onaantastbaar.
Binnen dit leger staat de jonge, ambitieuze Dreyfus al spoedig bekend als een voorbeeldig officier. Hij draagt de bij zijn rang onontbeerlijke pince-nez, de hagelwitte officiershandschoenen zitten als gegoten om zijn tengere handen, en hij blijft onder alle omstandigheden vormelijk en stijf. Zijn manschappen beveelt hij met schelle en soms overslaande stem, maar nooit geeft hij blijk van enige emotie. Zijn stoicijnse vasthoudendheid wordt beloond en op 12 september 1889 wordt hij benoemd tot kapitein bij het 21ste artillerieregiment, een bevordering die de weg opent naar de Hogere Krijgsschool.
Op 21 april 1890, een dag nadat hij is toegelaten tot de Ecole Superieure de Guerre, trouwt hij met Lucie Hadamard, eveneens afkomstig uit een rijk geslacht. Samen krijgen ze achtereenvolgens een zoon en een dochter. Het gezin Dreyfus behoort nu definitief tot de gegoede bourgeoisie en beschouwt zichzelf als volstrekt geassimileerd, ondanks de discriminatie die joodse officieren ten deel valt. Zo windt Alfred zich mateloos op over de achterstelling van hemzelf en een andere joodse officier bij het eindexamen van de krijgsschool en hij spreekt er openlijk schande van. Maar zijn eindbeoordeling in 1892 met de aantekening 'zeer goed’ stelt hem in staat om als eerste joodse officier aan de Generale Staf te worden verbonden.
Op 1 januari 1893 treedt Dreyfus in dienst bij het Tweede Bureau (Inlichtingendienst). 'Ik had een schitterende en gemakkelijke carriere voor me; mijn toekomst stond schijnbaar onder een uiterst gunstig gesternte. Aan het eind van de werkdag vond ik thuis rust en vermaak’, zo beschrijft Dreyfus deze periode in Vijf jaren van mijn leven. 'We waren volmaakt gelukkig, en ons eerste kind, een jongen, vrolijkte ons huis op; ik had geen materiele zorgen, en met de familie van mijn vrouw was ik verbonden door een zelfde diepe genegenheid als ik voelde voor mijn eigen familie. Alles in het leven leek mij toe te lachen.’
Dan onderschept het Tweede Bureau een brief, geschreven door een officier van de Generale Staf en bestemd voor de Duitse ambassadeur, waarin waardevolle inlichtingen omtrent de Franse artillerie worden verstrekt. Het schrijven moet wel van het stafhoofdkwartier afkomstig zijn. Het gemakkelijke vermoeden dat 'de jood’ de verrader is, wordt voor de meeste betrokkenen al spoedig een zekerheid.
Op maandag 15 oktober 1894 wordt Dreyfus in burgertenue ontboden bij zijn superieuren. Hij vermoedt dat het gaat om een inspectie en dineert de avond tevoren nietsvermoedend bij zijn schoonouders. Op maandagmorgen neemt hij afscheid van zijn zoontje, niet wetend dat het voor vijf jaar zal zijn. In een onderzoekskamer van het Tweede Bureau stelt majoor Du Paty de Clam hem officieel in staat van beschuldiging. Het gangbare beeld van Dreyfus als een man die niet tegen zijn eigen affaire was opgewassen, is onjuist; hij doorziet onmiddellijk de intrige. 'De enige reden voor deze beschuldiging is dat ik jood ben!’ bijt hij zijn cipiers toe voordat de celdeur achter hem wordt gesloten.
De Generale Staf is gelukkig met zijn zondebok: de minister van Oorlog, Mercier, ziet een uitgelezen kans om zijn geslonken prestige in rechtse kringen te herstellen, en het georganiseerde antisemitisme onder leiding van de jezuieten ruikt zijn prooi. In Algerije breken pogroms uit en de Algerijnse afgevaardigde Edouard Drumont neemt in Frankrijk al gauw het voortouw met La Libre Parole, zijn in 1886 opgerichte krant. 'Landverraad. Arrestatie van de joodse officier A. Dreyfus’, kopt Drumont. En hij schrijft: 'Men wil de zaak verzwijgen omdat de officier een jood is. Zoekt onder de Dreyfus, de Mayers en de Levys, en Gij zult vinden!’
Minister Mercier verklaart Dreyfus in een interview met Le Figaro eveneens bij voorbaat schuldig. De verdachte ziet zijn zaak echter met het volste vertrouwen tegemoet: 'Ik zal als soldaat tegenover soldaten komen te staan. Ze zullen mij aanzien, ze zullen mijn ziel kunnen lezen, ze zullen overtuigd zijn van mijn onschuld.’ Op last van hogerhand behandelt de Parijse krijgsraad de zaak echter achter gesloten deuren. Als de aanklager ook nog op de proppen komt met een geheim dossier dat aan de verdediging wordt onthouden, is de veroordeling wegens landverraad nog slechts een formaliteit. Aangezien de doodstraf-in-vredestijd in 1848 was afgeschaft, wordt Dreyfus veroordeeld tot levenslange gevangenschap. Deze moet hij met het oog op zijn halsstarrige ontkenning van iedere schuld uitzitten in volstrekt isolement, op het Duivelseiland voor de kust van Frans Guyana.
