Deel #5: In Nablus

Allang op slot

In een zoektocht naar creativiteit, humanisme en vooruitgang loopt filosoof Ralf Bodelier dit jaar een omgekeerde kruistocht van Jeruzalem in Israël naar Bouillon in de Belgische Ardennen. In deel vijf: waarom foto’s van jonge, doodgeschoten Palestijnen buiten handbereik zijn opgehangen.

In de oude stad van Nablus hangen metershoge foto’s van jonge mannen, tieners nog. Zij werden doodgeschoten tijdens confrontaties met het Israëlische leger. Een enkeling liet het leven door kogels van de eigen Palestijnse politie. De foto’s zijn bevestigd aan speciaal daarvoor ontworpen stellages, hoog uittorenend boven de voetgangers.

Vanuit Jeruzalem wandelde ik naar de grens met Libanon en stuitte daar op een dertig kilometer lange gedemilitariseerde zone. Corona of niet, in dit verre noorden van Israël, pal achter het dorp Rosh Hanikra, is de wereld allang op slot. En dat is hij ook voor de omgekeerde kruisvaarder, op weg van Jeruzalem naar Bouillon.

Dát die grens dicht is, dat wist ik natuurlijk. Ook wist ik dat ik hier zou omkeren en via Palestina terug zou gaan naar Tel Aviv; om vervolgens via Cyprus alsnog naar Libanon te vliegen.

En nu, op die terugweg door de Westbank, sta ik in Nablus met mijn hoofd in de nek en bestudeer de foto’s. Alle knullen poseren in een splinternieuw gevechtstenue, ze dragen grote machinegeweren en kijken stoer in de lens van de camera. De meesten stierven in 2002. Na tientallen zelfmoordaanslagen met honderden doden in hartje Israël, drong het Israëlische leger Nablus binnen en schoot zeventig Palestijnse activisten dood. Volgens de Israëli’s waren de jongens strijders van de Hamas, Fatah en Al-Aqsa Martelarenbrigade, de organisatoren achter de aanslagen.

Door de martiale foto’s van de knullen hoeven we daar inderdaad niet aan te twijfelen. En dat deze kinderen het niet zouden overleven was op voorhand duidelijk. Juist daarom werd er zo heroïsch geposeerd en werden deze foto’s in zo’n hoge resolutie genomen. En nu probeer ik te begrijpen wat deze jongens en, vooral, hun mentoren tot deze actie aanzette. Want dat je met een paar machinegeweren en zelfmoordgordels niet kunt winnen van het meest intelligente en gemotiveerde leger van de wereld, dat wisten ze best.

Inmiddels is het alweer enkele jaren rustig in Nablus, schijnbaar niet alleen een van de meest religieuze maar ook een van de meest radicale van de grotere steden op de Westbank. Het centrum van de stad is een prachtige, mysterieuze oude soek. Ze werd gebouwd in de Ottomaanse tijd. Al zijn er ook nog gebouwen uit de tijd van de kruisvaarders en, daarvoor, uit de Byzantijnse periode. Her en der ontbreken echter gebouwen. Op de lege plekken staan auto’s geparkeerd in de modder. Hier stonden woonhuizen, winkels en werkplaatsen die in 2002 met raketten uit Israëlische helikopters werden opgeblazen.

Ik overnacht bij Mahmoud, met wie ik uitgebreid praat over het lastige leven in Nablus, over de doorlopende stroomstoringen, het slechte water en de nachtelijke raids van de Israëli’s. Overdag zwerf ik door de oude soek, maak overal praatjes en beklim de dichtbebouwde berghellingen die de oude stad omsluiten. In de kapsalon van Ibrahim, in het hart van de kasba, laat ik mijn haar knippen. Ik schuif aan op het bankje waar twee oude mannen met traditionele keffiyehs koffie drinken. Een scholier speelt op zijn telefoon. Op de televisie boven de kapspiegels meldt een Arabische zender dat Israël opnieuw drie Palestijnen heeft gedood. Het zijn een zeventienjarige en twee achttienjarige jongens die ditmaal vanuit de Gazastrook Israël binnendrongen. Maar amper vierhonderd meter van de grens gooiden de knullen explosieven naar het leger, dat hen vervolgens doodschoot.

