Een luisterend oor voor radicale jongeren

Allah zegt: ‘En dood jullie zelf niet’

De Palestijnse Belg Montasser AlDe’emeh luistert naar moslimjongeren die overwegen naar het kalifaat af te reizen. Ze moeten hun eigen identiteit kunnen opbouwen. ‘Het is echt onzin om de jihadstrijders als slachtoffers van de maatschappij te zien.’

Medium 11 20donkerder

Twee weken verbleef Montasser AlDe’emeh (27) in Noord-Syrië in een villa met Belgische en Nederlandse jihadisten die zich hadden aangesloten bij het islamitische Jabhat al-Nusra, de Syrische afdeling van al-Qaeda. Terwijl de straaljagers van Assad overvlogen en granaten op enkele honderden meters afstand neerkwamen, sprak de Belgisch-Palestijnse wetenschapper met de jongeren over hun motivatie voor de strijd en hun keuze voor het leven in een islamitische maatschappij.

‘Een soort mini-Europa is het hier’, vertelden de Belgische jihadisten terwijl ze in het zwembad ‘lullopertje’ deden, een spel waarbij de man in het midden de bal moet zien te pakken die voortdurend wordt overgegooid. ‘We hebben een hechte band met de Nederlandse strijders. We zoeken hen regelmatig op.’ Langs de kant stonden de kalasjnikovs, zoals altijd binnen handbereik.

Een klein blond jongetje kwam aangehuppeld. ‘Dit is mijn zoontje’, zei Abu Salman, een Nederlandse bekeerde moslim. Het kind dook schichtig weg. ‘Als een angstige kat.’ Als hij ooit terugkeert naar Nederland, realiseerde AlDe’emeh zich, zal deze periode voor hem een traumatische jeugdervaring zijn. Of hij wordt hier opgeleid in al-Nusra-scholen als soldaat. De stoere gezelligheid, de vertrouwdheid van bekende accenten, de gemeenschappelijke ervaring van het als moslimjongere opgroeien in Vlaanderen; AlDe’emeh had er even schoon genoeg van.

In De jihadkaravaan, de autobiografie die hij schreef met de Belgische onderzoeksjournalist Pieter Stockmans, doet hij verslag van zijn bezoek aan Syrië. Voor zijn promotieonderzoek had hij op Facebook veel contact met Vlaamse jihadisten in Syrië en opeens kwam de vraag: ‘Waarom kom je niet hier?’ Een paar weken later was de reis geregeld, Turkije fungeerde toen nog als een doorgangshuis voor islamitische strijders. ‘Ze zullen ongetwijfeld gedacht hebben dat ze me konden rekruteren voor hun strijd’, vertelt hij in het centrum van Brussel. ‘Ik had in die tijd ook een lange baard, leek sterk op de doelgroep zodat ik gemakkelijk in contact kon komen.’

AlDe’emeh is modieus gekleed, de baard is inmiddels getrimd naar hipsterlengte. ‘In de religieuze teksten staat dat God barmhartiger is dan je moeder’, legt hij zijn persoonlijke geloofsfilosofie uit. ‘Stel dat ik na de dood voor God sta, denk je dan dat hij mij naar de hel stuurt omdat ik me niet aan een paar regels heb gehouden? Nee, dat zou mijn moeder nooit doen.’

Op een onverwacht moment kreeg hij een inzinking in Syrië, is in De jihadkaravaan te lezen. De jongeren vertelden elkaar langs het zwembad anekdotes over hun leven in België. ‘Mijn neefje zat in de basisschool in Antwerpen’, zei een van de aanwezigen, ‘het was Pasen en de juf had de leerlingen in twee groepen verdeeld. Een groep moslims, een andere groep niet-moslims. De niet-moslims kregen paaseieren, de moslims niet.’

Op het toilet van de villa laat AlDe’emeh zijn tranen de vrije loop. Ook op zijn school waren er geen paaseitjes voor moslims en bij de eerste communie kreeg hij als enige geen cadeautjes. ‘Het is als jong kind heel aangrijpend als je voor het eerst het gevoel krijgt anders te zijn. Je voelt je dan heel eenzaam’, verklaart hij het plotseling opkomen van zoveel emotie. Gelukkig was er een leerkracht die voor hem opkwam. ‘Hij sprak mijn juf daarop aan, vond het kleinzielig wat ze deed. Dat is dan zo ontzettend belangrijk, dat iemand het voor je opneemt.’

