12 januari 1923 - 14 april 2010

Alice Miller

Psychoanalytica Alice Miller zag elke vorm van ouderlijke machtsuitoefening als fataal voor een gezonde psychische ontwikkeling. Daarom brak ze met Freud, die de verhalen van patiënten over seksueel misbruik naar het rijk der fabeltjes verwees.

Haar dood haalde de Nederlandse kranten niet eens. Ze was ook al in kleine kring begraven toen haar Duitse uitgever een persbericht over haar overlijden de wereld instuurde, maar merkwaardig blijft het dat de Nederlandse pers niet stilstond bij het verscheiden van psychoanalytica Alice Miller, schrijfster van therapeutische bestsellers als Het drama van het begaafde kind en Gij zult niet merken. Het is vooral ook vreemd omdat de thematiek van haar werk - kindermishandeling - na de miljoenenverkoop ervan in de jaren tachtig alleen maar actueler is geworden. Van het misbruik door rooms-katholieke priesters tot het verbod op de pedagogische tik, van het plan van opvoedcursussen voor álle ouders tot de komst van een kinderombudsman - men is er tegenwoordig van doordrongen dat je een ongelukkige kindertijd een leven lang met je meedraagt.
Het was dr. Alice Miller die er onvermoeibaar op wees dat vrijwel alle menselijke problemen konden worden teruggebracht tot het machtsmisbruik van ouders. Vernedering, slaag, oorvijgen, bedrog, seksuele uitbuiting, spot, intimidatie, psychologische druk, verwaarlozing - het waren voor haar evenzoveel vormen van mishandeling, omdat ze het kind in zijn waardigheid aantasten. Het grote probleem van kindermishandeling is, volgens haar, dat de gevolgen vaak niet zichtbaar zijn, omdat kinderen de woede op hun folteraars onderdrukken. Pas als ze volwassen zijn uit de onderdrukking zich in depressies, verslaving en geweld. En daarmee is kindermishandeling niet alleen een probleem voor het gezin, maar voor de hele maatschappij. Geslagen kinderen krijgen met de paplepel ingegoten dat ze straf verdienen en uit liefde geslagen worden; het is dan ook vanzelfsprekend om zelf later ook geweld te gebruiken. Zoals een van Millers beroemdste uitspraken luidt: ‘In iedere nog zo verschrikkelijke dictator, massamoordenaar en terrorist steekt zonder uitzondering een zwaar vernederd kind, dat slechts door de absolute ontkenning van zijn gevoel de totale onmacht overleefd heeft.’
Voor het trekken van grote lijnen schrok Miller niet terug. Ze onderzocht de jeugd van Adolf Hitler, van Christiane F. en Jürgen Bartsch en wist, achtereenvolgens, genocide, drugsverslaving en moord feilloos tot hun miserabele ouders terug te brengen. Ze gebruikte graag biografieën van historische figuren om haar algemene these te verhelderen dat iedere destructieve geesteshouding valt te herleiden tot lichamelijke of psychische mishandeling. Zo maakte Virginia Woolf een eind aan haar leven omdat ze uit de geschriften van Freud leerde dat het misbruik uit haar jeugd op fantasie berustte; moest James Joyce verschillende malen aan zijn ogen worden geopereerd omdat hij niet wilde zien dat zijn vader een gewelddadige dronkenlap was; en stierf Franz Kafka aan de gevolgen van tbc omdat zijn moeder zijn Brief an den Vater niet doorgestuurd had. In het Duits bestaat hier een mooi woord voor: Deutungsmonismus. Miller was zo monomaan dat ze haar stellingen overal bevestigd zag.
In haar eerste boek, Het drama van het begaafde kind uit 1979, is die betrekkingswaan afwezig. Het sloeg in als een bom. Het was eigenlijk nogal stug geschreven voor een bestseller, het leek in niets op de populaire how to-psychologieboeken van vandaag. Maar lezers herkenden zich in haar verhandeling over kinderen die zich bewust of onbewust aan de wensen van hun ouders aanpassen en daarbij hun eigen behoeften verloochenen. Dat 'begaafd’ in de titel was trouwens ook slim gekozen: als je toch ongelukkig bent, dan liever begaafd.
Alice Miller werd in 1923 in Lemberg, in het toenmalige Polen, geboren. Haar ouders karakteriseerde ze als een mislukte bankier en een huisvrouw, een 'rechteloos, door haar ouders en broers onderdrukt meisje’. Pas toen ze in de vijftig was en begon te schilderen 'ontdekte’ ze de waarheid over haar kindertijd: de wrede, strikte opvoeding door haar moeder en de incest die tot haar vierde plaatsvond. 'Nooit heeft ze zich verontschuldigd of op een andere manier haar spijt betuigd’, schreef ze later over haar moeder in De opstand van het lichaam. 'Ze stond altijd “in haar recht”. Het was die houding die van mijn jeugd een soort totalitair regime maakte.’
Ze bezocht de middelbare school in Warschau en studeerde daar in 1942 ook literatuurgeschiedenis en filosofie. Na de oorlog kreeg ze een beurs voor de universiteit van Basel, waar ze haar studie voortzette en promoveerde. Daarna specialiseerde ze zich in de freudiaanse psychoanalyse. In de loop van de jaren zestig werd ze sterk beïnvloed door de notie van 'zwarte pedagogie’, een term van de opvoedkundige Katharina Rutschky voor de autoritaire Duitse stijl van opvoeden. Miller ging nog een stap verder en zag elke vorm van ouderlijke machtsuitoefening als fataal voor een gezonde psychische ontwikkeling.
In de loop van de jaren tachtig brak Miller met Freud en stapte uit de Internationale Psychoanalytische Associatie. Freud verwees in zijn latere werk de verhalen van patiënten over seksueel misbruik naar het rijk der fabeltjes: de kinderlijke seksualiteit had een eigen, verborgen agenda. Miller, en zij niet alleen, was ervan overtuigd dat incest en kindermishandeling niets met verhitte kinderlijke fantasie te maken hadden. Haar afscheid van de psychoanalyse leek in niets op het 'stabiele vermogen om te rouwen’ dat ze zelf voorstond. Ze kuiste haar vroegere werk, schrapte verwijzingen naar psychoanalyse en sprak er voortaan met afkeer van.
Aan het eind van haar leven trok Miller zich steeds meer terug in haar huis in de Provence. Over haar leven liet ze niets los; haar twee kinderen waren haar best bewaarde geheim. Een paar dagen na de bekendmaking van haar dood liet haar zoon zich interviewen. Hij was, o ironie, geslagen in zijn jeugd. Door zijn vader, maar zijn moeder was daar als toeschouwer bij aanwezig geweest.