Op de korrelige zwart-witbeelden die het leger vrijgeeft, lijken die explosieven meer op vuurwerk dan op handgranaten. Je ziet de silhouetten van de jongens voordat ze gooien. Ze buigen zich naar elkaar toe en lijken pijnlijk veel op Hollandse jochies die op oudjaar rotjes afsteken. Twee keer gooien ze iets wat amper twee meter verderop ontploft. Dan vallen ze om, dodelijk getroffen. Het is een moment om de Israëli’s diep te haten. De jongens hadden ook gearresteerd kunnen worden.

In de kapsalon leidt het nieuwsbulletin niet tot opwinding. Onverstoord schuift Ibrahim met de tondeuse langs mijn nek. Een van de oude mannen is in slaap gevallen, de puber blijft op zijn telefoon rommelen. Ik vraag Ibrahim waarom de knullen de grens overstaken. De kapper weet het ook niet. ‘De situatie in Gaza is slecht’, zegt hij.

Ja, dat kun je wel zeggen. Die is ronduit beroerd. De zelfmoordacties tonen zonder meer de vertwijfeling van de Palestijnen. Nederlandse achttienjarigen piekeren er niet over om zich dood te laten schieten. En niet alleen Israël sluit de Gazastrook af, Egypte doet al niet anders. Via twee grensovergangen met Israël gaan dagelijks toch nog zo’n 7000 Palestijnen met werkvergunningen op en neer. Dagelijks brengen rond de achthonderd vrachtwagens voedsel, medische apparatuur, brandstof en bouwmaterialen Gaza binnen, terwijl ze aardbeien, sinaasappels, olijven, tapijten, meubels en papier uitvoeren. Egypte daarentegen heeft zijn grens met Gaza volledig dichtgemetseld. Afgelopen week kondigden de Egyptenaren aan om naast de elf kilometer lange en zes meter hoge betonnen muur ook nog eens een zes meter diepe muur te bouwen. Daarmee hopen ze ook de smokkel van wapens en terroristen door tunnels onmogelijk te maken.

Toch zijn de afgrendelingen door Israël en Egypte maar een deel van het verhaal. Net zo belangrijk is dat Hamas en de Islamitische Jihad juist aan die beroerde situatie zo weinig doen. Niet de ontwikkeling van Gaza is hun doel, dat is de vernietiging van Israël. Liever dan hun jongeren op te leiden en aan werk te helpen, jagen ze hen over de grens met Israël, de dood tegemoet. Precies zoals de Al-Aqsa Martelarenbrigade dat vóór 2002 deed vanuit Nablus. De dood van deze kinderen lijkt dan ook maar één doel te dienen. En dat is aandacht trekken.

Waarschijnlijk wisten degenen die de drie jongens van explosieven voorzagen ook deze keer maar al te goed wat hun te wachten stond. En dat alles voor niet meer dan een moment van aandacht in de internationale pers. Want waarom zouden die kinderen anders de grens over worden gestuurd om amper vierhonderd meter verderop een explosief richting Israëlische soldaten te gooien? Wat hadden ze willen doen wanneer ze er per vergissing in waren geslaagd om levend, laten we zeggen, Ashkelon of Jaffa te bereiken? Dezelfde explosieven afsteken in een winkelcentrum om dán te worden doodgeschoten? Wilden ze cocktails gaan drinken aan het strand?

Het zijn vragen die ze zich niet hoefden te stellen. Want ze wisten dat ze Ashkelon niet levend zouden bereiken. Wie weet liggen ergens in Gaza de foto’s van dit drietal al klaar om op drie, vier meter hoog tegen muren te worden gemonteerd.

Drie, vier meter hoog… Want er is nog iets wat me opvalt. In Nablus zijn honderden goedkope en kleine kopieën van die foto’s ook tegen gebouwen, lantarenpalen en schuttingen geplakt. Maar ál die foto’s, zonder enige uitzondering, zijn ook weer losgepeuterd, doorgekrast, besmeurd of weggescheurd. Blijkbaar kan deze gewapende strijd niet op ieders steun rekenen. Het zou wel eens de reden kunnen zijn waarom de grote foto’s van de martelaren zo hoog en buiten ieders bereik zijn opgehangen.


Deze publicatie is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten