Amerika: een nationale verschuiving naar links?

Alle ballen op de millennials

Na 35 jaar reaganisme en clintonisme groeit onder Amerikaanse progressieven de hoop op een nieuwe Progressive Era. Maar is het land daar ook rijp voor? ‘Ons politieke systeem zit muurvast.’

Medium mars2

Als het gaat over de wordingsgeschiedenis van het moderne Amerika worden doorgaans drie periodes opgevoerd waarin grote politieke hervormingen het land voor altijd veranderden, steeds met verregaande gevolgen voor de rol van de overheid. De Great Depression (1929-1939) en de jaren zestig leidden tot een uitbreiding van die rol, in de vorm van respectievelijk de New Deal van president Franklin Roosevelt en de Great Society van president Lyndon Johnson. In de jaren tachtig bracht president Ronald Reagan de rol van de overheid juist drastisch terug – een ommekeer die ook wel de Reagan-revolutie wordt genoemd.

In dat rijtje past echter net zo goed de Progressive Era, de door fel activisme en sociale onrust gedomineerde jaren tussen ongeveer 1890 en 1920, waarin de contouren van het huidige Amerika vorm kregen. Alan Lessoff, hoogleraar geschieden aan Illinois State University en gespecialiseerd in (onder meer) de Progressive Era, begrijpt de omissie wel. ‘Amerikaanse historici beschouwen de periode als een van de ingewikkeldste politieke fenomenen om te definiëren, omdat ze meer stond voor een reeks houdingen en benaderingen dan voor een beweging met een concrete politiek of specifieke beleidsvoorstellen’, zegt hij. ‘Tijdens de Progressive Era stonden mensen die overduidelijk progressief waren in veel grote kwesties lijnrecht tegenover elkaar.’ Dat was bijvoorbeeld het geval in de debatten omtrent de Drooglegging, de rol van de Centrale Bank en immigratie.

Een belangrijk doel van veel progressieve activisten uit die periode was het uitroeien van corruptie binnen de overheid en het bevorderen van een meer directe democratie. In dat licht moet ook het activisme ten faveure van de Drooglegging (1920-1933) worden gezien, want het was in de saloons dat de politieke zetbazen hun macht over de toen nog louter mannelijke kiezers uitoefenden, en de strijd om het vrouwenkiesrecht. Een ander groot thema was de steun voor toepassing van wetenschappelijke methodes op het gebied van onder meer overheidsbestuur, financiën, industrie, onderwijs en geneeskunde. ‘Het was een formatieve periode voor veel Amerikaanse waarden, waarin de politieke structuur en alliances van nu tot stand kwamen en universiteiten, musea en stedelijke bestuursstructuren werden gebouwd’, zegt Lessoff. ‘Ik vertel mijn studenten dat als ze de Amerikaanse invloed in de wereld willen begrijpen ze deze periode moeten bestuderen.’

De activisten kwamen uit alle lagen en sectoren van de bevolking – boeren en arbeiders, industriëlen en middenstanders – en vonden hun leiders vaak in de gegoede middenklasse: juristen, leraren, artsen, geestelijken en zakenlieden. De hervormingen werden in eerste instantie op lokaal niveau bepleit, zowel op het platteland als in de steden, pas later ook op staats- en nationaal niveau. Belangrijke nationale leiders uit de periode waren de Republikeinse president Theodore Roosevelt (1901-1909), die onder meer de monopolies van olie- en treinmaatschappijen doorbrak en met de creatie van nationale parken de eerste grootschalige milieuwetgeving introduceerde, en de Democratische president Woodrow Wilson (1913-1921), die met de intrede in de Eerste Wereldoorlog in 1917 Amerika uit zijn internationale isolement haalde.

Het is ook Alan Lessoff niet ontgaan dat onder Amerikaanse progressieven de hoop groeit dat het land zich opmaakt voor een nieuwe Progressive Era, een periode waarin het politieke stelsel op de schop gaat en de rol van dragende instituties wordt herzien. De afgelopen jaren werd het onderwerp al gretig opgepakt in publicaties als The New York Review of Books, The New Republic en The Daily Beast. De gemene deler in die hoopvolle commentaren en analyses is de brede onvrede onder Amerikanen over onder meer de groeiende inkomensongelijkheid, de rol van geld in de politiek en de schijnbare onaantastbaarheid van de financiële sector – een onvrede die de basis zou moeten gaan vormen voor een brede roep om hervormingen.