Alvorens scheep te gaan wordt Dreyfus op de binnenplaats van de Parijse krijgsschool publiekelijk gedegradeerd. Aan zijn advocaat Demange schrijft hij: 'Ik zal naar die afschuwelijke terechtstelling marcheren met opgeheven hoofd, zonder schaamrood. U te verzekeren dat mijn hart niet ten diepste gekwetst zal zijn wanneer men mij de eretekenen zal afrukken die ik in het zweet mijns aanschijns heb verdiend, zou een leugen zijn. Duizendmaal liever zou ik de dood verkozen hebben.’ Terwijl buiten de hekken een opgeschoten menigte 'Dood aan de joden!’ brult, worden Dreyfus voor het front van de troepen de officiersstrepen afgerukt en wordt zijn sabel gebroken. De volgende dag trekt schrijver en journalist Leon Daudet in zijn hoofdartikel voor Le Figaro alle registers open van het moderne antisemitisme, dat vrijwel tegelijk met de zaak-Dreyfus wordt geboren: 'Daar duikt hij voor me op, in het voorbijgaan, met koele ogen, de blik ongetwijfeld afdwalend naar het verleden, want tegelijk met zijn eer is ook zijn toekomst gestorven. Hij heeft geen leeftijd meer. Hij heeft geen naam meer. Hij heeft geen kleur meer. Hij heeft de kleur van de verrader. Zijn gelaat is asgrauw, vlak en laag-bij-de-gronds, zonder een spoor van berouw, zonder twijfel van buitenlandse komaf, een getto-tegel…’
Nog altijd gelooft Dreyfus dat zijn onschuld zal worden bewezen. 'Je moet de waarheid te weten komen, ten koste van alles!’ schrijft hij aan Lucie: 'Gebruik ons fortuin voor het onderzoek. Geld is niets. Eer is alles. Ik ben nooit bevreesd geweest voor lichamelijk leed. (..) Maar ik gruw bij de gedachte aan de verachting die me overal volgt waar ik ga. Een verrader! De meest verachtelijke van alle misdaden!’
Op het schip Saint-Nazaire wordt hij afgevoerd naar het Duivelseiland, een bijna kale rots in een groep van drie eilanden die voorheen dienst hebben gedaan als lepra-kolonie. Alle andere gevangenen worden van het eiland verwijderd en voor Dreyfus wordt een stenen hut gebouwd die hij niet mag verlaten. Daar begint een langdurige marteling voor de zesendertigjarige, die geen idee heeft van het verband tussen het berekende sadisme waarmee hij wordt behandeld en het verdere verloop van zijn zaak in Frankrijk. Aanvankelijk gunt men hem een blik op de zee al wordt het hem ook op de heetste dagen van het jaar niet toegestaan om te baden. Zijn machteloosheid doet hem verlangen naar de dood: 'Ik word welhaast onweerstaanbaar naar de zee toegezogen, waarvan het murmelende water me lijkt aan te roepen met de stem van een vertrooster.’
Het wordt hem toegestaan post te ontvangen, maar zijn bewakers mogen geen woord met hem wisselen. Hij verlangt naar een enkel vriendelijk woord, maar ze zetten zijn voedsel zwijgend voor hem neer. Dit gedrag wekt zijn vechtlust: 'Een verrader! De laagste van allen! O nee, ik moet leven; ik moet mijn lijden te boven komen, zodat ik de volle en erkende triomf van mijn onschuld zal kunnen beleven!’
In het verre Frankrijk ondertussen spant zijn broer Mathieu, die van begin af aan in Alfreds onschuld heeft geloofd, zich tot het uiterste in om heropening van de zaak te verkrijgen. De kwestie is door de publieke opinie al praktisch vergeten maar met hulp van de journalist Bernard Lazare, die er een bevlogen brochure aan wijdt, weet Mathieu enkele intellectuelen op zijn hand te krijgen. Het Tweede Bureau ruikt onraad en besluit de zaak tegen Dreyfus te ondersteunen met een hele reeks van vervalsingen, die op den duur zelfs de toets van de meest welgezinde kritiek niet kunnen doorstaan. Op aandringen van de legerleiding wordt het regime van Dreyfus verzwaard, in de stille hoop dat hij tijdig zal overlijden. Boven zijn bed wordt een ijzeren rek gemonteerd waaraan hij elke nacht wordt vastgeketend. 'Alles is me verboden’, schrijft hij op 8 maart 1896. 'Ik ben voorgoed alleen met mijn eigen gedachten.’ Drieenveertig dagen en nachten duurt deze hel, zonder dat hij enig idee heeft waarom hij eraan wordt blootgesteld. Maar in een visioen schrijft hij niettemin een vurige brief aan de president. 'Ik heb een absoluut, onwrikbaar vertrouwen’, bezweert hij Lucie, 'dat we de waarheid zullen ontdekken; het is enkel een kwestie van tijd. Ja, wees sterk. Je moet.’
