Alice in Werkland

ALAIN DE BOTTON
ODE AAN DE ARBEID
Uit het Engels vertaald door Jelle Noorman
Atlas, 352 blz., € 22,95

Aan het einde van de pier staat een groepje mannen, gekleed in plastic regenkleding, hun voeten in laarzen met dikke zolen. Ze turen zwijgend en geconcentreerd over de rivier, wachtend op een schim, die ze, dankzij de dienstregeling die ze nagenoeg uit hun hoofd kennen, identificeren als de Grande Nigeria, een schip dat op weg is naar Lagos, het ruim vol Ford-onderdelen voor de Afrikaanse markt. De scheepsspotters, want dat zijn ze, bewonderen de varende gevaarten zonder praktisch doel: ze willen alleen maar bewonderen. Misschien is hun toewijding het best te vergelijken met de attitude van de kunstliefhebber, alleen is hun volhardendheid vele malen groter. Uren staan ze in de stromende regen, geen trendy museumrestaurant en geen cadeauwinkel in de buurt. Hoeveel mensen zouden dat voor een aanblik van Rembrandts Hendrickje Stoffels, badend in een rivier overhebben?
De scheepsspotters worden opgevoerd door Alain de Botton in zijn zojuist verschenen boek Ode aan de arbeid. Ze staan symbool voor hoe de meeste aspecten van het werk een nauwelijks opgemerkt bestaan leiden. We zijn bereid de meest weggemoffelde kerken in Venetië op te sporen, maar besteden hoegenaamd geen aandacht aan schepen, havens, fabrieken, waar weliswaar geen duidelijke bewegwijzering naartoe leidt, maar die heel wat minder verstopt zijn. Die onzichtbaarheid, stelt De Botton, is het resultaat van een ongegrond vooroordeel: voor de wereld van de arbeid hoeven we geen overdreven bewondering te koesteren.
Dat vooroordeel gaat De Botton in zijn boek te lijf, en wel op de manier van de kersverse bekeerling. Hij zingt meteen maar de lof van het meest onwaarschijnlijke. Een cluster van 25 imposante grijze loodsen, van het soort dat in alle geïndustrialiseerde naties het landschap verrommelt, weigert hij onomwonden lelijk te noemen. Het logistieke centrum heeft namelijk ‘de wanstaltige, zielloze, onberispelijke schoonheid die kenmerkend is voor zoveel werkomgevingen in de moderne wereld’. Hij gaat wandelen met een van de medeoprichters van de Pylon Appreciation Society, die tochten langs hoogspanningslijnen organiseert, en probeert uit alle macht van de hoogspanningsmasten te genieten als van museale sculpturen. Het kolossale kantoorgebouw van een van ’s werelds grootste accountancyfirma’s, met een reeks verdiepingen die ogenschijnlijk tot de hemel reikt, vergelijkt hij met de kathedraal van Chartres.
Premoderne reizigers hadden vaak bijzondere belangstelling voor aquaducten, graanschuren, havens en werkplaatsen, omdat de werkende mens even inspirerend kon zijn als een toneelvoorstelling of een fresco op een kerkmuur. Op een beurs voor uitvinders droomt De Botton overmoedig van een nieuw soort reisonderneming – een gat in de markt! – die toeristen rondleidt door industriegebieden in plaats van door musea.
Zijn boek is zo’n reis, en de vraag is of je hem naar die barre oorden wilt volgen.

