Profiel: Balkenende II (2003 - ?)

Alle dagen politiek

Voor het eerst sinds dertig jaar regeert er in Nederland weer een onversneden ideologisch kabinet met de strikte opvatting dat de maatschappij wel degelijk maakbaar is. Geen «laisser faire» of «trial and error», maar «hand in hand» is het parool dat in de Miljoenennota overal impliciet en expliciet doorschemert. Een drastische afrekening met het bleke pragmatisme, dat het land zo lang heeft verslapt, is op til. Voor het eerst sinds drie decennia is de leiding daarvan toevertrouwd aan een mannenbroeder met een robuuste gereformeerde achtergrond.

Het kan daarom geen toeval zijn dat het ambitieniveau van het tweede kabinet-Balken ende veel gemeen heeft met dat van het eerste en laatste kabinet-Den Uyl. Zelfs numeriek ontlopen de motto’s elkaar amper. Trok Den Uyl ten strijde voor de trits «spreiding van kennis, macht en inkomen», Balken ende ijvert eveneens voor een drieluik: «meedoen, meer werk, minder regels». Het wapentuig van beiden is weliswaar onvergelijkbaar. Den Uyl geloofde in de wetgevende staatsmacht; Balkenende gokt op de participerende burgers als infanterie. Maar hun doel was respectievelijk is verheven: een ingrijpende hervorming van de samenleving die van bovenaf door een coach in het torentje in goede banen wordt geleid.

Het positivisme van de Verlichting en de dwang der Romantiek hebben in hun beider ziel om voorrang gestreden. De concrete maatregelen blijven natuurlijk van belang. Maar vooral het ingrijpende gevecht om deze intense visie wordt interessant. Premier Balkenende laat er in zijn Beleidsprogramma 2004-2007 nu al geen misverstand over bestaan: «Het kabinet wil de bakens duidelijk verzetten. Het zal een cultuuromslag teweeg moeten brengen, binnen zowel de overheid als de samenleving. Die cultuuromslag bestaat er uit dat burgers en maatschappelijke organisaties zelf ook een verantwoordelijkheid hebben en in veel gevallen zelfs beter toegerust zijn om de maatschappij vorm te geven.»

Dit klinkt als een echo van de «mentaliteitsverandering» waarvan de idealisten in de jaren zeventig graag gewag maakten als hun theorie niet bleek te sporen met de praktijk. Ook normatief zijn de ambities van de premier herkenbaar. «Mensen kunnen veel zelf als ze de ruimte krijgen», weet Balkenende. Maar «de ruimte die wordt geboden is niet vrijblijvend. Burgers en bedrijven hebben de plicht verstandig om te gaan met de eigen verantwoordelijkheid». Want dat is niet meer het geval, blijkt uit alle ideologische hoofdstukken in de begroting van het kabinet. De vaderlandse waarden en normen zijn van onderen en over een brede linie opgeblazen. Het «culturele erfgoed» wordt niet meer gekend. «Verwaarloosde tuintjes en ongeverfde huizen» zijn daarvan volgens Rita Verdonk een eerste indicatie. Op straat spreekt men gesluierd of samenscholend onverstaanbare talen. Thuis laat men overdag de gordijnen dicht, aldus de minister van Vreemdelingenzaken en Integratie. Zo worden de successen, die in haar ogen ook worden geboekt, weer ongedaan gemaakt.

Daaraan moet een halt worden toegeroepen. Hoe? Via een drietrapsraket die de samenleving zal doorkruisen. Anders gezegd: eerst normeren, dan delegeren en vervolgens incasseren.

De eerste trap — het dwingend aanreiken van waarden en normen — is een prerogatief van de politiek, ook op zondag. De «overgrote meerderheid van de burgers vindt dat de overheid hier een wezenlijke taak heeft», aldus Balkenende. Afbakening ervan acht het kabinet overigens «niet zinvol». Het «erfgoed» is niet meer dan een «reeks basale normen». Laten we het houden op de Grondwet. Dit constitutionele fundament heeft volgens het kabinet namelijk een andere betekenis gekregen. Het is niet meer een basistekst om de verhouding tussen burgers en overheid te definiëren; het is een cultureel programma geworden waarin ieders plichten gelijkelijk zijn vastgelegd.

