Opheffer

Alle Godsdiensten moet je Opheffen

Eén op de tien Nederlanders komt er eerlijk voor uit dat hij of zij racistische gedachten en opinies heeft. Het lijkt me een vooruitgang in vergelijking met veertig jaar geleden.

Ik wil niet overdrijven, maar in mijn jeugd – als ik voetbalde of bij vriendjes thuis ging spelen – ontmoette ik altijd wel racisme in de vorm van vreemde opmerkingen over mij en mijn ouders: «Hé Blauwe, jullie eten toch honden? Van Fikkie afblijven, hè?» «Indische jongens kunnen goed gitaar spelen, maar ze stelen ook veel.» Of tegen mijn ouders: «U mag heel blij zijn met zo’n zoon, want Indische kinderen ontbreekt het vaak aan doorzettingsvermogen en intelligentie.»

Hoe meer er werd gediscrimineerd, hoe leuker wij het vonden, met uitzondering van mijn vader, die er op wilde slaan. Volgens hem was de halve wereld racistisch.

Racisme beschermt de groep en is makkelijk. Waarschuw voor alle Marokkanen, en je hoeft niet bij elke Marokkaan te zeggen: hij deugt, maar hij deugt niet.

Racisme is ongetwijfeld de kwalijkste van alle maatschappelijke kwalen, omdat de ziekte niet bij de veroordeelde valt te constateren, maar bij de racist. En als medicijn hebben we een ethisch appèl ontwikkeld: «Gij zult niet generaliseren!»

Nooit?

«Nooit!»

«Maar… dan mag ik dus ook het niet-generaliseren niet generaliseren…»

«Eh…»

En daar zit hem precies de verknoopte kneep.

Het «debat» over onze moslims verzandt vaak in hopeloze beschuldigingen over «wij en zij». Niet alleen worden feiten en meningen door elkaar gehusseld, ook mensen en opvattingen worden in de soep gegooid.

Toen ik ergens schreef dat ik «christenhonden misdadigers» vond, werd ik meteen voor het gerecht gedaagd. Ik had gediscrimineerd. Ik had immers een minderheid aangevallen, volgens het openbaar ministerie. En wel: de christenen. Ik had ze niet alleen betiteld als «honden» maar ook als «misdadigers». Iedereen wist toch, zei de procureur-generaal, dat niet alle christenen misdadigers zijn…

Ik werd uiteraard vrijgesproken, want gelukkig bezag de «meervoudige strafkamer» (ik had een zwaar vergrijp gepleegd) eveneens de context van mijn uitspraken.

Maar niet lang daarna werden Theo van Gogh en ik door een of ander antidiscriminatiebureau aangevallen omdat we zogenaamd moslims beledigd zouden hebben. We hadden lachwekkend gedaan over mensen die hoofddoekjes droegen – wat klopte. We hadden hun God belachelijk gemaakt – wat ook klopte. We hadden religieuze rituelen expres verkeerd geïnterpreteerd en die belachelijk gemaakt – wat eveneens juist was. Kortom: we hadden gediscrimineerd. En het wonderlijke was: hoewel we toen zelf ook links waren, kwamen deze beschuldigingen altijd uit de linkse hoek. Respect betekende, zo oordeelde men, dat je elkaar vrij liet in godsdienst («Mee eens!») en dus die godsdienst niet belachelijk ging maken of door het slijk ging halen («Niet mee eens!»).

Dezelfde mensen die ons hadden beschuldigd gingen ’s avonds naar Freek de Jonge of Youp van ’t Hek om zich daar te laten vermaken. Hun grappen waren duidelijk grappen, en dan mocht het blijkbaar wel.

Alsof ze totaal iets anders meenden dan ze wilden zeggen…

Wanneer ben je eigenlijk precies een racist?

Voor mij is het eenvoudig: als je negatieve eigenschappen toekent aan een bepaald, vermeend menselijk ras. Joden deugen niet, Marokkanen zijn misdadigers – «Negers zijn te dom om voor de duvel te… nou… dat kunnen ze nu net wel», was een grap van Freek de Jonge in de jaren tachtig.

Maar ja, is dan ook de uitspraak «Amerikanen zijn sadisten, kijk maar naar Irak» niet een vorm van discriminatie?

Het afgelopen weekend heb ik weer vele keren «schandelijk» gehoord op radio en tv over het feit dat tien procent van de Nederlanders openlijk discrimineert. We willen geen allochtoon voor onze dochter, ook liever niet als buurman, zeker niet als minister-president, et cetera, et cetera.

Maar het is niet zo schandelijk; het is een maatschappelijke ziekte die soms ernstige vormen kan aannemen, maar meer niet. Je moet er niet alleen voortdurend op blijven hameren dat «discrimineren niet hoort», je moet ook inzicht verschaffen in wat discrimineren is, en waar het geen discriminatie is. Discriminatie is griep die kan uitgroeien tot een dodelijk virus als je er niet op tijd bij bent. Maar je moet wel het juiste virus aanpakken, anders heeft het geen zin.

Ik woon liever ook niet naast Mohammed B., maar Youssoef A. is welkom.

De uitspraak dat de islam een achterlijke godsdienst is, is geen discriminatie. «We moeten homo’s van het hoogste dak af werpen» is dat wel. Even een generalisatie tussendoor: «De meest verschrikkelijke uitspraken over godsdienst vallen niet onder discriminatie.»

Tja, en dan komen ze: «Zijn islamieten sadisten, dom, promiscue, klootzakken, armoedzaaiers, walgelijk…» Je hebt Popper niet nodig om in te zien dat deze vraag niet met een eenvoudig ja of nee is te beantwoorden.

«Islamieten mogen hier geen winkels beginnen, niet wonen, niet in cafés komen» – dat is discriminatie. «We moeten die godsdienst bestrijden!» is geen discriminatie – en dat zeg ik niet omdat ik dat vind.

Alle Godsdiensten moet je Opheffen.