De retorica van New Labour

Alice in Labourland

George Orwell’s New Speak is onder Tony Blair bewaarheid geworden in Labour New Speak. Met de verzakelijking van de politiek heeft het verkopersjargon de debatten veroverd. Dit jargon – of deze bullshit – is veel subtieler dan de traditionele leugenachtigheid.

De Britten hoeven zich geen zorgen te maken over terrorisme. De regering is paraat: verantwoordelijke bewindslieden hebben een ‘legislative framework’ in het leven geroepen ‘to enable stakeholders to deliver the frontline measures’. Met de gezondheidszorg gaat het eveneens de goede kant op, zo meldde een minister: ‘We shall bear down just as hard on the patient journey as on the treatment part of the patient journey.’ Voor alle duidelijkheid: die patiëntreis staat voor ‘wachtlijst’, net zoals een vliegtuigpassagier tegenwoordig ‘self-loading cargo’ is, een sterfgeval in een ziekenhuis een ‘negative patient outcome’ en een scholier een ‘untapped resource’.

Zelfs koningin Elizabeth krijgt met de semantische bewolking te maken. Haar troonredes zitten vol jargon, bedacht door de ‘blue sky thinkers’ van Downing Street. De majesteit ploegt zich jaarlijks moedig door ‘a dynamic, knowledge-based economy’, ‘transparency’, ‘providing people with the opportunities to liberate their potential’ en ‘meeting the challenges of the new millennium’.

Bezoekers van het Britse parlement worden getrakteerd op colleges New Labour Speak, de hedendaagse variant van de New Speak uit George Orwell’s 1984. Simon Hoggart, die in The Guardian sketches over parlementsdebatten schrijft, heeft zich gespecialiseerd in New Labour Speak. In zijn bundel The Hands of History heeft deze taal zelfs een aparte vermelding in het register onder ‘jargon and obfuscation’, jargon en vertroebeling. In zijn sketches geeft Hoggart vertalingen. Zo betekent ‘improved delivery’ volgens hem: ‘als we maar lang genoeg wachten lost het probleem zich misschien vanzelf op’.

Over obscuur taalgebruik heeft Orwell kort na de Tweede Wereldoorlog het essay Politics and the English Language geschreven. Hierin stelt hij dat politici taal gebruiken om hun eigen gedachten achter te verbergen, in plaats van hun gedachten te uiten. Het rookgordijn bestaat uit betekenisloze woorden, algemene termen, eufemismen, negatieve formuleringen en kruiwagens vol komma’s. Politieke taal is, zo schreef Orwell, ontworpen om leugens waarachtig te doen klinken en moord respectabel, en pure wind solide te doen lijken. Orwell’s pleidooi past in een typisch Britse traditie van helder, elegant taalgebruik. De polemist Christopher Hitchens, auteur van Orwell’s Victory, heeft Orwell postuum benoemd tot erelid van zijn ‘united front against bullshit’.

Het idee dat de simpelste boodschap de meest krachtige is, staat lijnrecht tegenover het obscure taalgebruik van Duitse en Franse denkers, waarbij namen als Martin Heidegger, Maurice Blanchot en Gilles Deleuze al snel opduiken. Het is geen toeval dat laatstgenoemde heeft geschreven over Lewis Carroll’s Alice in Wonderland, een boek dat draait om het verschil tussen ‘zin’ en ‘onzin’. Alice is de enige die normaal denkt, of dat althans tracht te doen. Voor de rest is iedereen er gek, zoals de Cheshire Cat opmerkt. Waar Deleuze zich aangetrokken voelde tot de Nonsense, het centrale thema in het boek, daar was het voor Carroll bedoeld als een parodie op de Victoriaanse tijd waarin hij leefde.

De thema’s uit Alice in Wonderland en Alice in Spiegelland duiken regelmatig op in het publieke debat, zeker waar het de politiek aangaat. In de Britse pers werden de parlementsverkiezingen van 2005 gezien als een keuzemogelijkheid tussen de broertjes Tweedledum en Tweedledee, oftewel tussen twee partijen die amper van elkaar te onderscheiden zijn. Humpty Dumpty’s opmerkingen ‘Als ik een woord gebruik, dan betekent het alleen wat ik wil dat het betekent – niet meer en niet minder’ en ‘De vraag is in hoeverre je ervoor kunt zorgen dat woorden een andere betekenis krijgen’ worden vaak in verband gebracht met het denken van voormalig premier Tony Blair, wiens grijns ook nog eens gelijkenissen vertoont met die van de Cheshire Cat.

