De Franse herinneringsoorlogen

‘Algerije vergeten is onmogelijk’

Sinds tien jaar woeden in Frankrijk de ‘herinneringsoorlogen’ rond thema’s als de slavernij en het koloniale verleden. Volgens sommigen staan deze conflicten een door iedereen gedeelde ‘roman national’ in de weg. Vooral het Algerije-verleden speelt op.

PARIJS – Tijdens wat de geschiedenis zal ingaan als ‘Rode Allerzielen’ lanceert de Algerijnse bevrijdingsbeweging Front Libération Nationale (FLN) in de vroege ochtend van 1 november 1954 een serie aanvallen op militaire en burgerdoelen op het Frans-Algerijnse grondgebied. Vanuit Caïro wordt een boodschap de ether in gezonden waarin het FLN moslims oproept in het strijdperk te treden voor de ‘restauratie van de Algerijnse staat’. Het luidt de oorlog in die in Frankrijk zelf 45 jaar lang geen oorlog mag heten en koppig ‘de gebeurtenissen in Algerije’ (les événements d’Algérie) wordt genoemd. Een oorlog speelt zich immers af tussen twee staten en Algerije was een staat noch een kolonie; het was een integraal onderdeel van het Franse territoir, opgedeeld in drie departementen.
Het wordt een slepend, bloedig en complex conflict waarbij tal van groepen en partijen elkaar naar het leven staan. Het FLN vecht een onderlinge machtsstrijd uit met de rivaliserende Mouvement National Algérien (MNA), in Frans-Algerije zelf, maar ook in de zogeheten ‘caféoorlogen’ op het Franse vasteland. Aan Franse zijde valt het leger uiteen gedurende twee staatsgrepen, terwijl de extreem-rechtse Organisation de l’Armée Secrète (OAS) zowel tegen het FLN als de Franse regering strijdt. Daartussenin staan de harki’s, Franse hulptroepen van Algerijnse afkomst, die later voorzover ze er niet in slagen naar het vasteland te ontkomen als verraders worden afgeslacht. De burgerbevolking wordt door geen van de partijen gespaard en aan beide zijden wordt gemarteld. Schattingen lopen uiteen, maar volgens de Britse historicus Alistair Horne laten in totaal zevenhonderdduizend Algerijnen het leven, tegenover dertigduizend Fransen (soldaten én burgers).
Charles de Gaulle, in 1958 teruggekeerd aan het roer van de in crisis geraakte staat, toont zich vanaf het begin pessimistisch over de mogelijkheid het Algerijnse territoir voor Frankrijk te behouden. Beroemd is zijn ambivalente ‘Je vous ai compris’ (‘Ik heb u begrepen’), vanaf het balkon tegen de mensenmassa op het centrale plein in Algiers. Wie heeft hij precies begrepen? De voorstanders van l’Algérie Française of de snel groeiende groep van Algerijnen die onafhankelijkheid eist? Het wordt pas duidelijk wanneer hij tot afgrijzen van de pieds noirs (de in Frans-Algerije woonachtige Fransen) onderhandelingen opent met de onafhankelijkheidsbeweging. Deze monden in 1962 uit in de akkoorden van Evian, waar de Algerijnse onafhankelijkheid wordt erkend. Frankrijk slaakt een zucht van verlichting. In een referendum stemt ruim negentig procent van de kiesgerechtigde Fransen met de akkoorden in.

