Alle boefjes heten achmed

Ineens is het geen taboe meer: registratie van de etnische achtergrond van criminelen. Zelfs de belangenbehartigers der allochtonen zijn ervoor, want dan komen eindelijk de oorzaken bloot. Een debat over de verlokkingen van een criminele carrière boven een Melkertbaan, boefjes die willen inburgeren en ouders die volwassen moeten worden.
AAN TAFEL een schrijver, een wetenschapper, een belangenbehartiger en een politicus. Het onderwerp: criminaliteit onder allochtonen. De wetenschapper, èn enige witte Nederlander in het gezelschap, is verlaat. ‘Dat heb je met die Nederlanders’, lacht Ilhan Akel, ‘Hoe hoger hun positie, hoe gemakkelijker ze te laat komen. In onze cultuur is het precies andersom.’

Akel is directeur van het Nederlands Centrum Buitenlanders (NCB) en Turk van geboorte. De wetenschapper is Han Entzinger, hoogleraar migratie en arbeid in Utrecht en uitvinder van de inburgering. Verder hebben we Mohammed Rabbae, kamerlid voor GroenLinks en nog Marokkaan ook. En Abdelkader Benali, schrijver, Marokkaan van geboorte, en genomineerde (op de longlist) voor de Libris-literatuurprijs.
Een paar weken geleden kwam het WODC, het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum van het ministerie van Justitie, met een toch weer schokkend rapport. Dat de criminaliteit onder een aantal allochtone bevolkingsgroepen beduidend hoger is dan onder witte Nederlanders wisten we al, maar dat lag natuurlijk aan hun sociaal-economische positie. Bovendien: door hogere geboortecijfers zijn er relatief veel allochtonen in de ‘crimineel gevoelige leeftijd’ van pakweg 15 tot 25 jaar.
Alles goed en wel, ontdekte het WODC, maar zelfs gecorrigeerd voor sociaal-economische en demografische factoren is de criminaliteit onder allochtonen nog anderhalf tot drie maal zo hoog als onder witten. Marokkanen en Antillianen scoren het hoogst. En bijna even opmerkelijk als deze cijfers zelf, was de reactie van de belangenbehartigers: 'Goed dat het hardop gezegd wordt’, en: 'De criminaliteit moet nodig op etniciteit worden geregistreerd’, zo zeiden zowel het Nederlands Centrum Buitenlanders als de multiculti-koepel Forum.
ZIJN JULLIE zo bang om voor politiek correct uitgemaakt te worden, gezien deze vlucht naar voren?
'Nee, nee’, haast Akel zich te zeggen. 'Waar het mij om gaat is dat er eindelijk eens kloppende, objectieve cijfers moeten komen. We hebben het rapport-Van Traa gehad, we hebben Frank Bovenkerk gehad, en iedere keer ontstaat er een enorme discussie over de betrouwbaarheid van de cijfers. Ik wil van dat gesteggel af.’
Rabbae: 'Ik zie niks in een etnische registratie op dit terrein. Want los nog van de principiële bezwaren: we barsten toch al van de cijfers? Sterker nog, we weten ook al waar de oplossingen liggen: in het onderwijs, op de arbeidsmarkt en in de relatie tussen allochtone ouders en hun kinderen.’
Entzinger: 'Er lopen in deze discussie drie zaken door elkaar. De eerste vraag is of etniciteit überhaupt een medebepalende factor is bij crimineel gedrag. Gaat het niet eerder om bijvoorbeeld de individuele migratiegeschiedenis of de relatie tot de ouders? Alles vatten onder de noemer “Hij is Marokkaan” werkt niet alleen stigmatiserend maar versluiert ook de werkelijke oorzaken.’
Rabbae komt er snel tussendoor: 'Iedere mens draagt zijn cultuur met zich mee, we moeten het culturele aspect niet wegmoffelen.’
Entzinger: 'De tweede vraag is of etnische registratie helpt bij het oplossen van problemen. Registratie is natuurlijk niet de oplossing, maar als wetenschapper vind ik wel dat je de resultaten van een beleid moet kunnen meten. Daarvoor zul je moeten registreren. En misschien helpt het ook in het alerter maken van de hulpverlening.
De derde vraag is of etnische registratie ethisch gezien mag. Wat dat betreft zie je de afgelopen jaren heel duidelijk verschuivingen - de koppelingswet was tien jaar geleden ondenkbaar geweest.’