Blair’s leraar Bill Clinton kent overigens ook zijn Humpty Dumpty. Tijdens de Lewinsky-affaire zei hij onder meer: ‘It depends upon what the meaning of the word “is” is’, wat weer doet denken aan hetgeen Freddie Ayer, de koning van de Britse taalfilosofie, ooit over Jean-Paul Sartre zei. Hij vergeleek de logica van de Franse filosoof met die in Alice in Wonderland, om tot de conclusie te komen dat het probleem lag in het verkeerde gebruik van het werkwoord ‘zijn’.

De geest van Alice waart ook rond in de boeken van bbc-journalist John Humphrys. In Lost for Words: The Mangling and Manipulating of the English Language en Beyond Words: How Language Reveals the Way We Live Now hekelt hij zowel slordig als obscuur taalgebruik. Dagelijks moet hij zich – als presentator van het ochtendradioprogramma Today – voor dag en dauw een weg banen door een rookgordijn van ‘challenging partnerships’, ‘hard-edged self-valuations’ en ‘real-world outcomes’. Hoe vaker de bezoekers uit Alice in Labourland het woord ‘clearly’ gebruiken (het liefst met de bijvoeglijke naamwoorden ‘really’, ‘crystal’ of ‘very’), zo is de ervaring van Humphrys, hoe wolliger hun verhaal meestal is. ‘Ik ben bang’, schrijft hij in Lost for Words, dat we terug zijn in de wereld van Alice en Humpty Dumpty – meer dan ooit zelfs. Wanneer niemand deze onzin begrijpt, behalve dan de punthoofden die het op papier hebben gezet, kan iedereen er zelf een betekenis aan geven.’

Volgens de taalsocioloog Norman Fairclough (in New Labour, New Language?) heeft het holle taalgebruik ermee te maken dat de inhoud is vervangen door de presentatie. Dat verklaart ook de obsessie met de pers en de prominente rol van spindoctors die hun Berkeley kennen: esse est percipi, zijn is waargenomen worden. De Ierse filosoof doelde op God; New Labour doelt op de media.

Hoewel Blair een ‘Big Conversation’ met de mensen aan wilde gaan, was het concept ‘dialoog’ vervangen door ‘promotie’, de ‘kiezer’ door de ‘consument’. Vanwege dat laatste hebben veel overheden dan ook geen afdeling voorlichting meer, maar een klantenservice.

Soms had obscuur taalgebruik tot doel om te verbergen dat er helemaal geen beleid was, meestal werd het ingezet om zaken waarvan peilingen uitwezen dat ze niet populair waren een vriendelijk voorkomen te geven. Negatieve woorden werden vervangen door een eufemisme. Een bejaarde werd een ‘senior citizen’, privatisering ‘reform’, zwakte een ‘skills gap’, geannuleerd ‘redated’, armoe ‘social exclusion’, vrije markt ‘economic efficiency’ en een ‘schoolverlater’ een ‘avonturier’. Niemand mocht zich gekwetst voelen. In zijn boek Why Do We Fear Freedom? noemt de socioloog Frank Furedi dit een uitvloeisel van de heersende angstcultuur, angst om de waarheid te spreken of te horen te krijgen, angst om iemand te kwetsen, angst om risico te nemen.

Het ogenschijnlijke succes van New Labour was gebaseerd op een linguïstische aromatherapie: de partij heeft alle woorden, uitdrukkingen en beelden gebruikt die de kiezers zich goed, veilig en optimistisch deden voelen. Hoera-woorden verspreidden zich als een virus door het publieke debat: diversiteit, transparantie, sociale cohesie, inclusiviteit, het toevoegen van waarde en aandeelhouderschap. Maar wat betekenden ze?