In kolonel Georges Picquart, die spoedig na Dreyfus’ veroordeling het bevel over het Tweede Bureau had gekregen, vonden de familie en medestanders van de gevangene ten slotte een machtige bondgenoot. Hij was weliswaar antisemiet in hart en nieren, maar ook ten volle overtuigd van Dreyfus’ onschuld. Hij wist de ere-senator van de Elzas, Scheurer-Kestner, op zijn hand te krijgen. Toen een van de vervalsers in de affaire bovendien zelfmoord pleegde werd revisie van het vonnis vrijwel onvermijdelijk. De republikeinse afgevaardigde Georges Clemenceau stelde de kolommen van zijn blad L'Aurore open voor de schrijver Zola, die een vlammende aanklacht tot de president van de Republiek richtte: 'J'accuse…!’
In maart 1899 kreeg Alfred Dreyfus ten langen leste toestemming om vrij over het eiland te lopen. Voor het eerst in jaren zag hij de zee weer, en een brief van Lucie bevestigde zijn stille hoop: 'De ware toedracht is uitgekomen. Zij verschijnt met de dag duidelijker, en spoedig zal zij in aller ogen flonkeren.’ Het Hooggerechtshof in Parijs vernietigde het vonnis en beval een nieuwe terechtzitting. De kruiser Sfax bracht de balling terug naar Frankrijk, waar hij snikkend in de armen van zijn familie viel.
In juni 1899 verscheen de ernstig vermagerde en verzwakte Dreyfus voor een nieuwe krijgsraad in Rennes. Hoewel hij de vragen die tot hem werden gericht soms niet verstond en een afwezige indruk maakte, wist zijn advocaat een vermindering van zijn straf tot tien jaar te bereiken ('wegens verzachtende omstandigheden’), die vervolgens door een presidentiele amnestie geheel werd kwijtgescholden. In 1906 volgde zijn volledige rehabilitatie.
De onverzettelijke Dreyfus neemt wederom dienst in 1909 en wordt bevorderd tot luitenant-kolonel. Als het lot zijn carriere niet zo wreed had verstoord, was hij in 1914 waarschijnlijk generaal geweest, maar hij vervult zijn plicht aan het front met dezelfde vasthoudendheid die hem in staat stelde Duivelseiland te overleven. Als vrijwel vergeten burger sterft hij op 11 juli 1935 in Parijs, kort na het in ontvangst nemen van de felbegeerde eretekenen van het Legion d'Honneur. Alfred Dreyfus, Frans officier in hart en nieren.
Maar Dreyfus’ dood maakt geen einde aan zijn Affaire. Ook heden ten dage wordt Frankrijk nog geregeld opgeschrikt door de Dreyfus-affaire. Toen de minister van Cultuur in 1985 een bronzen beeld van Dreyfus op de beruchte binnenplaats van de militaire hogeschool in Parijs wilde laten plaatsen, protesteerden de legerleiding en de verzamelde rechtse oppositie zo fel, dat zijn collega van Defensie het raadzamer achtte om het beeld tussen de bomen van de Tuilerieen weg te moffelen. Op die plaats kon het publiek Dreyfus van nabij bewonderen, zo luidde de officiele uitvlucht.
En uitgerekend in dit herdenkingsjaar, op 31 januari, brak de chef van de historische dienst van het Franse leger, kolonel Paul Gaujac, in het legertijdschrift Actualite een lans voor de anti-dreyfusards van weleer. In het artikel noemt hij de onschuld van Dreyfus geen vaststaand feit, maar een 'onder historici algemeen aanvaarde stelling’. De voorvechters van revisie waren voornamelijk socialisten, republikeinen en vrijmetselaars die het leger geen goed hart toedroegen, aldus de overste; gelukkig hadden de anti-dreyfusards een 'destabilisatie’ van het Franse leger voorkomen.
Gaujac verkondigt in wezen het standpunt van anti-dreyfusard van het eerste uur Charles Maurras. Als het gaat tussen het belang van Dreyfus en dat van de Franse samenleving, dan hoort het belang van de samenleving op de eerste plaats te komen. Ditmaal reageerde de samenleving in de persoon van de minister van Defensie op gepaste wijze: Gaujac werd op staande voet ontslagen.