Toch moeten we vooral geen medelijden hebben met de Syrië-gangers, haast hij te benadrukken. ‘Natuurlijk is er discriminatie in België en Nederland, ik zal dat zeker niet ontkennen en ik heb dat natuurlijk ook zelf ervaren. Ik weet hoe het voelt om niet welkom te zijn, nergens bij te horen. Maar het is echt onzin om de jihadstrijders als slachtoffers van de maatschappij te zien. De jongens maken op een bepaald moment een zelfbewuste keuze, ze zijn ideologisch gedreven. Ze kiezen vol overtuiging voor de strijd, ze hebben zichzelf geradicaliseerd en geïndoctrineerd. Daar kun je de maatschappij niet de schuld van geven.’

Montasser AlDe’emeh werd geboren in een Palestijns vluchtelingenkamp in Jordanië en verhuisde op tweejarige leeftijd met zijn moeder en zusje naar België, waar zijn vader al (illegaal) verbleef. Zijn ouders waren in 1948 als kinderen gevlucht uit Sabbarin, een dorp dat nu in Noord-Israël ligt, en in 1967 moesten ze zich opnieuw uit de voeten maken toen de Zesdaagse Oorlog uitbrak.

In België groeide hij op in Baardegem, een dorp met nog geen tweeduizend zielen in de provincie Oost-Vlaanderen. Hier creëerde zijn vader rond hun huis een idyllisch mini-Palestina met schapen, koeien, kippen en zelfs vijgenbomen. Uit de tv stroomde echter de haat de huiskamer in. De tweede intifada, de Israëlische aanval op Gaza – de Arabische zenders brachten de conflicten bloedig in beeld. ‘Montasser, een aanslag!’ brulde zijn vader als Al Jazeera de zoveelste geweldsexplosie in een newsflash bracht. De jonge Montasser radicaliseerde, had aan de muren van zijn jongenskamer posters hangen van Palestijnse verzetsstrijders, Bobby Sands, Che Guevara en een naakte, gewapende Gudrun Ensslin.

In de bosjes achter zijn huis oefende hij alvast op een provisorische stormbaan voor de aanstaande strijd tegen Israël. Hij kocht bij een islamitisch winkeltje cassettebandjes met toespraken van geestelijk leiders die het Palestijns verzet verheerlijkten. Ze reciteerden koranverzen die in zijn geheugen gegrift werden: ‘Aan hen die bestreden worden is (de strijd) toegestaan omdat hun onrecht is aangedaan; God heeft de macht hen te helpen’ (Koran 22:39).

‘Vrienden uit Antwerpen zouden elkaar in de woestijn onthoofden omdat ze achter een andere leider aan lopen’

Hij raakte verslaafd aan de tapes van Suweidan, een televisieprediker uit Koeweit, net zoals jongeren nu die gebiologeerd naar jihadsites staren met de meest vreselijke beelden. ‘Ik voelde de pijn van mijn vader, de banneling die twee keer had moeten vluchten.’

In zijn boek beschrijft hij de kloof tussen twee gemeenschappen waarin veel moslimjongeren in België vallen. Ze voelen zich niet thuis in de Belgische samenleving en onbegrepen door de wereld van hun ouders. Zelf kan hij zich levendig herinneren hoe hij de schooldag na 9/11 als enige moslim in de klas ter verantwoording werd geroepen. ‘Het waren toch mijn geloofsgenoten die dat gedaan hadden?’

Onder in die kloof is het erg eenzaam, ervoer hij. Als hij de voordeur van zijn ouderlijk huis dichttrok, verliet hij Palestina. Op school was hij in Vlaanderen, waar veel leerlingen en leraren hem maar raar vonden.

Radicale moslims bieden deze jongeren tussen twee werelden een duidelijke identiteit, weet AlDe’emeh: ‘De wereld is helder ingedeeld in goed en fout, in wij en zij, de regels zijn helder en ze hebben opeens een gerespecteerd doel om voor te leven en te sterven.’

Waarom heeft zijn eigen radicalisering niet doorgezet? ‘Uiteindelijk is mijn moeder daarin doorslaggevend geweest’, denkt AlDe’emeh. ‘Ze heeft me wel duizend keer voorgehouden: “Jij bent mijn enige hoop.” Dat gaf natuurlijk een enorme druk, maar ik realiseerde me ook dat ik haar vreselijk veel verdriet zou doen als ik in de Palestijnse gebieden tegen Israël zou gaan vechten.’ Zijn moeder heeft een ontzettend zwaar leven gehad, realiseert hij zich nu, zoals zoveel moslimvrouwen van haar generatie. ‘Ze was intelligenter dan haar broer, maar ze werd uitgehuwelijkt en ze moest huisvrouw worden. Terwijl haar broer naar de universiteit kon en dokter geworden is. Ze kreeg tien kinderen, die ze ook nog eens voor een groot deel in Jordanië moest achterlaten toen ze zich bij haar man in België voegde. In Baardegem was ze de enige moslimvrouw, een rariteit. Ze had met bijna niemand contact, werkte de hele dag, zorgde voor het huishouden, de kinderen en de beesten. Mijn vader was erg uithuizig, maar als hij er wél was, moest ze ’s avonds netjes verzorgd voor hem klaar zitten.’