De Zwitserse, in Londen woonachtige schrijver Alain de Botton (1969) heeft het patent op boeken waarin hij lichtvoetig essayeert over alledaagse thema’s die een ieder aangaan. In zijn debuut Essays in Love (1993), een speelse kruising tussen een autobiografische roman en een filosofische verhandeling, schrijft hij meeslepend over wat de Engelsen kernachtig falling in and out of love noemen. En passant vraagt hij zich af of je in de fase van de eerste verliefdheid wel eerlijk kunt zijn, waarom we het meest begeren wat we niet hebben en waarom, als we eenmaal een steady relatie hebben, het Romantische heimwee toeslaat en we beginnen te denken aan de mogelijkheid van een ander liefdesleven. Voor How Proust Can Change Your Life (1997) heeft De Botton de vorm van het zelfhulpboek gekozen. Praktische kwesties als: hoe kun je meer genieten van een vakantie, hoe ben je een goede vriend en hoe kies je een goede arts gaat hij met het werk van Proust te lijf. In The Consolations of Philosophy (2000) zet hij uiteen hoe je impopulariteit met behulp van Socrates kunt verdrijven, hoe Epicurus ons bij kan staan bij geldgebrek en hoe Schopenhauer het beste medicijn is tegen hartzeer.
De Botton manifesteerde zich, kortom, onmiddellijk als een originele en charmante schrijver, die de grote levensvragen behandelt zonder ooit pompeus te worden. Zijn beproefde vorm, die van het filosofische doe-het-zelfboek, is parodistisch en diepzinnig tegelijk. Dat maakt ook dat zijn werk niet alleen populair is – het wordt in dertig talen vertaald – maar evenzeer verwarring sticht. Hij bedrijft, vinden zijn criticasters, niet meer dan filosofie-light. Zijn bewonderaars vinden juist dat hij een eeuwenoud idee – dat filosofie troost kan verschaffen – een nieuwe draai geeft en veel klassieke denkers en schrijvers bij een jonge generatie introduceert. Of zoals collega-schrijver John Banville het verwoordt: ‘Filosofie is de nieuwe rock-’n-roll en Alain de Botton is zijn Tom Parker.’
Voor alle duidelijkheid: ik behoor tot de bewonderaars.
Maar nu is er Ode aan de arbeid, en heeft De Botton de how to-vorm losgelaten. Hij is de deur uit gegaan, op zoek naar wat zich in de onzichtbaarheid, dat wil zeggen in loodsen, fabriekshallen, glimmende kantoortorens en beurszalen afspeelt. Het boek bestaat uit tien lange reportages over uiteenlopende onderwerpen als een koekjesfabriek in Wallonië, een vliegtuigkerkhof en een distributiecentrum. Hij volgt de tonijn uit de opslagloodsen terug naar de Malediven, gaat op stap met een eigentijdse handelaar in lucht: de loopbaanadviseur, en laat zich op de uitvindersbeurs toelichten over de chipsreep (handig: de losse chipjes vormen zo een compacte massa) en schoenen waarmee je over water kunt lopen.
Omdat hij voor het minst tot de verbeelding sprekende werk heeft gekozen en omdat het is alsof hij zich hardnekkig heeft voorgenomen zijn montere nieuwsgierigheid niet te laten varen, gaan de verhalen allengs meer vervelen. Hij is als Alice in Werkland, en het is daar maar een saaie boel. Hij mag dan lyrisch schrijven dat de knapste koppen hun beroepsleven doorbrengen met het vereenvoudigen of versnellen van buitengewone handelingen – ‘ingenieurs schrijven dissertaties over de snelheid van scanmachines, en bedrijfsadviseurs wijden hun carrières aan minieme beperkingen van het aantal bewegingen dat vakkenvullers en vorkheftruckbestuurders moeten maken’ – maar je kunt die lyriek niet navoelen.
Natuurlijk stelt Alain de Botton, net als in zijn andere boeken, een aantal wezensvragen. Waarom, bijvoorbeeld, zijn wij alom de mening toegedaan dat werk ons gelukkig moet maken? Waarom bepaalt onze baan in zo grote mate onze identiteit? Volgens Aristoteles stelde alleen een eigen vermogen en een leven zonder verplichtingen mensen in staat om de geneugten van filosofie en muziek te leren kennen. Werken voor geld maakte je tot de gelijke van een slaaf of dier; lichamelijke arbeid leidde tot psychische deformatie. Het was een opvatting die twee millennia standhield. Nu doet het omgekeerde opgeld: wat niks oplevert, kan ook niks zijn. Taken waar geen honorarium tegenover staat zijn hobbyisme.
Het is een belangwekkend thema, onze identificatie met ons werk. Maar anders dan in zijn eerdere boeken komt De Botton ditmaal niet in de buurt van een antwoord. Krampachtig probeert hij een leven gewijd aan, zeg, verpakkingstechnologie of merkenmanagement waardenvrij tegemoet te treden. Heel soms laat hij zijn Alice-pose varen. Bijvoorbeeld als hij overvallen wordt door grote somberheid wanneer hij te maken krijgt met een promotiemedewerker die maanden heeft gestoken in het ontwikkelen van gratis stickers voor bij een pak koekjes. ‘Waarom’, verzucht De Botton, ‘hadden volwassen mensen hun verantwoordelijkheden op zo’n weerzinwekkende wijze laten varen? Waren er geen belangrijker idealen na te streven voordat aan de einder de man met de zeis in zijn zwarte cape opdoemde?’
Met dit soort losse opmerkingen trekt De Botton de inzet van zijn Ode aan de arbeid als een tapijt onder de voeten van de lezer vandaan. Want ook al betitelt hij het onzinwerk van de promotiemedewerker als een overlevingsstrategie, ‘niet minder waardig en eerbiedwaardig dan de zwijnenjacht waarvan het welslagen ooit van levensbelang moet zijn geweest voor een hele primitieve gemeenschap’, je gelooft hem niet meer. Honderden pagina’s word je van hot naar her gesleept door een schrijver die je, vrij naar Gerard Reve, steeds opgewekt toeroept: ‘Kijk, hier werken ook mensjes!’ Maar aapjes kijken blijft het, geen van de passanten in het boek wordt werkelijk mens, niemand roept compassie op.
Dat komt omdat het hele boek een neomarxistische sfeer uitademt, terwijl dat neomarxisme nergens goed wordt geëxpliciteerd, laat staan dat De Botton er werkelijk een intellectuele verstandhouding toe probeert te vinden. Want hoe neutraal hij al die moderne vormen van werk ook beschrijft, en hoe bewonderend hij ook is over de vernuftige logistiek van ons distributiesysteem of de toewijding van accountants voor de kleinste cijfertjes, bij de lezer blijft één gevoel hangen: vervreemding. Ons werk is, door verregaande arbeidsdeling, zo gespecialiseerd dat we niet meer zijn dan een radertje in een grote machine. Het gevolg: vervreemding. De Bottons lofzangen op de moderne arbeid zijn dan ook vooral dubbelzinnig: terwijl hij het voor hem meest wezensvreemde met enthousiasme probeert te beschrijven, proef je overal de nostalgie naar werk dat uiteindelijk wél zinvol is. Alsof hij zichzelf telkens voorhoudt: ‘Il faut être moderne’, terwijl in zijn borstkas zijn conservatieve hart klopt.
Die spanning tussen het moderne streven naar efficiëntie en het aloude verlangen naar ambachtelijke ‘heelheid’ had een interessant boek kunnen opleveren, maar omdat De Botton zo aan de oppervlakte blijft, ga je je ook steeds meer ergeren aan de clichés waar Ode aan de arbeid van vergeven is. Zoals de scène waarin Mark, een van de partners van de accountancyfirma, luncht met een potentiële klant, waarbij Guilherme, 42 en afkomstig uit het zuiden van Brazilië, de linguine met krab en tonijnsteak met rösti opdient. Mark kost je vijfhonderd pond per uur; Guilherme is voor slechts zeven pond beschikbaar – een verschil ‘dat niet alleen kan worden verklaard door de geschiedenis en respectieve welvaart van de geboortelanden van de twee mannen’. Vele maanden later is de dure klant binnengehaald dankzij kaartjes voor Così fan tutte, en is Guilherme het land uitgezet omdat zijn visum is verlopen. Zelden een voorspelbaarder anekdote gelezen.

