Algerijnse frustraties

als zijn film al over fundamentalisme gaat, dan is dat niet omdat dat goed verkoopt. Met de Algerijnse autoriteiten houdt hij evenmin rekening. Merzak Alouache maakte ‘Bab el-Oued City’ in de eerste plaats voor zichzelf: ‘Knippen in mijn films doet de censuur maar.’

‘DE FILM GAAT NIET over fundamentalisme’, verzucht de Algerijnse cineast Merzak Alouache. Het afgelopen weekend werd Alouaches film Bab el-Oued City vertoond in Amsterdam en Utrecht, en de debatten die na afloop plaatsvonden, verzandden op beide locaties in oeverloze discussies rond vragen als: vormt het fundamentalisme in Algerije een bedreiging voor Europa. Na twee dagen discussieren heeft Alouache er genoeg van.
Alouache: 'Ik vind het behoorlijk vervelend dat men tijdens zo'n discussie alleen maar over het fundamentalisme praat en niet over de film. Als ik vervolgens niet op dat onderwerp inga, verwijt men mij dat ik bang ben. Ik wil echter alleen over de film praten. De gesprekken tijdens een debat blijven vaak afstandelijk. Anderzijds is het nuttig het publiek wat extra informatie te geven over de situatie in Algerije. Op het moment dat Algerijnen en Marokkanen zich in de discussie mengen, zoals in Amsterdam en Utrecht het geval was, verandert de zaak. Sommigen van hen willen aantonen dat ze de situatie in Algerije beter kennen dan de andere bezoekers in de zaal en dan krijg je oeverloze discussies. Maar ja, het hoort bij het spel.
Sommige critici verwijten mij dat ik in het commerciele, westerse circuit ben beland nu mijn film in grote zalen gaat draaien. Waarom wil men in Europa dat cineasten uit de derde wereld zich louter op kleine festivals en in kleine zaaltjes laten zien? Waarom kunnen onze films niet in de normale bioscopen draaien? Ik wil dat de westerse pers bij mijn films dezelfde criteria gebruikt als bij een willekeurige Europese film. Dan heb ik er vrede mee als die filmcritici bepalen dat de personages in mijn films stereotiep zijn, zoals in Bab el-Oued City het geval zou zijn. Met dergelijke kritiek kan ik iets doen. Ik wil echter niet dat men zielig gaat doen, in de trant van: ach, dat is een cineast uit de derde wereld, laten we de film van die arme donder daarom maar tot meesterwerk uitroepen.’
'LANGE TIJD HEEFT men gedacht dat cineasten uit de derde wereld goed zijn zolang hun films geen publiek trekken. Dat probleem zie je vooral bij de Afrikaanse cinema. In Frankrijk roepen vier intellectuelen dat een bepaalde Afrikaanse film een klassieker is, de maker is in de wolken maar de zalen blijven leeg. Dat kan rampzalige gevolgen hebben voor de carriere van zo'n filmmaker.
Men heeft mij tevens verweten dat ik bewust voor een onderwerp als fundamentalisme heb gekozen, omdat dat het westerse publiek interesseert. Tijdens een interview met Migranten TV werd mij gevraagd voor wie ik de film heb gemaakt. Ik antwoordde dat ik de film voor mijzelf heb gemaakt. Toen ik het scenario schreef, had ik het grote publiek in Europa niet in mijn achterhoofd, had ik zelfs niet aan de mogelijkheid van een internationale coproduktie gedacht. Ik heb allereerst financiele steun gevraagd in Algerije, Tunesie en Marokko. Daarna heb ik mij pas op Europa gericht. Niemand in Europa heeft mij gevraagd het scenario aan te passen, om bijvoorbeeld het fundamentalisme in de film aan te dikken. Dat zou ik ook nooit accepteren. Nogmaals, ik maak de film in de eerste plaats voor mijzelf.