‘FRANKRIJK WAS moegestreden. Het wilde vergeten, wentelde zich in de welvaart van de Trentes Glorieuses en wendde de blik noordwaarts, richting Brussel. Maar vergeten is onmogelijk. Algerije zal ons achtervolgen en ons op de staart trappen, steeds opnieuw.’ Dat zegt Benjamin Stora, een van de grootste kenners van de Algerijnse geschiedenis, in zijn studeerkamer in de Parijse voorstad Asnières. Stora promoveerde destijds op Messali Hadj, de geestelijk vader van de Algerijnse onafhankelijkheidsbeweging, en maakte sindsdien naam met studies als La gangrène et l’oubli (1991) en La Guerre de l’Algérie (2004). Recent publiceerde hij Les guerres sans fin, een persoonlijk getint boek. Stora’s eigen leven is namelijk sterk beïnvloed door ‘de gebeurtenissen’ van 1954-1962. Zo wist de sefardische joodse familie waarin hij werd geboren haar bestaan in de Algerijnse stad Constantine na de onafhankelijkheid niet langer zeker en besloot naar Frankrijk te verhuizen. Waarom drukt de Algerije-kwestie na bijna vijftig jaar nog steeds zo zwaar op het Franse collectieve bewustzijn?
Benjamin Stora: ‘De herinnering aan het verlies van Algerije drukt zwaar omdat er enorme massa’s mensen bij betrokken waren: 1,5 miljoen Franse soldaten, één miljoen pieds noirs en de Algerijnse immigratie richting Frankrijk, die de grootste is van de afgelopen veertig jaar. In totaal raakt het tussen de vijf en zeven miljoen mensen. Dat is niet alleen een ideologisch trauma, maar het is realiteit, men voelt het fysiek en dan spreek ik nog niet over de slachting van de harki’s. Daarbij komt dat Algerije geen kolonie was zoals Indochina, of een protectoraat zoals Marokko, maar een integraal deel, een provincie van Frankrijk. Het verlies voelde als een amputatie, zoals het zou voelen als Frankrijk Bretagne of Corsica zou verliezen. Was de onafhankelijkheid een goed idee? Had de oorlog vermeden kunnen worden? Zou meer autonomie een oplossing zijn geweest? Wat was de politieke verantwoordelijkheid van De Gaulle? Er zijn tal van vragen die blijven doorzeuren en die gedragen worden door de kinderen en de kleinkinderen van de betrokkenen. Iedereen heeft zijn herinnering aan die geschiedenis. Men sleutelt er onophoudelijk aan, is er door geobsedeerd, wordt er door gepijnigd.’

DAARMEE figureert ‘Algerije’ prominent in de zogeheten ‘herinneringsoorlogen’ die in Frankrijk sinds een jaar of tien woeden rondom thema’s als kolonisatie en slavernij. In een land dat van oudsher sterk op het verleden georiënteerd is en bovendien behept met een conflictueuze politieke cultuur zijn de ingrediënten voor zo’n guerre de mémoire snel bijeengeraapt.
Zo werd in 2005 de tweehonderdjarige viering van de Slag bij Austerlitz inzet van een felle polemiek nadat de schrijver Claude Ribbe Le crime de Napoleon had gepubliceerd, waarin hij beschuldigend naar de winnaar van deze veldslag wees en hem zelfs vergeleek met Hitler: ‘Honderdveertig jaar voor de shoah gebruikte Napoleon al gas om de burgerbevolking op de Antillen uit te roeien. Hij bouwde concentratiekampen op Corsica en Elba waar duizenden Fransen van overzee het leven lieten.’
Van de groots voorgestelde herdenking kwam uiteindelijk weinig terecht. Op Place Vendôme, waar de bronzen pilaar staat die Napoleon liet gieten van de in Austerlitz buitgemaakte kanonnen, was een armetierige videoshow en zowel toenmalig president Jacques Chirac als toenmalig premier Dominique de Villepin (een verklaard bewonderaar van Bonaparte) liet verstek gaan. In dagblad Le Figaro vertolkte de historicus Emmanuel Le Roy Ladurie het onbegrip van velen toen hij zich afvroeg in hoeverre ‘we vanaf nu ook de herdenkingen gaan verbieden van de verrichtingen van de Franse koningen, van Louis XIII tot Louis Philippe, aangezien ook zij medeplichtig waren aan de slavernij’.