Rabbae: 'Wij hebben tegen gestemd, hoor!’
Entzinger: 'Ik constateer alleen dat Nederland in meerderheid is opgeschoven. Misschien wel doordat de Tweede Wereldoorlog een beetje begint te vervagen in het collectieve geheugen.’
Akel: 'Als registratie echt zou helpen, was de criminaliteit allang opgelost, want de politie registreert al op herkomst. Er wordt gevraagd naar nationaliteit, geboorteplaats en soms ook naar de geboorteplaats van vader en moeder. Dus ik zeg niet dat registratie opeens alles oplost. Waar het mij om gaat, is dat openlijk aard en omvang van het probleem wordt vastgesteld, met eenduidige en controleerbare cijfers. Waarbij het doel natuurlijk moet zijn: preventie en het bestrijden van achterstand. Als je weet dat relatief veel allochtonen uitvallen bij het Jeugdwerkgarantieplan, kun je specifieke maatregelen nemen. Waarom zou dat op het gebied van werk wel mogen, en bij criminaliteit niet?’
LATEN WE aannemen dat het waar is: anderhalf tot drie maal zoveel criminaliteit door allochtonen. Hoe komt dat?
Abdelkader Benali, als 22-jarige nog ietwat onder de indruk van de deskundige mannen: 'Ik hield laatst een lezing onder tweedejaars studenten, vooral Marokkanen, en zei dat we veel te veel de schuld aan Nederland geven, dat we zelf moeten veranderen. “Hoe leven wij, bloedbroeders, in dit land?” Ik wilde een discussie op gang brengen, maar de respons bleef uit. Misschien heb ik het te hard gezegd. Toen in het rapport van Van Traa werd gesteld dat er drugshandel zou plaatsvinden in de moskee, wou men op hoge poten naar de rechter stappen. Terwijl natuurlijk iedereen donders goed weet wat er aan de hand is, die handel gebéurt gewoon. Ouders zien hun kinderen naar de verdoemenis gaan. Op de een of ander manier zoeken ze in hun onmacht naar een zwart schaap en dat is dan Nederland: z'n instituties, z'n mensen, z'n cultuur, het varkensvlees, het klimaat, dat ze te weinig vakantie hebben, dat soort dingen. Maar het lijkt me toch volwassener om naar jezelf te kijken. Veel mensen gaan er vrij infantiel mee om.’
Waar ligt het volgens jou aan dat zoveel Marokkaanse jongens zich crimineel gaan gedragen?
Benali: 'Criminaliteit klinkt heel heftig, maar vaak gaat het natuurlijk gewoon om een beetje aanrommelen, zorgen dat je net iets meer verdient dan met vakken vullen.’
ENTZINGER, net als de anderen reuze blij dat er een heuse Marokkaanse jongere aan tafel zit: 'O, mag ik even wat vragen? Uit alle onderzoeken blijkt dat die jongeren, of het nu Turken of Marokkanen zijn, heel graag mee willen doen met de samenleving, ze zouden heel graag willen werken. Waarom lukt het ze dan zelfs nog niet een baantje als vakkenvuller te vinden en te houden?’
Benali: 'Omdat op de korte termijn het criminele circuit nou net iets meer winstmaximalisatie biedt dan de normale instituten zoals Albert Heijn of een Melkertbaan. En het is een stuk makkelijker.’
Entzinger zegt over dat laatste niet te kunnnen oordelen, want hij heeft 'noch ervaring op het gebied van vakken vullen, noch in de criminaliteit’, maar waarom is Benali bijvoorbeeld niet crimineel geworden?
Benali, die nu hard zijn best doet niet ondeugend te kijken: 'Omdat ik een brave jongen ben.’
Akel: 'Als je de vraag wilt beantwoorden waarom het bij de een wel lukt en bij de ander niet, kom je vaak bij de ouders uit. Het dringt sinds kort pas tot de media door, maar in allochtone kring wordt al vrij lang gepraat over de rol van de ouders. Daar is steeds meer aandacht voor.’
Benali, sceptisch: 'Ach, ze zien hun kinderen naar de verdoemenis gaan maar ze leggen helemaal geen oorzaak bij zichzelf!’
Wat is er waar van de stelling dat met name Marokkaanse ouders het niet hun eigen verantwoordelijkheid, maar de verantwoordelijkheid van de politie en de samenleving vinden om kinderen op straat in de gaten te houden?