De omstandigheden tijdens het draaien van Bab waren voor mij volkomen nieuw, iets dergelijks had ik niet meegemaakt tijdens het maken van mijn vier eerdere speelfilms. Normaal gesproken is filmen een feest, maar nu kon ik me niet rustig installeren. De film moest in aller ijl worden afgemaakt, het materiaal moest gered worden. Ik was verantwoordelijk voor de veiligheid van de acteurs. Sommigen waren zo bang voor een aanslag dat ze plotseling niet meer kwamen opdagen. Het was vooral zeer frustrerend omdat ik voor het eerst de beschikking had over een normaal budget. Eigenlijk heb ik nauwelijks goede herinneringen aan de opnamen. De beste herinnering is het moment dat het materiaal naar Frankrijk ging.’
In 1976 bracht Alouache zijn eerste speelfilm, getiteld Omar Gatlato, uit. De film is, net als Bab el-Oued City, een kroniek van het dagelijks leven in Algiers. Voor veel Algerijnen was Alouache de belofte en de hoop van de Algerijnse cinema. Hij was de eerste die een speelfilm maakte over gewone Algerijnen. Daarmee doorbrak hij de onafgebroken stroom films over de burgeroorlog en de verworvenheden van de revolutie.
Alouache: 'In de jaren zeventig werden er in Algerije veel propagandafilms gemaakt over het succes van de revolutie, het slagen van de landbouw en de industrie. Er was een systeem van documentaires. Films op bestelling. Een staatsonderneming belt het bureau voor filmzaken. De cineast maakt vervolgens een filmpje van dertig minuten. De mensen in de film zijn goed gekleed en goed gevoed en gelukkig. Dat soort films heb ik altijd geweigerd te maken. Als zo'n propagandafilm voor een speelfilm werd getoond, verliet iedereen de zaal om even wat anders te gaan doen.
Ondanks het systeem was het vrij eenvoudig een film te maken. De machthebbers hadden namelijk een totale minachting voor filmers. Omdat zij ons minachtten, stoorden wij hen niet. Omdat wij enkel deernis opriepen en als minderwaardig werden beschouwd, hadden we redelijk veel bewegingsvrijheid. Dat gold ook voor schrijvers en andere kunstenaars. Nu worden ze vermoord omdat ze als de lakeien van het oude regime worden gezien, dat is de tragiek.’
'ZODRA DE financiering rond was, kon je ongestoord aan je film gaan werken. Het enige probleem was dat je door de bureaucratie slechts om de vijf jaar een film kon maken. Ik kreeg een pietluttig bedrag toen Omar Gatlato klaar was. Vervolgens werd de film goed verkocht in het buitenland, werd hij vertoond op festivals en buitenlandse televisiekanalen. Nooit werd mij echter verteld dat ik een goede of interessante film had gemaakt, nooit boden ze mij bijvoorbeeld twee procent van de totale opbrengst aan. Het enige wat ze zeiden was: als je je tweede film gaat maken, krijg je dezelfde problemen als bij de eerste. Het systeem in Algerije was erg intelligent. De Algerijnse cineasten verdronken in de bureaucratie. De papieren rompslomp vergde zo veel tijd, dat een filmer opgebrand en murw was op het moment dat hij aan zijn film kon beginnen. Met als gevolg dat hij niet meer zo strijdbaar was en dus ook minder kritiek op de overheid in zijn film stopte.
Met de censuur viel het wel mee. Hoogstens werd gesuggereerd dat bepaalde onderwerpen gevoelig lagen. Voordat Omar Gatlato werd uitgebracht, had een collega-cineast een film gemaakt waarin openlijk bier werd gedronken. Algerijnen zijn grote drinkers, maar dat terzijde. De autoriteiten bekeken de film en waarschuwden voorzichtig dat een dergelijke scene niet betamelijk was. Ze zeiden echter niet dat de scene uit de film moest worden geknipt. Dat heeft de filmer vervolgens zelf gedaan. In Omar Gatlato wordt ook bier gedronken, ik heb die scenes er gewoon in laten zitten. Knippen in een film is mijn taak niet, dat doet de censuur maar. En dat deden ze niet. De bewuste cineast kan dus niet zeggen dat hij gecensureerd werd, hij deed het namelijk zelf.’