Om te begrijpen hoe een ‘herinneringsoorlog’ ontstaat, is het belangrijk het onderscheid te zien tussen ‘herinnering’ (mémoire) en ‘geschiedenis’ (histoire). Geschiedenis is wat historici onderzoeken op een zo wetenschappelijk mogelijke wijze; herinnering is veel subjectiever, bedient zich van mythes en legenden en heeft vaak ook op identiteit gebaseerde doeleinden, zoals nakomelingen van slaven die publieke erkenning eisen voor het hun voorouders aangedane leed. Zodra sprake is van een antagonistische herinnering (Napoleon was een groot veldheer versus Napoleon was een misdadiger) kan er een herinneringsoorlog ontstaan. Een schat aan wapens staat de belligerenten daarbij ter beschikking: musea, monumenten, gedenkdagen, leergangen, universitaire leerstoelen et cetera. Het strijdtoneel kan de school zijn, de filmzaal of de publieke ruimte. Maar uiteraard ook de media, de rechtszaal en zelfs het parlement.
Zo stemde het Franse parlement in 2001 in met een wet (vernoemd naar initiatiefneemster Christiane Taubira, de socialistische afgevaardigde van het Caribische Guadeloupe) die slavenhandel en slavernij postuum bestempelt als ‘misdaad tegen de menselijkheid’ en voorschrijft dat middelbare scholen er de aandacht aan besteden ‘die zij verdienen’. Dankzij dergelijke lois mémoirielles (herinneringswetten) werd de Franse staat ook zelf acteur in de herinneringsoorlogen, soms de ene partij kiezend, dan weer de andere. Zo ontstond er in 2005 grote ophef nadat het parlement had ingestemd met een wet die scholen verplichtte de ‘positieve rol’ die Frankrijk in de koloniën had gespeeld te benadrukken. Vanuit de voormalige koloniën klonk protest, maar ook vakhistorici kwamen nu in het geweer en richtten onder leiding van de académicien Pierre Nora het collectief Liberté pour l’Histoire! op. Anderen maakten zich intussen zorgen dat de herinneringsoorlogen een ‘roman national’ in de weg stonden: de mogelijkheid de Fransen te verenigen rond een gedeeld verhaal over het verleden – meer dan ooit noodzakelijk in een tijd waarin de nationale identiteit van alle kanten onder druk staat.

DAT HET er in de herinneringsoorlog rond Algerije het hardst aan toe gaat, is gezien de aantallen mensen die het aangaat, de betrekkelijk recente datum en de gewelddadigheid van het conflict niet zo verwonderlijk. Hij speelt zich in de eerste plaats af tussen de twee landen. Zo sprak Abdelaziz Bouteflika, de huidige Algerijnse president, in 2006 nog over ‘een genocide op de Algerijnse identiteit’, waarvan hij het begin lokaliseerde bij de slachtingen van Sétif en Guelma, de stadjes waar het Franse leger bij een wraakactie in het voorjaar van 1945 het vuur opende op een ongewapende mensenmenigte en daarbij zeker achtduizend mensen doodde. Dat Frankrijk bij monde van zijn ambassadeur in Algiers daar in 2005 – voor het eerst in zestig jaar – zijn excuses voor had aangeboden, was volgens Bouteflika niet genoeg: Frankrijk moet om genade vragen.
Benjamin Stora onderstreept dat dergelijke uitspraken ook een intern politiek doel dienen, namelijk om het Algerijnse nationale sentiment te mobiliseren dat zich steevast tegen Frankrijk richt: ‘Maar tegelijk doet “Algerije” in Frankrijk dienst waar het erop aankomt politieke cliëntèles te smeden uit de pieds noirs die voorheen op het Front National stemden, zoals Sarkozy in 2006 probeerde met zijn rede in Toulon, waar hij het had over de goede werken die Frankrijk in Algerije heeft verricht.’