‘Wanneer mensen tegenwoordig over ongelijkheid of de gebrekkige reacties van instituties spreken, dan klinkt inderdaad een echo van de debatten uit de Progressive Era’, zegt Lessoff. ‘Maar de omstandigheden van toen laten zich moeilijk vergelijken met die van nu. Zo hoor ik regelmatig dat we in een nieuwe Gilded Age zouden leven. Dat was een periode waarin plutocraten gigantische nieuwe industrieën creëerden, wat gepaard ging met massale ongelijkheid en corruptie. Maar er was toen nog geen basaal sociaal stelsel met publieke zorgvoorzieningen, zoals nu. De armen van tegenwoordig sterven niet meer aan tuberculose.’

Bovendien was de Progressive Era een reactie op onvrede en onrust die aanzienlijk heftiger waren dan wat bijvoorbeeld tijdens de Occupy-protesten in 2011 naar buiten kwam. ‘Tijdens de industriële ontwikkeling had dit land vergeleken met andere westerse democratieën misschien wel de gewelddadigste strijd tussen de vakbeweging en vertegenwoordigers van het kapitaal’, zegt Lessoff, verwijzend naar bijvoorbeeld de Haymarket Square-rellen in Chicago (1886), de Pullman-staking door spoormedewerkers (1894) en de Homestead-staking in de staalindustrie (1892). ‘In de steden was het tot aan de Eerste Wereldoorlog zeer tumultueus.’

Een ander belangrijk verschil met nu is dat destijds nog geen massamedia bestonden – oftewel, de middenklasse zat nog niet elke avond voor de televisie. ‘Sociale bewegingen worden zelden voortgestuwd door de armen, dat doen meestal de mensen die een aandeel in de samenleving hebben. De middenklasse van die tijd las opiniebladen als The Atlantic, The New Republic en Harper’s. Daarin lazen ze kritische stukken over de opkomst van de consumentenmaatschappij – ja, eind negentiende eeuw! – en reportages over de woonomstandigheden in New York City of stakingen in de kolenmijnen van Pennsylvania.’

‘Obama had in 2009 meteen de financiële instellingen ter verantwoording moeten roepen’

Zo werden overigens niet alleen progressieve ideeën verspreid, nuanceert Lessoff: ‘Er waren natuurlijk ook volop conservatieven in die tijd, die werden bediend door de kranten en tijdschriften van Hearst.’ Het debat schoot alle kanten op. ‘Ook protestant reformisme en de sociale gospel waren invloedrijk. Het was de periode waarin Amerikaans fundamentalisme opstak.’

Het was tevens een klimaat waarin de vakbeweging en een links-radicale pers konden bloeien. ‘Het socialistische weekblad Appeal to Reason had honderdduizenden abonnees. Tijdens de verkiezingen van 1912 kreeg de socialistische presidentskandidaat Eugene Debbs zes procent van de stemmen.’

Het in 1922 ter ziele gegane Appeal to Reason werd in de staat Kansas gemaakt. Dat brengt Lessoff op een ander belangrijk verschil tussen toen en nu: ‘Als politieke houding was progressivisme het meest dominant in de staten en lokale overheden, ook in het Middenwesten en op de Grote Vlakten, maar die regio’s zijn nu allemaal aartsconservatief. Kansas was ooit de radicaalste staat in het land, maar is nu solide Republikeins.’

Kortom, de huidige omstandigheden lenen zich volgens Lessoff niet voor een vergelijking met die aan de vooravond van de Progressive Era – althans, niet in strikt historische zin. Vaak wordt de Progressive Era als synoniem gebruikt voor ‘een soort anti-businessliberalisme dat naar sociale hervorming streeft’, constateert Lessoff. ‘Op de vraag of er een opening is voor een dergelijke Progressive Era – oftewel, een politieke beweging rondom de kwesties die iemand als Elizabeth Warren aansnijdt – antwoord ik met een empathisch ja.’

Die opening was er volgens Lessoff overigens al vlak na het uitbreken van de financiële crisis, bij het aantreden van de verse regering-Obama in januari 2009. ‘Hij had meteen de financiële instellingen, die de crisis hadden veroorzaakt, ter verantwoording moeten roepen, de invloed van het bedrijfsleven op het politieke proces ter sprake moeten stellen. En hoe financiële instituten alleen hun eigen belang dienen. Dat zou een progressief argument zijn geweest en dat is ook waarom ik aan Elizabeth Warren denk. Zij verwoordt dat argument wel en er zijn niet veel mensen die dat zo helder kunnen als zij.’