Rabbae: 'Dat klopt wel ongeveer. In Marokko is het volledig de verantwoordelijkheid van de school wat er daar met het kind gebeurt. De leerkracht is vader en moeder. Op straat is de overheid dominant aanwezig. En dan kun je als kind ook nog eens best een klap krijgen van zomaar een voorbijganger wanneer je iets doet wat niet past. Tenminste, in mijn tijd was dat zo, ik weet niet of dat veranderd is. Dus sommige ouders - ik mag niet generaliseren - voelen zich alleen verantwoordelijk voor de zorg thuis.’
Laatst, vertelt Rabbae, sprak hij Marokkaanse en Turkse ouders er weer eens op aan waarom ze hun geld nog steeds investeren in een lapje grond in het land van herkomst, in plaats van het te gebruiken ten behoeve van de ontplooiing van hun kinderen. 'Toen zeiden ze: ja maar als Janmaat hier de macht krijgt, dan moet ik toch een alternatief hebben. Ze voelen zich hier niet meer helemaal veilig.’
Is dat geen smoesje?
Entzinger, welwillend: 'Het zal niet zozeer om Janmaat zelf gaan of om die club. Ze bedoelen: wij hebben het gevoel hier onvoldoende welkom te zijn.’
Rabbae: 'Daarom waarschuw ik figuren als Bolkestein regelmatig voor de schadelijke effecten van hun zogenaamd taboedoorbrekende discours.’
Entzinger: 'Ik wil nog even doorgaan op de relatie tussen onderwijs en ouders. Wij hebben de neiging om die Marokkanen maar raar te vinden, maar in dit geval denk ik dat Nederland the odd man out is. Ik ben nog geen enkel land tegengekomen waar de osmose tussen onderwijs en ouders zo sterk is als in Nederland. Met alle oversteekmoeders en voorleesvaders en bibliotheekoma’s wordt, vind ik persoonlijk, ook wel erg veel van de ouders gevraagd. Dat is hier trouwens ook iets van de laatste jaren, misschien ligt het wel aan de bezuinigingen.’
De wetenschapper wendt zich tot de jonge schrijver. 'Ik ben erg gefrappeerd door wat je zei over die ouders die een schop onder de kont moeten hebben. Jij kunt dat als allochtoon denk ik wat makkelijker zeggen dan ik. Op zichzelf vind ik het ook wel een goeie zaak dat het uit de mond komt van een allochto… eh, van iemand die zelf tot de Marokkaanse gemeenschap behoort. Maar ik vraag me toch af of jij niet wat te veel van die ouders vraagt.’
Er lijkt zich een opmerkelijke rolwisseling te voltrekken. Entzinger, die in 1989 in het roemruchte WRR-rapport over allochtonenbeleid schreef dat Nederland veel te aardig is en te soft, begint nu omstandig uit te leggen dat de ouders, de eerste generatie migranten dus, het ook niet bepaald makkelijk hebben. Weggeplukt uit het Rifgebergte, de helft van het gezin bleef achter en vader deed alsof hij het in Nederland helemaal gemaakt had, maar viel, toen de rest van het gezin eenmaal overkwam, pijnlijk door de mand.
Entzinger: 'Ik kan me heel goed voorstellen dat dat onzekerheid produceert en dat maakt het niet zo gemakkelijk om in onze samenleving mee te komen. Kinderen verlangen van hun ouders een soort voorbeeldfunctie en omdat de ouders van deze jongeren nooit echt hebben geleerd te leven in een Westeuropese samenleving, kunnen ze die voorbeeldfunctie niet goed vervullen.’
Rabbae: 'En toch blijf ik zeggen dat heel veel ouders het wèl kunnen. Jij zult ook merken dat er ontzettend veel allochtone studenten bijkomen het laatste jaar.’
Entzinger, aarzelend: 'Ja, het begint…’
Benali: 'Maar dat doet niets af aan het feit dat de ouders het niet kunnen. Dat hebben die studenten gewoon aan zichzelf te danken.’
Rabbae: 'Nee, dat bestrijd ik. Ik ga de laatste jaren vaak met mijn zoontje naar voetbal en ik zie gewoon het aantal Marokkaanse, Turkse, Spaanse, Surinaamse ouders toenemen. En dat zijn zeker niet allemaal mensen die geschoold zijn en van de universiteit afkomen. Ze zien in dat het in Nederland kennelijk anders is en je met je kind mee moet.’
