Alice in het leven zelf

Asymmetrie van Lisa Halliday laat de eindeloze manieren zien waarop het zelf kan worden uitgerekt, ingekrompen en gefragmenteerd. Zoals Alice overkwam in Wonderland.

Lisa Halliday’s boek barst haast uit zijn voegen van intertekstuele verwijzingen en verbanden en patronen © Calogero Russo / The New York Times / HH

Ik vroeg me af of het me zou lukken een stuk over deze roman te schrijven zonder Philip Roth te noemen. Blijkbaar niet, maar mijn verlangen hem achterwege te laten kwam voort uit ergernis over de manier waarop Roth in de receptie van dit boek steeds opnieuw de maat der dingen bleek te zijn. Dat had te maken met twee zaken: het sterk op Roth lijkende personage dat het eerste en laatste deel van de roman domineert, en het onderhand algemeen bekende feit dat de inmiddels 42-jarige Lisa Halliday als twintiger een verhouding met hem had.

In een van zijn laatste interviews werd Roth gevraagd of hij de roman van zijn ex-geliefde had gelezen, waarop hij glimlachend zijn goedkeuring uitsprak en vervolgde: ‘She got me.’ Een beetje vaderlijk, een beetje trots, een beetje neerbuigend: helemaal in character. Het kwaliteitsstempel van de meester droeg ontegenzeggelijk bij aan de hype rond het boek. Roth-liefhebbers en voyeurs konden hun hart ophalen; Halliday werd geprezen om haar even liefdevolle als genadeloze portrettering van de grote schrijver, haar rothiaanse spel met werkelijkheid en fictie, dubbelingen en alter ego’s. Opvallend veel mannen in mijn omgeving prezen het boek uitdrukkelijk. Ze leken opgelucht eindelijk een vrouw te hebben gevonden met wie ze konden schermen, mochten ze (weer eens) bekritiseerd worden om seksistisch leesgedrag en blinde vlekken.

De lof is niet onterecht, en dat van dat rothiaanse spel ook niet onwaar, maar deze focus legt ironisch genoeg de vanzelfsprekende aannames bloot die de roman juist in vraag stelt. Aannames over wie spreekt en wie zijn mond houdt, over welke stemmen we autoriteit toekennen en welke niet, over wat de verhouding is tussen fictie en autobiografie. Veel meer dan een roman over een Roth-achtige schrijver – ‘she got me’ – is dit een roman over de emancipatie van een heel andere schrijver, minder luid en minder zichtbaar, minder man, zich subtiel openbarend via een reeks vermommingen en verdwijntrucs.

Asymmetrie is opgebouwd uit drie delen, die zich voordoen als respectievelijk een sleutelroman, een klassiek geëngageerde roman en de transcriptie van een radio-interview. De titel is er eentje in het genre leesaanwijzing: we moeten op zoek naar ongelijke verhoudingen, helften die niet elkaars spiegelbeeld zijn. Omdat de roman drie keer helemaal van vorm en toon verandert, is dat zoeken naar betekenis een voortdurend heen en weer gaan tussen de delen, die elkaar niet alleen aanvullen maar ook beïnvloeden. En hoe meer je heen en weer leest, hoe complexer het geheel wordt; het boek barst haast uit zijn voegen van intertekstuele verwijzingen, verbanden en patronen. Waarmee niet gezegd is dat, uiteindelijk, alles netjes in elkaar klikt: de puzzels zijn er evengoed om te frustreren, en verwachtingen bij te stellen.

Het roept, niet toevallig, de Victoriaanse nonsense-literatuur in herinnering, die bol stond van de spelletjes en raadsels die, via symboliek, grapjes en een overschot aan betekenis, de grens opzochten tussen logica en het verlies daarvan. Meester in dit genre was natuurlijk Lewis Carroll, die de wereld met zijn Alice-avonturen eindeloos voer voor interpretatie en speculatie gaf. Nu zijn er allerlei redenen om Asymmetrie te lezen als een soort hervertelling van Alice in Wonderland, zowel vanwege de overeenkomstige thematiek – verlies van onschuld, volwassen worden, het wankele gegeven van identiteit, de onbetrouwbaarheid en fragiliteit van het lichaam, gekte, dreiging, dood – als allerlei verborgen en minder verborgen clues in het boek.