De naam Elizabeth Warren, sinds begin 2013 senator namens Massachusetts, is onontkoombaar wanneer we het over een eventuele renaissance van progressivisme in de Verenigde Staten hebben. Als Harvard-hoogleraar genoot Warren al sinds de jaren negentig enige nationale bekendheid vanwege haar uitgesproken kritiek op de deregulering van de financiële sector en de praktijken van verstrekkers van creditcards en hypotheken. Tijdens de financiële crisis verzocht president Obama haar om een Consumer Financial Protection Bureau op te zetten, dat consumenten zou moeten gaan beschermen tegen wanpraktijken in de financiële sector – overigens een idee van Warren zelf. Bevreesd voor tegenwerking van de Republikeinen in het Congres, die een hekel hadden aan de ‘radicale’ Warren, zou Obama haar echter nooit nomineren om het bureau te leiden.

‘De Democraten geven slechts sporadisch milde signalen van een beetje hervorming af’

Aangemoedigd door linkse activisten besloot Warren daarop zich kandidaat te stellen voor de Senaat. Ze bleek een effectieve campagnevoerster te zijn. ‘Er is niemand in dit land die op eigen kracht rijk is geworden’, zei ze tijdens een verkiezingsbijeenkomst. ‘Niemand. Je bouwt een fabriek, prachtig. Maar ik wil hier duidelijk over zijn. Je vervoert je producten over de wegen die wij allemaal hebben betaald. Je huurt arbeiders wier opleiding wij allemaal hebben betaald. (…) Je hebt een fabriek gebouwd en het blijkt een groot succes – God bless! Houd een goed deel ervan. Maar weet dat een onderdeel van het onderliggende sociale contract is dat je een groot deel afstaat voor de next kid who comes along.’

Maar het is niet alleen de helder formulerende Warren die de hoop op progressieve tijden voedt. Zo werd Bill de Blasio in november 2013 op basis van het thema inkomensongelijkheid gekozen tot burgemeester van New York – hij sprak over een tale of two cities, een straatarme stad en een stinkend rijke stad in één. Daarmee kwam een einde aan een periode van twintig jaar waarin New York door opzichtig business-vriendelijke burgemeesters was bestuurd: de Republikein Rudolph Giuliani (1994-2001) en de onafhankelijke Michael Bloomberg (2002-2013). In zijn eerste ambtsjaar voerde De Blasio universal pre-K in, gratis onderwijs voor vierjarige kinderen ter verlichting van het dure leven van werkende ouders in de stad. Zijn huidige, nog ambitieuzere doel is om betaalbare woonruimte te laten ontwikkelen in een stad waarin de laatste decennia nagenoeg alleen maar luxe appartementen voor de rijke bovenlaag zijn bijgebouwd.

Medium mars1

En dan is er het nieuwe geluid van president Obama, die blijkens zijn laatste State of the Union thema’s als ongelijkheid, de worstelingen van de middenklasse en milieubeleid hoog op de agenda wil zetten. Obama oogstte er zowaar lof mee van Jeffrey Sachs, de hoogleraar duurzame ontwikkeling aan Columbia University die gewoonlijk juist zeer kritisch is over Obama. In een via Project Syndicate verspreid opiniestuk getiteld America’s New Progressive Era stelde Sachs verheugd vast: ‘Obama’s luidkeelse verdediging van een progressieve visie wijst de VS de juiste richting.’

Niet dat Sachs verwacht dat Obama tijdens zijn laatste twee jaar nog iets van die agenda zal verwezenlijken. ‘Ons politieke systeem zit muurvast’, zegt hij. ‘Op het niveau van de begroting, een van de belangrijkste instrumenten voor een progressieve agenda, gaan we eerder achteruit dan vooruit. Publieke investeringen in infrastructuur, wetenschap en menselijk kapitaal slinken nog steeds. Onze veel te ver doorgevoerde checks and balances, in feite een agressief vetosysteem, maken momenteel elke progressieve actie onmogelijk.’