Benali: 'De ouders worden ook volwassen.’
Akel: 'Er zijn inmiddels twee internaten opgericht door Turkse ouders die willen dat hun kinderen het ver schoppen. Die mensen knappen met elkaar een gebouw op, timmeren dat samen in elkaar en zorgen met z'n allen dat het ding draait. Dus daar is een participatie van tweehonderd procent.’
MAAR IS HET niet droevig om de oplossing te zoeken in internaten? De witte kinderen mogen gezellig thuis bij hun ouders blijven, de zwarte moeten gedrild worden op het internaat?
Benali: 'Ik denk dat de Nederlandse kinderen gewoon dat internaat thuis hebben. Vroeger dacht ik dat Nederland vrijheid, blijheid was: seksuele revolutie, alles kan. Maar gaandeweg ben ik er achtergekomen dat het eerder omgekeerd is. Nederlandse kinderen worden om zeven uur achter hun huiswerk gezet. De Nederlandse opvoeding is veel strenger in de leer, veel calvinistischer.’
Hoe ben jij zelf opgevoed?
'Toen ik vier was, ben ik hier naar toe gekomen. Dat was in 1979. Ik had een strenge vader. Hij is middenstander, slager, ik ben in de slagerij opgevoed. Acht jaar lang heb ik elke dag meegewerkt, en daarnaast ging ik naar school. Nu denk ik daar een beetje over zoals Maarten ’t Hart over zijn strenge godsdienstige opvoeding. Hij vond het vreselijk om drie maal daags de bijbel te lezen, maar schrijft er nu wel dikke boeken over.’
Waar willen die ouders die eigen internaten oprichten, hun kinderen eigenlijk tegen beschermen: tegen hun eigen falen of tegen het verderfelijke Nederland?
Benali: 'Nederland is èng.’
Akel: 'Het verschilt per internaat, het ene is meer opgericht vanuit de angst voor Nederland, het andere omdat men het eigen falen onderkent. Maar er zou natuurlijk ook veel meer vanuit de Nederlandse scholen kunnen gebeuren. Het is toch te gek dat na drie uur ’s middags in Nederland alle klaslokalen dicht zijn?’
Rabbae: 'Het is jammer dat veel Nederlanders een traumatisch beeld hebben bij het woord internaat. Dat is gewoon een instelling waar de kinderen lol kunnen trappen en waar ze geholpen worden met het structureren van het eigen leventje en het succesvol afronden van een schoolcarrière.
En het zit mij ook mateloos dwars dat iedereen de mond vol heeft over criminaliteit en allochtonen, maar dat wanneer ouders zelf het initiatief nemen om bijvoorbeeld een internaat op te richten, de overheid afwezig is over de hele linie, schandalig afwezig. Komt men zelf met een concrete preventieve voorziening, dan geeft de politiek niet thuis.’
Omdat een internaat veel duurder is dan een gewone school.
Rabbae: 'Maar wèl goedkoper dan een gevangenis! Dat geldt trouwens ook voor het zogenaamde voorschoolse onderwijs aan bijvoorbeeld tweejarigen. Alle onderzoeken wijzen uit dat allochtone kinderen gemiddeld twee jaar achterstand hebben. Dus moet je met de tweejarigen beginnen. Maar de geldkraan zit dicht.’
Benali: 'Nu we dit weten, zijn we toch klaar? We weten waar het probleem zit, het kan alleen maar beter worden.’
NEE, WE ZIJN niet helemaal klaar. Want waarom zijn er eigenlijk aparte Turkse internaten, en zijn de Marokkanen bezig met hun eigen internaat; waarom niet gemengd? De gesprekspartners moeten het antwoord schuldig blijven.
Akel: 'Nee, nee. Ja, misschien zijn ze inderdaad over tien, vijftien jaar meer gemengd.’
En inderdaad, er zitten op de internaten alleen maar jongens.
Daarmee zijn we aangeland bij het grote verschil tussen allochtone jongens en meisjes. Meisjes doen het, even generaliserend gezegd, beduidend beter op school en zijn vrijwel nooit crimineel.