Voor een werkelijke ode aan de arbeid kun je beter De ambachtsman lezen, de veelzijdige verhandeling van de Amerikaanse socioloog Richard Sennett, dat een aantal maanden geleden verscheen. Ook bij Sennett, die eerder een aantal kritische boeken schreef over wat hij de cultuur van het nieuwe kapitalisme noemt, is de nostalgie te vinden. Hij schrijft gloedvol over het vakmanschap dat te vinden was in de werkplaats van vioolbouwer Stradivarius, bij de middeleeuwse gilden, de Romeinse stenenmakers en de papiermakers in het Parijs van de Verlichting. Sennett denkt evenwel niet dat ambachtelijkheid is uitgestorven in de westerse wereld. Koken, musiceren en het opvoeden van kinderen vragen om vakmanschap en hoewel Sennett veel modern flexibel werk verafschuwt, ziet hij ook ambachtelijkheid bij het softwaresysteem Linux en doet de organisatie van de mobiele telefoonfabriek Nokia hem denken aan de regels binnen Benedictijnse kloosterorden. Waar De Botton vrijwel alle vormen van modern werk als vakmanschap lijkt te zien, omdat het nu eenmaal gepaard gaat met geavanceerde technologie, is Sennett veel specifieker. Zoals in de vergelijking van de computerprogrammeurs van Linux met de bouwers van de middeleeuwse kathedralen, vanwege de delicate manier van samenwerken en de vaardigheden die zijn vereist.
Bij Sennett is ook een deel van de antwoorden te vinden die je bij De Botton tevergeefs zoekt. Waarom vinden wij dat ons werk ons gelukkig moet maken? Omdat het kán, geluk vinden in je werk. En dan niet, zoals veel 3.0-feministen lijken te denken, omdat je de top van de apenrots hebt bereikt. Want een toppositie is, of je nu man of vrouw bent, een zeldzame verworvenheid, terwijl vakmanschap voor bijna iedereen bereikbaar is. Het perfectioneren van onze vaardigheden, het verlangen naar toewijding en de dingen goed te doen, is, volgens Sennett, in ieder van ons aanwezig. Ambachtelijkheid, het plezier om iets te maken vervult ons met trots. ‘De vakman’, schrijft Sennett, ‘vertegenwoordigt de bijzondere menselijke toestand van betrokkenheid’. Juist die betrokkenheid schenkt ook geluk.

Richard Sennett, De ambachtsman: De mens als maker. Uit het Engels vertaald door Willem van Paassen, Meulenhoff, 367 blz., € 24,90