Neem het woord ‘diversiteit’. Met het vieren van diversiteit zeggen politici via een omweg dat de maatschappij geen specifieke waarden bezit die kunnen worden gevierd. Diversiteit heeft geen intrinsieke politieke of morele betekenis. Het representeert geen wereldbeeld noch voorziet het de maatschappij van een doel of een toekomstvisie. Diversiteit voorziet toch vooral in een retorische strategie waarmee de uitdaging om te omschrijven waar de maatschappij precies staat omzeild kan worden. Blair gebruikte de retorica niet alleen om het feit te verduisteren dat hij geen groot idee had, hij gebruikte haar ook om te verhullen dat hij geen klein idee had. Zijn stijl was die van Max Webers charismatische leider wiens woorden – ‘vrijheid’, ‘gemeenschap’, ‘keuze’ – zo heilig klonken dat elke zin waarin ze stonden axiomatisch werd. Er was geen debat, slechts zelfpromotie. Critici werd doorgaans de mond gesnoerd met het retorische: ‘Willen jullie soms de Conservatieven terug?’, een variant op: ‘Kameraden, jullie willen toch zeker niet dat Jones terugkomt?’ uit Orwell’s Animal Farm.

Blair’s opvolger Gordon Brown is wat minder bedreven in de retorica, wat hij compenseert door een beperkt assortiment aan kernwoorden obsessief te herhalen. Dat doet denken aan een liedje uit Alice in Wonderland waarin de Mock Turtle onder meer zingt:

Soup of the evening, beautiful Soup!

Soup of the evening, beautiful Soup!

Beau–ootiful Soo–oop!

Beau–ootiful Soo–oop!

Soo–oop of the e–e–evening,

Beautiful, beautiful Soup!

Met de verzakelijking van de politiek heeft het verkopersjargon de politieke debatten veroverd, op een wijze die Orwell niet voor mogelijk had gehouden. Hierover heeft de Amerikaanse filosoof Henry Frankfurt in de jaren tachtig het boek On Bullshit geschreven. Bullshit heeft te maken met enthousiasme, energie en intimidatie, in plaats van ideeën op basis van kennis of logisch denken. Het gebruik van jargon of bullshit is veel subtieler dan routineuze leugenachtigheid, een fenomeen dat zo oud is als de politiek zelf en dat teruggaat tot Plato’s ‘nobele leugen’ zonder welke de maatschappij in elkaar zou storten. ‘Bullshit is ingebouwd in de taal zelf’, beweert schrijver en Douglas Adams-biograaf Nick Webb in The Dictionary of Bullshit: ‘Het druppelt onze geestelijke processen zo diep binnen dat ons gevoel dermate wordt vervaagd dat we niet meer helder kunnen denken. Woorden zijn niet alleen labels bij objecten: ze voorzien in een vorm waarin we onze waarnemingen van de wereld gieten. De gebruikers van bullshit misleiden anderen, maar niet voordat ze zichzelf hebben misleid.’

Dat is tevens de strekking van het boek The Rise of Political Lying van de parlementair journalist Peter Oborne. Daarin beweert hij niet dat politici liegen, maar dat ze de waarheid verduisteren of een eigen waarheid construeren. Binnen New Labour leefde, zo schrijft Oborne, de overtuiging dat de waarheid geen objectief, maar een subjectief gegeven is. Hij ontwaarde een directe lijn van Michel Foucault via Richard Rorty naar Downing Street. Immers, de postmodernen beweerden dat de waarheid niet kenbaar was, met als gevolgtrekking dat er uiteindelijk geen stabiel onderscheid kon bestaan tussen waarheid en leugen. ‘Ik weet alleen wat ik geloof’, zo vatte Blair zijn denken samen. Dit idee staat haaks op het idee van een te verifiëren realiteit, dat zo belangrijk is voor het Angelsaksische empirisme. Voor Foucault was waarheid niets meer dan het effect van de regels binnen een vertoog en elk vertoog bezat een zelfde geldigheid. Waarheid, zo beargumenteerde hij, was het effect van machtsrelaties, de uiting van overheersing, zowel op seksueel en economisch als ook op politiek gebied.