Dat ligt overigens niet alleen aan de momenteel zeer conservatieve Republikeinse Partij, benadrukt Sachs, maar net zo goed aan de enige andere partij van belang, de Democraten. ‘Die opereren rechts van het centrum en geven slechts sporadisch milde signalen van een beetje hervorming af. Meer is het niet.’

Ter illustratie van Sachs’ punt: toen Obama onlangs voorstelde een fiscale aftrekpost te schrappen die voornamelijk ten goede komt aan huishoudens met een jaarinkomen van tweehonderdduizend dollar of meer, kwam de weerstand niet alleen van de Republikeinen, maar net zo goed van vooraanstaande Democraten als Nancy Pelosi, leider van de Democraten in het Huis van Afgevaardigden, en senator Chuck Schumer. Beide politici hebben een zeer vermogende achterban – San Francisco en New York – en onderhouden banden met rijke Democratische donoren, uit de hoek van respectievelijk Silicon Valley en Wall Street. Nog geen week later trok Obama het voorstel terug.

Op de korte termijn vormt de macht van de special interests het grootste struikelblok richting daadwerkelijke hervorming, denkt Sachs: ‘Ik zeg hier niets nieuws: Wall Street en Big Oil zijn enorm machtig. Het politieke systeem is diep gecorrumpeerd door geld. We bepalen zelfs de verkiesbaarheid van onze politieke kandidaten voornamelijk aan de hand van hun vermogen om geld te werven.’

In het verleden kon de macht van het kapitaal gebroken worden door sterk presidentieel leiderschap. Daaraan heeft het in de laatste drie decennia ontbroken, zegt Sachs: ‘Zowel Clinton als Obama’ – de presidenten Reagan en Bush I en II laat hij maar helemaal buiten beschouwing – ‘bood dat leiderschap niet. Ze sloten liever vrede met de gevestigde belangen teneinde herverkiezing veilig te stellen.’

Andersom is het ook zo dat de presidenten die wél grote hervormingen doorvoerden dit deden onder druk van sterke sociale bewegingen of onder extreme omstandigheden, weet Sachs: ‘Teddy Roosevelt had de steun van de populisten van de Progressive Era. Franklin Roosevelt opereerde tijdens de Depressie. Johnson tekende de Civil Rights Act mede onder druk van de burgerrechtenbeweging.’ Daar steekt de Occupy-beweging schril bij af, vindt Sachs: ‘Maar er is meer onvrede en frustratie dan we in die zes weken hebben gezien, dat blijkt alleen al uit de extreem lage waardering voor het Congres, die al jaren nauwelijks boven de tien komt’ – op een schaal van één tot honderd.

‘Wall Street en Big Oil zijn enorm machtig. Het politieke systeem is diep gecorrumpeerd door geld’

‘Het publiek is ontmoedigd, cynisch en ontevreden’, vervolgt Sachs. ‘Op een goed moment zal het een coherente progressieve agenda omarmen, waarbij ik verwacht dat de natuur een handje zal helpen – klimaatverandering kun je niet afremmen met louter op marktwerking gebaseerde oplossingen. Ik heb de hoop dan ook nog niet opgegeven dat we onze weg vinden naar een nieuw tijdperk van hervorming. Maar die hoop komt voort uit mijn standpunt dat we dat hard nodig hebben. Het is niet gebaseerd op bewijs dat iets dergelijks al plaatsvindt.’

Ook Corey Robin, hoogleraar politicologie aan Brooklyn College, denkt niet dat Amerika al aan het begin van een nieuwe Progressive Era staat. ‘Tegen het einde van de negentiende eeuw, tijdens de opkomst van de sociaal-democratie, waren er verschillende bewegingen van activisten en intellectuelen die beseften wat moest gebeuren’, zegt Robin. ‘Dat besef zie ik nog niet onder hedendaagse progressieven.’

Volgens Robin ontbeert links in Amerika een ‘coherente analyse van wat we willen bereiken en hoe we dat willen doen. Tijdens de Progressive Era was die er wel: socialisme. Dat was de scepter, om Marx’ taal te gebruiken, waarvoor de heersende klassen doodsbang waren.’