Zo begint deel één, ‘Zotternij’ (Folly), met een variatie op de openingsalinea’s van Alice in Wonderland. Waar de Alice van Lewis Carroll niets begreep van boeken zonder plaatjes of gesprekken vraagt deze Alice, een 25-jarige redactieassistent in New York, zittend op een bankje in het park, zich af waarom het boek op haar schoot in godsnaam geen aanhalingstekens heeft. En waar de ene Alice loom overweegt of ze zich zal zetten aan het maken van een madeliefjesketting, daar vraagt deze Alice zich even loom af of ze ‘wie weet’ ooit eens een boek zal schrijven. Dan neemt er geen wit konijn maar een oudere man met ‘tingrijze’ krullen naast haar plaats, in wie ze onmiddellijk de wereldberoemde schrijver Ezra Blazer herkent. Wat ze leest, wil de meervoudige Pulitzerprijs-winnaar van haar weten. De daaropvolgende zondagmiddag keert Alice terug naar dezelfde plek, waar ze hem opnieuw treft. Op de derde zondagmiddag neemt hij een ijsje voor haar mee. ‘So. Miss Alice’, zegt hij. ‘Are you game?’ – waarbij de dubbelzinnige betekenis van dat ‘game’, zowel spel als prooi, me pas bij een tweede lezing opviel (in het Nederlandse ‘durf je het aan’ gaat dat helaas verloren).

Hij geeft haar een waterdicht horloge cadeau, Chanel-parfum, een winterjas met ganzendons, een airco

Zoals de ene Alice in het Wonderland terechtkwam na een lange val door het konijnenhol, zo neemt deze Alice een eindeloos lijkende lift omhoog naar het appartement van de schrijver. Ze praten wat, dan trekt hij haar naar zich toe. ‘Zijn vel was rimpelig en koel’, observeert Alice de broze oude man en het roofdier in één: ‘Zijn lippen waren zacht, maar dat was buiten zijn tanden gerekend.’

Aldus begint de asymmetrische verhouding tussen de jonge vrouw met schrijfambities en de oude rot in het vak. Hij schotelt haar meesterwerken uit de wereldliteratuur voor (passages van onder meer Camus, Arendt en Levi passeren de revue) alsook eindeloze hoeveelheden voedsel en drank: een koekje van de Columbus Bakery en een glas Knob Creek na het vrijen, gefilte fisj, Bulgaarse kaviaar, groene perziken, champagne, jamdonuts, pralinétaartjes, afhaalchinees. Hij geeft haar een waterdicht horloge cadeau, Chanel-parfum, een winterjas met ganzendons, een airco. Hij is het die het ritme bepaalt, door haar simpelweg nooit zijn nummer te geven: als hij haar belt ziet ze ONBEKEND NUMMER op haar scherm, en dit wordt zo vaak herhaald dat zijn identiteit hiermee begint samen te vallen. Ze vraagt hem niets maar wacht af: tot hij voorstelt dat ze eens blijft slapen, tot hij haar uitnodigt in zijn zomerhuis, tot hij een alias voor haar verzint voor de buitenwereld, inclusief valse visitekaartjes. (Er is veel te doen rond namen en aliassen in dit boek. Zo noemt Ezra Alice het liefst bij haar officiële naam, Mary-Alice, waar zij niets van moet hebben. Dat Mary is niet voor niets: bij Lewis Carroll wordt Alice op een gegeven moment per ongeluk Mary-Ann genoemd. Overigens heette Carroll zelf eigenlijk Charles Dodgson, en luidt de achternaam van Mary-Alice Dodge… nog niet gesproken over de Maddie in deel twee, wier naam bestaat uit Alice’s initialen, die op zich weer het woord ‘mad’ vormen).