Met dit macroschema op zak gaat de regering de tweede trap afschieten: «de overdracht en handhaving van waarden en normen» naar die maatschappelijke organisaties die daarbij een «evidente rol» spelen. Vroeger werd dat middenveld gevormd door uit de verzuiling stammende instituties als werkgeversverenigingen, vakbonden, onderwijskoepels en ziekenhuisbesturen. Nu daalt Balkenende nadrukkelijk af van meso- naar microniveau. Het huwelijk is al een maatschappelijke instelling. Eigenlijk moet ieder mens in zijn eentje aan de basis een institutie gaan vormen, daartoe «uitgelokt» door de top. Maar voordat het zover is, zullen met name het onderwijs en de politie worden ingezet voor de «sociale samenhang in de samenleving».

In de klas worden de waarden en normen overgedragen, een taak die de overheid overigens kwalitatief en kwantitatief blijft controleren. De meer of minder justitiële organen, variërend van jongerenwerkers tot geüniformeerde agenten, gaan zich meer dan voorheen bezighouden met de handhaving. De politiekorpsen zullen daarom nadrukkelijker worden «gestuurd» door Binnenlandse Zaken. Hoe de burgermeesters als korpsbeheerders in deze sturing nog mogen meedoen, is onduidelijk. Preventie is immers ondenkbaar zonder repressie, liet minister Johan Remkes van Binnenlandse Zaken vorige week weten, toen hij de dienders waarschuwde zich buiten diensttijd juist niet «in een coffeeshop te vertonen».

De derde trap van de raket gaat tegelijkertijd alle burgers raken. De kwestie is niet zozeer wat er wél maar vooral wat er níet wordt gedelegeerd aan lokale overheden, zelfstandige bestuursorganen en individuele burgers. De «centrale sturing» moet volgens minister Hans Hoogervorst van Volksgezondheid worden vervangen door een «systeem van gereguleerde marktwerking». Het collectieve en spilzieke aanbod van bovenaf kan zo plaats maken voor de individuele en kostenbewuste vraag van onderop. Bij de WAO gaat het er niet meer om «arbeidsongeschiktheid te verzekeren» maar om «arbeidsgeschiktheid te activeren». In de volkshuisvesting is het niet anders: «belemmeringen wegnemen», «kaders stellen» en de vele «partijen op de markt stimuleren». Zelfs de Antillen worden niet overgeslagen. «Zelfredzaamheid» en «minimale waarborgen» worden de «focus». Voor pessimisme en weemoed is geen plaats meer in het nieuwe Nederland. Optimisme dient te regeren.

Is het niet allemaal een beetje te veel van het goede om een kabinet zoveel vooruitgangs geloof toe te dichten? In de modder van het doordeweekse bestuur verzuipen idealen immers vaak. Dat klopt. Maar wie Troonrede en Miljoenennota als zondagse toonzetting voor de overige zes dagen serieus wenst te nemen, wordt door Balkenende nadrukkelijk «uitgedaagd» de consequenties tot de duivel door te drijven.

De terloopse opmerking van minister Jaap de Hoop Scheffer om het buitenlandse beleid van Nederland tot een minimum terug te brengen, is zo gek nog niet. Zijn idee spoort met de «niet makkelijke weg» die Balkenende inslaat. De ministers kunnen gaan verdwalen. Hun keuze kan echter ook een beslissing uit het theoretische boekje blijken te worden; te weten de politiek inzetten om de politiek overbodig te maken.

Wanneer alles lukt wat de coalitie thans voor ogen heeft, hoeft de opvolger van Balken ende straks geen leiding meer te geven aan een vijftiental bewindslieden. In de meest ideale afwikkeling van het scenario volstaan tegen die tijd drie ministers: een premier voor de waarden en normen die de burgers aan de dag moeten leggen, een minister van Finan ciën voor de sluitende kas waarmee de maatschappelijke instellingen tot sociaal gedrag worden geprikkeld en een minister van Justitie voor het straffen van de onderdanen die het onverhoopt nog niet hebben begrepen.

Het profiel van dit kabinet is uiteindelijk boven alles een idee. Het wil de talloze futiele regeltjes afschaffen omdat het één essentiële regel gaat optuigen: de regering bepaalt hoe het volk zich in het kleurenspectrum van zwart en wit dient te gedragen, de burgers bepalen onderling hoeveel grijs ze tolereren. Anders gezegd: na de sancties, die in deze tussenfase helaas onvermijdelijk zijn, zullen de burgers zichzelf uiteindelijk belonen.

We leven in Nederland. Anders zou dit een vergezicht van communistische allure zijn.