Teleurstelling op het filmfestival te Cannes

Alle filmogen

Cannes is altijd het filmfestival van de verwachtingen. Grote verwachtingen en daarom ook niet geringe
teleurstellingen.

De als verpletterend aangekondigde film blijkt tussen al die andere films, al die feestjes en al dat mooie weer toch maar gewoon een film te zijn geweest. Misschien niet eens een slechte. Misschien zelfs een vrij goede, maar zelden zo indrukwekkend als hij volgens de gewekte verwachtingen had moeten zijn. Lars von Trier kwam dit jaar naar Cannes om zijn Breaking the Waves te overtreffen met Dancer in the Dark. Onbegonnen werk, kun je achteraf makkelijk zeggen, maar vooraf had deze grauwe musical met het fenomeen Björk en een moederlijke Catherine Deneuve een faam meegekregen die zelfs de grootste klassieker niet zou kunnen dragen. Dancer in the Dark is een gewaagde en intrigerende film, maar verre van een onaantastbaar meesterwerk. Een enkele criticus rook bloed en sneed de film aan flarden. Overdreven, overspannen en ten onrechte, maar niemand had het idee dat de criticus zich hiermee in de vingers zou snijden zelfs al zou de film winnen (wat hij dus deed). De verwachting had al plaatsgemaakt voor berusting. De film was goed, de film was bijzonder maar niet iedereen hoefde het daarmee eens te zijn.
De gebroeders Joel en Ethan Coen kwamen om hun eigen Fargo te doen vergeten. Hun O Brother, Where Art Thou? bleek een aaneenrijging van kluchtige onzin waarin alles wat je te binnen schiet bij het legendarische diepe zuiden van de Verenigde Staten een plaats had gekregen. Virtuoze onzin, dat wel, maar toch onzin.
De grote talenten van het nieuwe Franse filmen Olivier Assayas en Arnaud Desplechin, makers van veel besproken en hoogst moderne films, brachten lange en brave kostuumfilms. Hoe groot kan een teleurstelling zijn. Assayas liet met Les destinées sentimentales zien dat hij een keurige en vakbekwame verfilming van een historische roman kan maken, maar dat kunnen er wel meer. Zeldzaam zijn de filmmakers die een ijzige adolescentenvertelling als L'eau froide of een gekke en hippe filmode als Irma Vep kunnen maken, en daarom zou je van Assayas graag iets anders zien dan het bewijs dat hij ook een gewone film kan maken. Desplechin overtrof Assayas in teleurstellendheid omdat zijn goede films (als La sentinelle) nog gekker en hipper zijn en de boekverfilming Esther Kahn niet overtuigde in zijn poging om het portret van een negentiende-eeuwse actrice te schilderen.


Maar goed, hoezeer ook verbonden met Cannes als platform voor verwachting wekkende filmmakers, het gaat niet om de teleurstellingen. Uiteindelijk gaat het om de films die w él overtuigen. Om die films die je ondanks grote of kleine verwachtingen overmeesteren. Om films als Yi Yi (A One and A Two) van Edward Yang. Een film met een rustige onverzettelijkheid die zich onttrekt aan het proces van het al of niet waarmaken van gewekte verwachtingen. Want je mocht wel degelijk iets verwachten van de Taiwanese meester van A Brighter Summer Day. Yang ontweek die verwachting opzettelijk. Volgens eigen zeggen wilde hij een film maken die je het gevoel geeft enige tijd met een vriend te hebben doorgebracht. Het ging hem niet om de ontmoeting met de zogenaamd grote regisseur. Hij wilde personages van vlees en bloed voor zijn reputatie plaatsen en daarin is hij zeer goed geslaagd.
De film laat je een tijdje (feitelijk drie uur, maar het lijkt tegelijk langer en korter) meeleven met een familie in hedendaags Taipei. Een soort omgekeerde soap, omdat de emoties niet worden uitvergroot en hysterisch gemaakt, maar juist naar terzijdes worden verplaatst. Grote gebeurtenissen voltrekken zich net in de kamer waar je niet bent, net op de dag die in de vertelling wordt overgeslagen, net achter de rug om van degene die het betreft. Als in het leven zelf rest de personages weinig anders dan omzien en verder leven. De twijfelende en weinig spectaculaire hoofdpersoon ziet zijn bedrijf en gezin uiteenvallen zonder dat hij bij machte is om in te grijpen. In zijn alledaagse machteloosheid wordt hij op een bijna beklemmende manier sympathiek.
Regelmatig laat Yang zijn hoofdpersoon de tobber die hij is en volgt hij andere leden van de familie. Ieder met een levensecht eigen leven dat toch haast terloops en schijnbaar toevallig blijkt te passen in de levensloop van de hoofdpersoon zonder eigenschappen, die daardoor op een sluipende manier steeds meer kleur en diepte krijgt. Een ogenschijnlijk bescheiden impressie van een familie die uiteindelijk een fraai afgeronde vertelling blijkt te zijn over het leven met verwachtingen en teleurstellingen. Hoe kun je het dan nog hebben over het al dan niet teleurstellen van een film? Of dat Yang een grotere prijs verdiende?
Toch nog maar een laatste poging. Voldoen aan de verwachtingen blijkt niet genoeg te zijn als alle filmogen van de wereld op je zijn gericht. Tegelijk meer en minder geven lijkt een goede strategie. De stuurse Oostenrijker Michael Hanecke ging met een grote Franse producent in zee en maakte Code inconnu, een film die nog fragmentarischer en stuurser is dan zijn Oostenrijkse werk. Boven verwachting. Je moet maar durven. En daar gaat het natuurlijk ook om. Ook al krijg je er geen prijs voor.