Entzinger: 'Jan Veraart, die bij mij is gepromoveerd, heeft driehonderd Turkse jongeren tussen de twintig en 24 ondervraagd, met twee belangrijke uitkomsten. Daaruit bleek behalve een enorme motivatie om mee te doen aan de Nederlandse samenleving, ook een gigantisch verschil tussen jongens en meisjes in de oriëntatie op arbeid. De overgrote meerderheid van die jonge Turkse vrouwen werkte niet en had ook helemaal niet de ambitie om dat te doen. Velen hadden al een of twee kinderen. Het is het beeld van de Nederlandse vrouwen van een generatie geleden, of misschien zelfs nog iets meer terug, een soort jaren-vijftigmentaliteit. Kortom: het is wel mooi dat die Turkse meisjes niet in de criminaliteit terecht komen, maar om nou te zeggen dat ze zo prachtig integreren… Ze trouwen gewoon. En dat zijn wel degenen die de kindertjes weer moeten opvoeden in de Nederlandse samenleving.’
Rabbae: 'Maar er zijn óók meisjes die hun studie zien als de beste garantie tegen het uitgehuwelijkt worden, die juist keihard studeren om aan het benauwde thuis te ontsnappen. Dat zou wel eens de reden kunnen zijn dat meisjes het op school beter doen, jongens missen die specifieke motivatie.’
De meisjes worden vooral door hun moeders opgevoed, de jongens door hun vaders. De meisjes komen beter terecht. Doen de moeders het dus beter dan de vaders?
Rabbae: 'Dat vind ik wel ja. De moeder is de onderschatte motor van de familie. Ze regelt alles in de verzorging, zorgt voor de kleding, eten, wassen, noem maar op. Die regelt zo'n beetje alles. Tja, en de vader… De vaders willen natuurlijk ook dat hun kind het beter krijgt dan zij, maar de moeder is flexibel in haar gedrag, ze is intermediar, lost de problemen op, verbergt ze zonodig. Ze stuurt veel meer dan de vader. De vader is soms een beetje digitaal, mechanisch: het is wit of zwart. Niet flexibel.’
Benali: 'Mannen zijn kortzichtiger, denken minder door.’
Terug naar het WODC-rapport. De WODC-onderzoekers zijn opmerkelijk kritisch over de vele projecten die allemaal gericht zijn op de individuele (potentiële) allochtone crimineel. De sportbevordering, survival-tochten, cursussen, het zijn allemaal slechts druppels op een gloeiende plaat, vindt het WODC. Veel beter is het om buurtgericht te werken, de sociaal-economische situatie van een buurt te bevorderen, meer welzijnswerk, meer activiteiten - voor alle kinderen - rond school. Kortom: het ligt wel degelijk aan de omgeving, het 'eigen verantwoordelijkheid, dikke bult’ lijkt weer voorbij.
Het staat er niet met zoveel woorden, maar gaat dit niet lijnrecht in tegen bijvoorbeeld het WRR-rapport van Entzinger?
U zei in dat rapport: ze moeten gewoon de taal leren en aan het werk, geen gezeik, de buitenlanders dreigen doodgeknuffeld te worden. Het WODC pleit juist voor méér welzijnswerk.
Entzinger: 'Inmiddels ben ik voorzitter geworden van de VOG, dat is de werkgeversvereniging in de welzijnssector, dus ik kom een klein beetje in gewetensconflict.’
Hilariteit alom.
Entzinger: 'Ik heb het woord doodknuffelen trouwens nooit gebruikt. Die term is van Pinto en ik heb hem ook nooit onderschreven. Het ging de WRR erom dat mensen meer participatiekansen krijgen en dat hun afhankelijkheid van hulpverleners en uitkering doorbroken wordt. De werkwijze van het welzijnswerk is trouwens sterk veranderd, het gaat nu veel meer om opvoeden tot zelfstandigheid. Maar wat mij betreft gaat het niet om meer welzijnswerk, maar moet er vooral beter samengewerkt worden. Als je ziet hoe gigantisch onderwijs, welzijnswerk en politie langs elkaar heen werken, daar kan heel wat verbeteren.’
Akel: 'Ik heb ook nooit gezien dat iemand werd…’
Rabbae: ’…doodgeknuffeld. Eigen verantwoordelijkheid is natuurlijk mooi, maar wat betekent dat? Laat je mensen gewoon zwemmen zodat ze op een gegeven moment echt in de zware criminaliteit terecht komen, zoals gebeurt in Noord-Frankrijk, waar mensen van begin af aan echt geen ander perspectief en stijgingsmogelijkheid hebben dan in de drugshandel, óf zorg je ervoor dat de mensen toch een beetje begeleid worden in de hoop dat het lukt?’