Uiteraard woedt de herinneringsoorlog ook in Frankrijk zelf. Pieds noirs, harki’s, oud-strijders en Algerijnse immigranten hebben allemaal een eigen herinnering, die zich niet vanzelfsprekend met de rest verdraagt. Pieds noirs verwijten Frankrijk nog steeds de kille ontvangst die hen in 1962 ten deel viel en dromen weg bij een imaginair Nostalgéria; oud-strijders willen niet van systematische martelingen weten en houden het op het werk van individuen; kinderen van immigranten klagen over het gebrek aan mogelijkheden om zich in de Algerijnse kant van het verhaal te verdiepen en de harki’s voelden zich in 2008 opnieuw verraden toen er niets terechtkwam van een door Sarkozy beloofd werkverschaffingsplan.
Op tal van plaatsen in Zuid-Frankrijk verrezen in de afgelopen jaren documentatiecentra, monumenten en musea. Zoals in Perpignan, waar een gedenksteen kwam voor alle in Algerije gedode Fransen zonder graf. Deze Muur der Vermisten werd onmiddellijk onderwerp van polemiek. Getwist werd over het precieze aantal slachtoffers, maar ook over de vraag of de namen van leden van de OAS wel in hetzelfde marmer mochten worden uitgehakt als de namen van harki’s en pieds noirs. Marseille bouwt aan een museum over de Middellandse Zee (het Mucem) waarin ‘Algerije’ prominent zal figureren en in Montpellier beloofde de socialistische burgemeester Georges Frêche een museum dat ten doel had om de Franse aanwezigheid in Algerije te eren. Saillant detail: pieds noirs maken twintig procent uit van het electoraat. Sinds Frêche uit de Parti Socialiste werd gezet nadat hij een aantal harki’s die hadden deelgenomen aan een manifestatie van Sarkozy’s partij UMP voor ‘minderwaardige mensen zonder eer’ (sous-hommes sans honneur) had uitgemaakt, is weinig meer van het museum vernomen. Dat de grenzen tussen boetedoen, eerbetoon en politiek cliëntelisme lang niet altijd even scherp zijn, bleek uit de reactie op het kassucces Indigènes (2006) over de Noord-Afrikaanse soldaten die aan Franse zijde meevochten in de Tweede Wereldoorlog, maar anders dan hun medestrijders van Franse origine naderhand geen aanspraak konden maken op een oorlogspensioen. Op nationalistische haatblogs als fdesouche.com werd smalend geschreven over een ‘antiwesterse film’, maar president Chirac zag er wel brood in en aarzelde niet om de tachtigduizend nog in leven zijnde oud-strijders van het voormalige Empire op de dag van de première alsnog hun oorlogspensioen toe te kennen.
Ook de Algerijnse onafhankelijkheidsstrijd zelf dook de afgelopen jaren regelmatig op in films. Zo onthulde documentairemaker Patrick Rotman in L’ennemi intime (2007) dat het Franse leger napalm had gebruikt, en in Caché (2005) speelt de Oostenrijkse regisseur Michel Haneke een subtiel spel met thema’s als angst, verzwijgen en collectieve schuld wanneer hoofdpersoon Georges Laurent (Daniel Auteuil) en zijn vrouw (Juliette Binoche) verontrustende videocassettes ontvangen. De cassettes blijken afkomstig van Laurents adoptiebroertje Majid, wiens ouders omkwamen tijdens een bloedbad in Parijs op 17 oktober 1961. In nooit helemaal opgehelderde omstandigheden kwamen die dag tientallen, zoniet honderden Algerijnse demonstranten om het leven nadat zij door de politie de Seine in waren geknuppeld – een drama dat pas in 1998 officieel door de Franse regering is erkend. Majids kans op een normaal leven bij een Frans middenklassegezin in een Parijse voorstad wordt gefrustreerd als de jaloezie van de jonge Georges ervoor zorgt dat Majid alsnog in een weeshuis wordt geplaatst.

STORA VERKLAART het voortwoekeren van de herinneringsoorlog rond Algerije deels uit de achterstand die het wetenschappelijk onderzoek heeft opgelopen: ‘Anders dan in de Angelsaksische wereld houdt men zich in de Franse academische wereld nog maar betrekkelijk recent bezig met het onderwerp. De koloniale kwestie werd hier lange tijd als iets secundairs gezien, een exotisme, niet als een centrale kwestie. Ik was de enige leerling van de grote Algerije-specialist Charles-Robert Ageron! Pas in de jaren tachtig begonnen de promovendi te komen en sinds een jaar of tien bestaat iets wat het predikaat “postkoloniale studies” waardig is.’