Daarmee bedoelt Robin niet dat de progressieven van toen allemaal socialisten waren, integendeel, maar er bestond een concreet alternatief voor het hardvochtige kapitalisme van die tijd. Het was de angst voor dat alternatief die een industrieel als Henry Ford mede bewoog tot het invoeren van kortere werkdagen en hogere lonen. ‘Het geweld, de stakingen en het klassenconflict waren enorm ontwrichtend. Iedereen, dus ook Ford, zocht naar een oplossing. Dat is niet te vergelijken met bijvoorbeeld de strijd om een hoger minimumloon die nu gevoerd wordt. Daarvan nemen de meeste Amerikanen kennis via het nieuws, wellicht met enige sympathie. Maar daar blijft het veelal bij.’

Een ander probleem ziet Robin in wat hij noemt ‘het gebrek aan organisationele capaciteit van links’. ‘Iedereen was erg opgewonden over Occupy, maar dat dankte zijn succes aan de afwezigheid van enige organisatie. Gevolg daarvan was dat het geen langdurige impact had.’

Het meest hoopgevende dat Robin in de afgelopen jaren heeft gezien, is de sinds Occupy ‘losgebarsten intellectuele energie ter linkerzijde, vooral onder jonge mensen’. ‘Die energie is zeer zichtbaar in nieuwe tijdschriften als n+1, The New Inquiry en Jacobin (waarin Robin zelf regelmatig publiceert – mvg)’, zegt hij. ‘Maar ik zie het ook bij mijn studenten die vragen stellen die in mijn tijd gewoon niet aan de orde kwamen, bijvoorbeeld over ongelijkheid of over een manier om de economie te organiseren die rechtvaardiger is en de gevolgen van klimaatverandering in acht neemt.’

Ook Peter Beinart, hoogleraar politicologie aan City University of New York en oud-hoofdredacteur van The New Republic, kijkt naar de jeugd. In een spraakmakend artikel op The Daily Beast voorspelde hij eind 2013 al de opkomst van een New New Left, een verwijzing naar New Left, de beweging die eind jaren zestig de Democratische Partij naar links trok. Beinart verwacht dat de millennials, de generatie die volwassen werd na de millenniumwisseling, beide politieke partijen naar links zal trekken.

Beinarts betoog steunt op de stelling dat de Amerikaanse politiek van de afgelopen twintig jaar in grote lijnen een strijd is tussen reaganism en clintonism. In 1981 maakte Ronald Reagan een einde aan de sinds de New Deal bestaande consensus dat de overheid een grote rol dient te spelen in de economie. In 1993 heroverde Bill Clinton het Witte Huis voor de Democraten door de wereld te accepteren zoals Reagan die had herschapen. Clintons ideologische ‘derde weg’ prefereerde marktoplossingen boven overheidsingrijpen, richtte zich op economische groei in plaats van economische herverdeling en streefde eerder ‘gelijke kansen’ dan ‘gelijke uitkomsten’ na. Het debat tussen de kinderen van Reagan en de kinderen van Clinton is vooral op cultureel vlak fel, maar bevindt zich op economisch vlak ‘aan de conservatieve zijde van het veld’, aldus Beinart.

‘Het Reagan-Clinton-tijdperk loopt tegen het einde. Het zou ironisch zijn als het een Clinton zelf is die het afsluit’

In economische – en overigens ook in sociaal-culturele – kwesties zijn millennials echter aanzienlijk linkser dan de rest van de bevolking. Zo bleek uit een Pew-onderzoek uit 2011 dat Amerikanen onder de dertig veel eerder dan oudere Amerikanen geneigd zijn te zeggen dat het bedrijfsleven een grotere invloed op hun leven heeft dan de overheid. En in tegenstelling tot oudere Amerikanen prefereren millennials socialisme boven kapitalisme, zij het met een kleine marge.

Mochten de millennials links blijven, wat Beinart verwacht, dan zal dit grote consequenties hebben voor de Amerikaanse politiek van de komende twintig jaar. In 2008 vormden de millennials een vijfde van de kiezers. In 2012 was dit al een kwart. Volgens berekeningen van de politieke demograaf Ruy Teixeira zal dit in 2016 al een derde zijn, hetgeen vermoedelijk tot 2018 het geval zal blijven.