Entzinger ziet zijn kans schoon: 'Vanuit die veronderstelling is de inburgeringsgedachte ook ontstaan. Je moet een bepaalde minimale bagage hebben om hier te kunnen functioneren.’ Hij wendt zich tot Benali: 'Maar ik ben wel benieuwd wat jij daarvan vindt, van het inburgeren.’
Benali: 'Wat is dat precies?’
Entzinger: 'Laat ik het anders vragen. Jij wijst op de eigen verantwoordelijkheid van bijvoorbeeld Marokkanen. Maar vind je ook dat de Nederlandse samenleving zich anders moet opstellen dan tot nu toe gebeurt?’
Benali slaakt een diepe zucht. 'Mijn vader is vrij jong naar dit land gekomen. Hij heeft zichzelf gesteund, op eigen krachten. Hij heeft nooit een beroep gedaan… laat ik het zo zeggen: er viel nergens een beroep op te doen. Wat me opvalt, is dat mensen wel heel graag wìllen, als er maar sprake is van respect, een bepaald soort gelijkwaardigheid en niet dat ze het gevoel krijgen dat er binnenlandse ontwikkelingshulp bedreven wordt. Niemand wil betutteld worden, iedereen ziet zichzelf natuurlijk het liefst als sterk.’
Akel: 'Maar welke betutteling dan? Ik ben hier al 27 jaar, maar wie heeft mij in godsnaam betutteld? Wie heeft mij een hand toegestoken en gezegd: “Nou, arme meneer Akel, wilt u studeren? Hier heeft u een studiebeurs!” Er zijn mensen zes, zeven jaar werkloos zonder ook maar een keer opgeroepen te worden door de sociale dienst met de vraag: Meneer, wat is er met u aan de hand?’
Benali: 'En die persoon dan? Wat heeft die in die zeven jaren gedaan?’
Rabbae: 'De boodschap is soms ook heel dubbelzinnig. Aan de ene kant wordt van de jongeren verwacht dat ze zich conformeren aan de Nederlandse samenleving, maar als dat niet meteen lukt, wordt het zogenaamde Marokkaanse model weer van stal gehaald en moet de knoet erover. Zo kregen we het justitiële internaat waar Marokkaanse jongeren onder het regime van Kosto in een Marokkaanse setting getuchtigd werden. Na een half jaar was het crisis en werd het opgeheven. Twee systemen naast elkaar, dat werkt niet.’
Benali: 'Vijftig procent van de inwoners in grote steden is nu allochtoon. Jongeren onder de achttien jaar ontwikkelen een eigen cultuur, een eigen mengvorm.’
EN HOE ZIT HET eigenlijk met de rol van de imam? Mohammed Rabbae heeft eens de uitspraak gedaan dat de band tussen de gebedsvoorganger en de Marokkaanse overheid doorbroken moet worden. Immers, via de imams houdt koning Hassan de Marokkanen af van integratie.
Maar nu relativeert Rabbae: 'De imam wordt eigenlijk overschat in zijn positie. Een paar dagen geleden was ik in de grote moskee in Amsterdam. Daar sprak ik mensen die zeiden: “We zien de moskee maar één keer per week, want we moeten ook werken. Als de imam een goed verhaal heeft, dan vinden we dat prima, maar het is echt niet zo dat wij alles doen wat hij wil. Wij weten echt wel wat wel en niet goed is voor onze kinderen.”
Een tijd geleden was er een bijna perfecte imam in Amsterdam. Die man mobiliseerde de jeugd echt, op zaterdag ging hij zelfs met de jongens voetballen. Hij had het vertrouwen van iedereen: mannen, vrouwen, jongedames, kinderen. Maar helaas is hij vertrokken. Heb je zo'n figuur, dan kun je wat doen voor de jongeren. Maar dat is niet bepaald het profiel van de moskee op dit moment.’
Overigens heeft niet iedereen even veel op met het woord 'allochtoon’. Entzinger werpt op dat met het verstrijken der jaren het moment nadert dat allochtonen niet meer onder één gezamelijke noemer zijn te vangen.
Benali: 'Wie noemen ze nou tegenwoordig nog allochtoon?’
Akel: 'Nou, jou en mij.’
Benali: 'Volgens mij is over tien jaar de Nederlander allochtoon.’
Akel: 'Ach, het is nou ook weer niet zo dat ik ’s ochtends tijdens het scheren tegen mijn spiegelbeeld zeg: Hé, allochtoon.’