Alice haalt op zijn verzoek medicijnen voor hem, desinfecterende handgel, speciale pindakaas en confituur en Häagen Dazs-ijs bij de nachtwinkel. Ze begeleidt hem naar het ziekenhuis. Omgekeerd zorgt hij ervoor dat ze bij de beste arts van New York terechtkomt als ze haar middenhandsbeentje breekt door een val. En is zij degene die hem uiteindelijk achterlaat, onvermijdelijk misschien: niets zo machtig als nog een heel leven voor je hebben.

Deel twee is grimmiger, getuige ook de titel: de zotternij uit het eerste deel is hier vervangen door ‘waanzin’ (madness) – het Wonderland laat zijn duistere kant zien. Het draait hier om Amar Jafaari, een Iraaks-Amerikaanse econoom (gepromoveerd op ‘risico-aversie’) die om onduidelijke redenen wordt vastgehouden op London Heathrow terwijl hij op doorreis is naar Koerdistan om zijn vermiste broer te zoeken. Waar de Irakoorlog in het eerste deel alleen als achtergrondruis op de radio bestaat, wordt die oorlog hier naar het centrum gehaald: het decor van Manhattan vervangen door een verwoest Bagdad; de schemerige tussenwereld van Ezra’s luxe-appartement door de liminale ruimte van het vliegveld.

We kunnen vermoeden dat dit verhaal afkomstig is uit de pen van Alice, die zich in deel één terloops afvraagt of het haar, als ‘voormalig koormeisje uit Massachusetts’ zou lukken ‘de zielenroerselen van een moslimman te vertolken’. Het is alsof ze hier, zoals die andere Alice, ‘through the looking glass’ is gegaan en op allerlei manieren in een vreemd gespiegelde werkelijkheid is terechtgekomen. Het eerste opvallende verschil in de vertelling is dat we uitgebreid toegang krijgen tot Amars innerlijk: waar we bij Alice minimale informatie krijgen over haar leven voor en buiten Ezra Blazer om, lezen we hier juist uitgebreide flashbacks, overpeinzingen en conversaties zonder aanhalingstekens.

Die zijn niet altijd even overtuigend; waar het eerste deel zich kenmerkt door een inventieve en effectieve show don’t tell-stijl, zijn de zinnen hier vaak vreemd stijfjes en formeel, en neigen de overpeinzingen (over God, gender, politiek, het verstrijken van de tijd) soms naar houterige clichés. De research sluimert er doorheen, zodat ik hier vooral een ijverige schrijver aan het werk zag die het bij het juiste eind wil hebben.

Of was dat juist de bedoeling? Laat Halliday hier zien dat het niet zo makkelijk is om over een werkelijk ander bewustzijn te schrijven dan dat van jezelf? Is het pijnlijk dat Amar, veel meer dan Alice of Ezra, vooral een projectiescherm blijft voor ideeën? En wat zegt dat over engagement, toe-eigening, dominantie?

In het laatste, korte, deel wordt Ezra Blazer opnieuw opgevoerd. Hij heeft net de Nobelprijs gewonnen, en schuift aan bij het klassieke (en erg goed gepasticheerde) bbc-radioprogramma Desert Island Discs. Op een gegeven moment zegt hij iets over de roman van ‘een jonge vriendin’, die lijkt te gaan over de ander, maar eerder een versluierd zelfportret is van de schrijver zelf. En inderdaad: als deze roman iets laat zien, is het de eindeloze manieren waarop dat zelf kan worden uitgerekt, ingekrompen en gefragmenteerd. Zoals Lewis Carroll dat al wist over zíjn Alice. Met het verschil dat dit geen kinderdroom is om uit te ontwaken, maar het wonder en de verschrikking van het leven zelf.