Stora doelt op de samenwerking tussen onderzoekers afkomstig uit de voormalige koloniën en de vroegere koloniale machten, al benadrukt hij dat het aantal leerstoelen zeer gering blijft. Dat kennisvacuüm gaf volgens Stora jarenlang ruim baan aan waanbeelden vanuit de voormalige koloniën waar gezegd werd: ‘Als Frankrijk zijn daden niet onder ogen komt, dan doen wij het’, waarop een eenzijdig en huiveringwekkend verslag volgde.
Tegenwoordig kijkt Frankrijk niet langer weg, maar van de gordijnen opentrekken is evenmin sprake. Zo erkende de Franse regering pas in 1999 dat er in Algerije van een ‘oorlog’ sprake was (en niet van ‘gebeurtenissen’) en zoals gezegd veroordeelde de Franse ambassadeur pas in 2005 de slachtingen bij Guelma en Sétif. ‘Dat zijn belangrijke symbolische gebaren’, erkent Stora, ‘net als de Loi Taubira of de rede die Chirac hield in Madagascar.’ Op dit eiland betuigde de president in 2005 spijt voor de bloedige onderdrukking van de onafhankelijkheidsopstand in 1947-1948, waarbij veertigduizend doden vielen. ‘Maar het laat onverlet dat er veel misdaden zijn gepleegd, en omdat er veel achterstand is opgelopen met de erkenning daarvan zijn er veel claims op dat gebied. Het is waar dat in de betreffende landen, vaak dictaturen, het nationale gevoel nogal eens is geconstrueerd rond de haat jegens de vroegere onderdrukker. Dat maakt Franse politici huiverig om het hoofd te buigen en aan die claims tegemoet te komen. Maar juist deze combinatie van quasi-geïnstitutionaliseerde rancune en de onwil tot erkenning heeft geleid tot een vicieuze cirkel die de mogelijkheid blokkeert om de twee herinneringen bij elkaar te brengen en tot één gedeelde herinnering te smeden.’

ANDERS dan de filosoof Pascal Bruckner, die in zijn essay La tyrannie de la repentance meent dat het Westen met het schuld bekennen voor misdaden uit het verleden een nieuwe manier heeft gevonden om zich superieur te voelen, vindt Stora dat Frankrijk juist nog steeds het nodige goed te maken heeft. ‘Ik vraag juist steeds: wat hebben we eigenlijk gedaan? Wat zijn de gebaren die de Franse overheid gemaakt heeft? Zojuist haalde ik een paar dingen aan, maar dat is niets! Daarmee vatten we tien jaar van daden samen van de Franse staat. Dat is allemaal zeer ontoereikend. Er moeten onderzoeksprogramma’s worden opgezet, leerstoelen ingesteld, beurzen toegekend, documentatiecentra gesticht en boeken geschreven samen met historici uit de voormalige koloniën. De opgave van Frankrijk is alle gewonde herinneringen uit de geschiedenis te integreren in een nieuw nationaal republikeins verhaal.’
Dat de staat daarbij af en toe bijspringt met een wet, vindt Stora op zichzelf geen bezwaar: ‘Het waren er misschien wat veel de afgelopen jaren, maar de petitie van Liberté pour l’Histoire! heb ik niet getekend. Je moet het per geval bekijken.’ In waardenvrije geschiedbeoefening gelooft de voormalig trotskist Stora al helemaal niet: ‘Alle grote Franse historici – van Jules Michelet tot François Furet – waren op hun manier ook politici’, zegt hij met een veelbetekenende grijns. ‘Dit is Frankrijk, rechtsom of linksom, alles is hier politiek, dus zéker de geschiedenis. Laat ons het dáár tenminste over eens zijn.’