Hij kreeg ook oog voor het leed dat moslims elkaar aandoen. Hoe zijn vader zijn moeder behandelde, hoe rijk arm uitbuitte. De strijd tussen Hamas en Fatah, soennieten tegen sjiieten. ‘Voor alle Palestijnen is Israël de grote vijand, maar ondertussen maken ze elkaar af. Dat ging me steeds meer tegenstaan.’

In Saoedi-Arabië zag hij hoe rijke moslims hun geloof combineren met grenzeloos consumentisme, hoe ze moslimmigranten uit bijvoorbeeld Bangladesh soms schandalig behandelen. Het moslimideaal bladderde langzaam maar zeker af. Ook in het zogenaamde kalifaat is er voortdurend strijd, houdt hij jongeren voor die er naartoe willen afreizen. ‘IS en al-Nusra slachten elkaar af. Jongens die in Antwerpen vrienden waren, zouden elkaar nu onthoofden als ze elkaar in de woestijn tegenkwamen omdat ze achter een andere leider aan lopen.’

Door meer en meer kennis tot zich te nemen, klauterde AlDe’emeh stukje bij beetje uit de kloof. ‘Je begrijpt meer van de wereld, ontmoet de ander, vindt aansluiting bij de maatschappij.’ Op school en later de universiteit ontmoette hij een paar leraren die hem in bescherming namen als hij botste met het systeem of de omgeving. ‘Dat zijn mijn helden.’ Zo was daar de klassenleraar Koen Van Cauwenberge die hem voorlas uit de brief van Seneca aan Lucilius – ‘Ik lach om hen die het schandelijk vinden om met hun slaaf te eten’ – en die hem troostte toen hij in de klas door de leraar ter verantwoording werd geroepen voor de islamitische reactie op de Mohammed-cartoons. ‘Zijn woorden waren als licht in de duisternis’, schrijft AlDe’emeh in De jihadkaravaan.

En er was de schooldirecteur van het atheneum – ‘mijn derde engel’ – die hem direct aannam hoewel hij net van een andere school gestuurd was. ‘Die man gaf me weer een toekomst.’

De posters van de bevrijdingsbewegingen verdwenen van zijn muur. Grote indruk maakte de schoolreis naar Auschwitz – waar hij zeer tegen de zin van zijn vader bewust voor koos. Hij had met tranen in zijn ogen naar Schindler’s List en The Piano gekeken en hij wilde de pijn van het joodse volk voelen. Taboes doorbreken met feiten en historische kennis. De wachttorens deden hem denken aan de Israëlische torens bij de muur in Palestina. Hij liep door het kamp en stelde verbaasd vast dat er geen uitleg in het Arabisch was. ‘Beschouwden zij ons als een hedendaagse variant van Hitler?’

Uiteindelijk ging hij arabistiek en islamkunde studeren aan de Katholieke Universiteit, inclusief de geschiedenis van het jodendom en Arabisch dat hij kreeg onderwezen door een Belg. De inleiding tot het jodendom werd gegeven door Julien Klener, lange tijd voorzitter van het Centraal Israëlitisch Consistorie van België. Aanvankelijk kon hij nauwelijks de neiging om weg te rennen onderdrukken, maar uiteindelijk zou hij privé-lessen Aramees bij deze hoogleraar volgen.

‘Natuurlijk voel ik me verbonden met de Palestijnen, maar ik ben een echte Belg’

‘Ik heb vele jongeren kunnen afhouden van hun reis naar Syrië.’ Montasser AlDe’emeh zegt het bijna tussen neus en lippen door. Vorig jaar opende hij in Molenbeek, de Brusselse wijk waar de Parijse aanslagplegers vandaan kwamen, het centrum De Weg Naar voor de zoekende moslimjongeren en getroffen ouders. Aanvankelijk konden hier ook teruggekeerde Syrië-gangers terecht, maar daarmee is hij opgehouden na de aanslagen in Parijs.

