Allah slaapt nooit

Toen ik zeven jaar was, zette mijn vader me op de Koranschool. Om mij van het straatvoetbal weg te houden en mij tot de koran te brengen. Op de Marokkaanse Koranschool leer je de koran (zestig hoofdstukken) uit je hoofd. Duizend keer heen en weer buigen over je tekst, terwijl je hem hardop leest, zo gaat dat. Op mijn vraag aan de fquih (meester) waarom al die buigingen, zei hij: ‘Het is goed voor Allah en voor je rug.’

In het dagelijks leven van ons gezin kwam het woord Allah veelvuldig voor. Je stond op in naam van Allah, je ontbeet in naam van Allah, je klom op je fiets in naam van Allah en ging ten slotte aan het eind van de dag in naam van Allah slapen. ‘Allah is overal’, zei mijn moeder. 'Hij heeft de wereld en de mensheid gemaakt en hij waakt altijd. Allah slaapt nooit.’ Wordt Hij dan niet moe? vroeg ik. Nee, zei ze, 'Allah wordt nooit moe.’
Ik stelde me Allah voor als een gezicht zonder lichaam: lang en grijs haar, mooie donkere ogen en een lange baard. Dit beeld nam ik ook mee naar de middelbare kostschool in Casablanca. Daar was in die tijd de leerstof nog steeds voornamelijk Frans georienteerd. In de vijfde klas hadden wij filosofie: Descartes, Montesquieu, Voltaire en Pascal. Daarbuiten circuleerden in onze groep ook de geschriften van Marx en Sartre. Uitspraken als 'Je pense, donc je suis’ van Descartes en 'La religion est l'opium des peuples’ van Marx maakten grote indruk. De discussies over het al dan niet bestaan van Allah barstten los. Sommigen, zoals Machouri, waren overtuigd 'communist’ geworden. Zij deden niet meer mee aan de ramadan (vastenmaand) en hadden mini- kookapparatuur aangeschaft om hun potje te koken zonder dat de rest van de school het merkte. Machouri vond ook dat als Allah bestond, Hij de koning moest bestraffen. Immers, de koning was Zijn officiele vertegenwoordiger maar deed niets voor de armen. Hij vervolgde: 'En in Rusland heb je geen bedelaars zoals in Marokko.’ Mijn rechtvaardigheidsgevoel werd gevoelig geraakt door Machouri’s vergelijking. Ik pareerde met de opmerking dat hij een argument zocht om van de ramadan af te komen. Maar ik wist dat het 1-0 voor hem was.
Later in het schooljaar trad ik in discussie met een Marokkaanse leraar. Ik zei: 'Ik zie zowel goede als slechte moslims. Kennelijk kan dat allemaal binnen een godsdienst.’ Hij antwoordde: 'Als je je ogen goed openhoudt, dan zie je in onze maatschappij rechtvaardige mensen maar ook corrupte mensen, prostituees maar ook imams, eerlijke mensen en hypocriete mensen naast elkaar leven. Zij beroepen zich allemaal op de islam en Allah. Maar als je in Allah gelooft dan ben je niet automatisch goed. Een goede moslim blijkt uit zijn daden en niet slechts uit zijn woorden.’
Dat sterkte mij; ik raakte mijn beeld van Allah niet kwijt maar nam wel afstand van het collectief. Sindsdien heb ik meer gelezen en gezien. Ook Rusland, in 1967. Ik kon inderdaad geen bedelaar vinden, maar wel corruptie. Sindsdien staat het 1-1 met Machouri.
In Nederland ben ik inmiddels met andere geloofsgemeenschappen in contact gekomen (christenen, joden) maar ook met humanisten en atheisten en mensen die 'niks zijn’. Hierdoor heb ik de absolute betekenis van mijn geloof leren relativeren maar ook de trots en waarde daarvan leren kennen in een samenleving waar de moslims bij tijd en wijle onder maatschappelijke en politieke druk staan. In mijn relatie tot Allah heb ik inmiddels alle intermediairs uitgeschakeld. Van Allah heb ik geen gezicht meer als beeld; Hij is een inspiratiebron voor solidariteit, moed, geduld en een groot Geweten.