De New Labour-intellectueel Charles Leadbeater – medeschepper van Bridget Jones – was geïnspireerd door deze analyse. Voor hem ging politiek uiteindelijk om het construeren van vertogen waar de mensen iets mee kunnen: verhalen die vorm geven aan hun identiteiten, ambities en angsten.

Het begrip ‘vertoog’ zou gemeengoed worden binnen de nieuwe politieke klasse. In het Hogerhuis verklaarde de socioloog Lord Dahrendorf, voormalig hoofd van de London School of Economics, dat de Derde Weg een ‘vertoog’ was: ‘Het is een vertoog in de zin dat het bedoeld was om een groot verhaal te maken, dat bestaat uit de verschillende en diverse takken van regeringsbeleid. Zulke grote verhalen zijn zeldzaam. Ik spreek niet over de heel grote verhalen zoals communisme en fascisme. Ik spreek over een daaropvolgende fase – de grote nationale verhalen.’ Het voornaamste nationale verhaal bestond, zo legde hij vervolgens uit, uit de verzorgingsstaat van Clement Attlee en de vrije markt van Margaret Thatcher. Socialisme maar ook kapitalisme.

De toe-eigening van de taal door een politieke stroming was iets nieuws in Groot-Brittannië en leverde soms boeiende botsingen op in het Lagerhuis. Toen Gordon Brown als schaduwminister van Financiën gewag maakte van de ‘post neo-classical endogenous growth theory’ riep de Conservatief Michael Heseltine: ‘It’s not Brown’s, it’s balls!’, een referentie aan Brown’s adviseur Ed Balls. Die reactie vat de argwaan tegen New Labour Speak bondig samen.

Het esoterische jargon reflecteert de overtuiging dat er nu eenmaal zaken zijn die gewone mensen niet kunnen begrijpen. De vorming van deze nieuwe klasse is de definitieve overwinning van de professional op de amateur. Voor laatstgenoemde was politiek meer een hobby of een kwestie van overtuiging, of allebei. Deze achtergrond uitte zich in helder taalgebruik, een afkeer van jargon en een vrijheid van spreken. Helder taalgebruik weerspiegelt de oude traditie dat de taal eigendom is van de mensen.

Een voorbeeld is het Conservatieve kamerlid Alan Clark, die als staatssecretaris voor Werkgelegenheid ooit een ambtelijke tekst moest voordragen en daar niet in slaagde, hetgeen niet alleen te maken had met het feit dat hij de uren ervoor bij een wijnproeverij had doorgebracht. Hij maakte er geen geheim van dat hij zijn tekst haatte en sloeg willekeurige alinea’s over: ‘Sommigen in de Kamer begrepen waarmee ik bezig was, en vermaakten zich. Ik proefde ook een soort rusteloosheid in de Kamer. Ik versnelde. Ik mompelde. Helter-skelter galoppeerde ik door de tekst. Soms sloeg ik twee pagina’s tegelijk over, soms drie. Wat maakte het uit? Er zat geen enkele vorm in. Er was geen link tussen de ene en de andere bewering. Dit was de ultieme antithese van een aristotelisch patroon’, schreef hij naderhand in zijn dagboek. Een eigenzinnige politicus als Clark zou vandaag de dag hooguit als een reliek op de achterste rijen van het Lagerhuis mogen plaatsnemen en eventueel in de jury van de Humphrey Appleby-award voor de meest onbegrijpelijke toespraak.

De Engelse taal is een organisme dat langzaam evolueert, net als de rechtspraak, de common law. De Engelsen bezitten het vermogen om hun drukke, flexibele taal te veranderen, maar linguïstische evolutie door de mensen zelf is iets anders dan een linguïstische revolutie zoals deze in het laatste decennium van bovenaf heeft plaatsgevonden in de volksvertegenwoordiging. Op papier vertegenwoordigen politici het volk, maar zodra ze hun mond opentrekken lijken ze in een parallel universum te leven. Een paar jaar geleden besloot het parlement de aanwezigen op de publieke tribune niet langer aan te duiden als ‘strangers’. En dat terwijl de bezoekers zich er meer dan ooit een vreemdeling voelen.