Wat heeft hij de dwalende jongeren te bieden die nu nog steeds sterk overwegen naar het kalifaat af te reizen? ‘Ik luister naar hun verhaal en stel vervolgens vragen. Lees stukjes met ze in de koran die twijfel kunnen zaaien. Mohammed vraagt bijvoorbeeld in een bepaald fragment: “God, schenk mij meer kennis.” De profeet wist blijkbaar ook niet alles, hou ik hen dan voor. Dé waarheid bestaat niet, ook hij was zoekende. Welke waarheid geeft hun het recht om mensen die net iets anders denken te gaan afslachten? De jongeren zijn vaak slecht en eenzijdig geïnformeerd. Ik hou hun een spiegel voor en confronteer hen met hun eigen onwetendheid.’

De jongeren moeten de kans krijgen langzaam maar zeker hun eigen identiteit op te bouwen, vindt AlDe’emeh, net zoals hijzelf dat heeft kunnen doen. ‘Natuurlijk heeft het bij mij ook lang geduurd voordat ik me Belg voelde. Maar nu ben ik dat toch echt. Ik vind het erg prettig om hier te leven en ik ben dankbaar voor de kansen die ik hier heb gekregen. Natuurlijk voel ik me verbonden met de Palestijnen, maar ik ben een echte Belg.’

Wanhopige ouders roepen regelmatig zijn hulp in als hun zoon of dochter is afgereisd. Zo had hij op verzoek van de ouders verschillende WhatsApp-gesprekken met de Kortrijkse zelfmoordterrorist Abdelmalek Boutalliss (19). In het Belgische weekblad Knack verscheen een dramatisch verslag.

Montasser: ‘Niet doen! Denk aan je ouders. Jezelf opblazen is zelfmoord, en Allah zegt in de koran: “En dood jullie zelf niet.”’

Boutalliss: (lacht) ‘Jezelf doden is inderdaad haram, maar een martelaarsoperatie is iets anders.’

Montasser: ‘Je ouders zullen er kapot van zijn. Je vader slaapt niet meer, hij huilt de hele tijd.’

Boutalliss: ‘Wat maakt het uit of jij akkoord gaat of niet? Dat maakt geen verschil.’

Op een gegeven moment komt al-Bara’ ibn Malik ter sprake, een strijder ten tijde van de profeet.

Boutalliss: ‘Een broeder heeft zich toen opgeofferd voor Allah, hij klom boven op de poort en vocht tegen de vele ongelovigen en uiteindelijk opende hij de poort, en die zat helemaal onder het bloed.’

Montasser: ‘Dat verhaal gaat over al-Bara’ ibn Malik, maar is totaal geen verantwoording voor je plan. Tijdens de slag van al-Yamamah vroeg al-Bara zijn metgezellen om hem over de muur van het fort te duwen, zodat hij de poort kon openen. Al-Bara overleefde dat, en liet zijn mensen binnen in het fort. Dat verhaal bewijst niets.’

Een paar weken later blies Abdelmalek Boutalliss zich op in de Iraakse stad Haditha. ‘Ik ben er uiteindelijk van overtuigd dat kennis de sleutel naar verzoening is’, vindt AlDe’emeh. ‘Een betere kennis van de thora, de bijbel en de koran verhoogt het begrip. De radicalen hanteren vaak een erg simpele interpretatie van hun geloof.’

IS bedreigt hem inmiddels met de dood. Hij doet er luchtig over. ‘Ik zit hier gewoon op dit terras, ik hoef geen bewaking zoals die Wilders bij jullie. Dit is mijn maatschappij.’ Hij hoopt zo snel mogelijk te promoveren aan de Radboud Universiteit Nijmegen en hij gaat aan de slag in het Brusselse onderwijs. Hij zal er vooral zijn voor jongeren die worstelen met hun identiteit, die zich onder in de kloof voelen. Hij zal lessen verzorgen en vooral een luisterend oor zijn. Onlangs was hij in een klas waarin één jongen ontbrak. ‘Een blanke jongen wiens ouders aanhanger zijn van het Vlaams Belang en hij mocht niet naar de les van een moslim gaan. Zo zie je maar, er lopen verschillende kloven door de samenleving.’

AlDe’emeh heeft inmiddels wel andere zorgen. Zijn ouders zijn in de zeventig en hebben last van allerlei kwalen. Hij gaat veel bij ze langs, vraagt zich af wat de toekomst voor hen zal brengen. Waar zal hij ze bijvoorbeeld over enige tijd begraven? In België? ‘Nee, hier zijn ze nooit geaard.’ Jordanië? ‘Nee, ze vonden dat kamp vreselijk.’ Het liefst zouden ze terugkeren in de grond van hun geboortedorp nabij Haifa, in het familiegraf met hun grootouders. ‘Denk je dat de Israëliërs dat goed gaan vinden? Vast niet – al zal ik het zeker proberen.’ Peinzend: ‘Zo zie je maar, vluchteling blijf je tot na de dood.’