De opkomst van de millennials zal volgens Beinart gevolgen hebben voor beide partijen. Zo blijkt uit Pew-onderzoek uit juli 2013 dat de militante anti-overheidshouding van Tea Party-favorieten als Ted Cruz, Marco Rubio en Scott Walker niet populair is bij Republikeinse millennials. Ook veelzeggend: in tegenstelling tot oudere Republikeinen steunen ze in meerderheid een verhoging van het minimumloon. Bij de Democraten is de algemene verwachting nog altijd dat Hillary Clinton, als ze zich daarvoor tenminste kandidaat stelt, de presidentsnominatie zal winnen. ‘Maar Hillary is kwetsbaar tegen een kandidaat die fundamentele verandering belichaamt, vooral op het gebied van economische ongelijkheid en corporate macht, een onderwerp dat sterk resoneert bij Democratische millennials’, schrijft Beinart. ‘En de kandidaat die het best aan die beschrijving voldoet, is Elizabeth Warren.’

Dat Warren al 65 is, doet volgens Beinart niets af aan haar aantrekkingskracht op jonge kiezers. ‘Als ze zich kandidaat stelt, zijn de millennials haar basis. Warren won haar Senaatsrace met acht punten voorsprong onder alle kiezers, maar met dertig punten onder jonge kiezers. Haar eerste wetsvoorstel in de Senaat was om universitaire studenten hetzelfde rentepercentage voor hun studieleningen te rekenen als de Federal Reserve de grote banken biedt.’

Maar ook als Warren zich niet kandidaat stelt, zoals ze zelf stellig beweert, dan nog zal volgens Beinart ‘de jeugdige, anticorporate passie die haar kandidatuur zou hebben aangejaagd, in de aanstaande campagne aanwezig zijn. Als Hillary Clinton leep is, omarmt ze die energie, teneinde de kansen van een populistische uitdager te verkleinen.’ Het zou het begin markeren van een nationale verschuiving naar links, vermoedt Beinart. ‘Het Reagan-Clinton-tijdperk loopt tegen het einde. Het zou ironisch zijn als het een Clinton zelf is die het afsluit.’

In het links-liberale tijdschrift The Nation zette historicus Rick Perlstein meteen enkele kanttekeningen bij Beinarts toekomstvisioenen. ‘Beinarts generationele betoog is louter deterministisch’, schreef Perlstein. ‘Hij heeft het niet over wat het doorslaggevende argument van de toekomst zal zijn. Het is alsof het ideologische vooruitzicht van jonge mensen al vaststaat: linksaf. Dat is veel te simpel en optimistisch.’

Perlstein vat Beinarts generationele diagnose als volgt samen: ‘Jongelui die volwassen werden tijdens de Age of Fail, wier ervaring met Amerikaans exceptionalisme is dat Amerika exceptioneel waardeloos is, zijn boos en daarom bereid om hard te werken voor politici die daar iets aan willen doen.’ Zelfs als die diagnose klopt, betekent dit volgens Perlstein niet dat een nieuwe Progressive Era voor de deur staat. Hij suggereert een ander scenario: ‘Jonge burgers die worden gemotiveerd door linkse passies lopen keer op keer tegen een muur op bij hun pogingen om hun overtuigingen in politieke macht om te zetten. Zo wordt het grote verhaal van ons volgende politieke tijdperk geen New New Left, maar een bijtende ontgoocheling die het land in nog diepere apathie zal doen verzinken.’

Ontgoocheld wegzinken in apathie is natuurlijk wat na 2008 gebeurd is met veel van de jonge activisten die zich het vuur uit de schoenen hadden gelopen voor de campagne van Barack Obama. Of met Occupy’ers die hadden gehoopt dat hun protesten door landelijke politici zouden worden opgepikt. Maar het door Perlstein geschetste vooruitzicht moet geen enkele progressief van actie weerhouden, vindt de anderszins behoedzame Corey Robin. ‘Het proces dat leidt tot het begin van een nieuw tijdperk is ingewikkeld; veel gebeurt onder de radar en wordt pas achteraf zichtbaar. Wat een beweging progressief maakt, is dat ze succes boekt. En succes is bijna onmogelijk te voorspellen voor een beweging. Falen is bijna altijd de vuistregel: je faalt, je faalt, je faalt, totdat je slaagt.’


Beeld: (1) Washington, Capitol Hill, 18 september 2014. De Democratische senator Elizabeth Warren, de hoop van Amerikaanse progressieven, tijdens een demonstratie (Chip Somodevilla / Getty Images). (2) Elizabeth Warren
is al sinds de jaren negentig criticus van de deregulering van de financiële sector (Jonathan Ernst / Reuters)