Alle herinneringen dezelfde rechten

Op 15 maart 1916 schrijft de tweeëntwintigjarige Kroaat, soldaat, journalist en schrijver in spe Miroslav Krleza in zijn oorlogsdagboek, dat hij afwisselt met kranteberichten over dierenmishandeling en de voordelen van Yes-porseleinpoeder voor een frisse, zachte teint: ‘Wij voeren oorlog als Teutoonse horden maar in feite zijn we krijgsgevangenen die zelfs van de Geneefse conventie geen bescherming genieten, in plaats daarvan voeren we oorlog en zijn we hoogverraders van ons eigen volk.

Als dat niet pervers is weet ik het niet meer.’ Twee dagen daarvoor had hij geschreven dat elke kogel ‘een gloeiende nagel in ons bewustzijn’ was.
Er staat nog veel meer in dit hoogst actuele, adembenemende dagboek uit 1916, waaruit het tijdschrift Raster (wie zei daar dat de literaire bladen maar beter konden worden opgeheven?) een paar fragmenten aanbiedt in haar themanummer over de grote Kroatische schrijver Miroslav Krleza (1893-1981).
Zijn soldatendagboek is een demasqué van alle etnische hysterie, rassen- en volkenwaan en soldatenheldendom. 'Alles is verstikt, alles is één grote begraafplaats’, noteert hij 31 maart 1916.
In 1916 hadden er al twee Balkanoorlogen gewoed, met veel Servisch machtsvertoon. In de Eerste Wereldoorlog, die in Sarajevo begon, is Krleza kort onderofficier met het bevel over een peloton dat in de omgeving van Zagreb (Agram) oefent. Romanticus is hij dan al jaren niet meer. Hij heeft gezien hoe het ene volk het andere wenst af te slachten. In 1916 vraagt hij zich af wie hij is. 'Niemand van ons zal zijn stem verheffen op de grote fora van het slachthuis waar de eigenlijke Kroatische kwestie wordt opgelost, en niemand zal de wereld duidelijk maken wat er aan ten grondslag ligt. Zwaar op de proef gesteld gaan we nu gebukt onder een nog grotere last: twijfel aan onze eigen existentie.’
Vorig jaar las ik voor het eerst een roman van Krleza, Op de rand van het verstand (1938). Het boek was een openbaring voor mij, een meesterwerk dat met een visionaire blik de Werdegang beschreef van een eenling die zich weigert te onderwerpen aan opportunisme en agressie. In Raster wordt het een antistalinistische roman genoemd, maar daarmee wordt het voorspellende karakter van het boek (zonder dat de roman wil voorspellen; het is de lezer die in feite twee boeken leest) een beetje weggemoffeld. Wat ik nu gelezen heb aan fragmenten uit Krleza’s oeuvre doet vermoeden dat Op de rand van het verstand niet eens tot zijn beste werk behoort. De schrijver zelf vond De terugkeer van Filipo Latinovicz (1932) en Het driedelige Banket in Blitwa (1938, 1939 en 1962: een satire op de wegwerkdenkwijzen van een dictator) het meest geslaagd.
Raster schroomt niet Miroslav Krleza in één adem te noemen met onder anderen Bruno Schulz, Robert Musil, Karl Kraus. Danilo Kis vergeleek hem met Voltaire en vond in hem zijn literaire leermeester (in zijn opsommingslust moet Kis inderdaad veel van Krleza hebben opgestoken).
Is die grote-namennoemerij niet enigszins overdreven? Nee, dat is het niet. De dagboekfragmenten; zijn reisverhalen uit Dresden, Litouwen en de prille SovjetuUnie; de presentatie van de twee hoofdfiguren uit De terugkeer van Filip Latinovicz; de moorddadige gedachtenstroom van kolonel Barutanski, heerser over Blitwa (Banket in Blitwa), het zijn proeven van een literair meesterschap.
Miroslav Krleza wordt in Raster afgesloten met vier essays over de dood en de stad van Bogdan Bogdanovic, ex-burgemeester van Belgrado. Hij staat stil bij de rituele stedenmoord waarvan met name Sarajevo, Vukovar, Dubrovnic en Mostar slachtoffer zijn geworden. Hij ziet de stad als bewaarplaats van een multicultureel geheugen dat al in de architectonische mengvormen te zien is. Etnische zuiverheid bestaat niet, schrijft hij. Hij zou wensen dat in zijn land alle herinneringen dezelfde rechten hadden. Het is Miroslav Krleza die die wens in zijn literaire werk levend houdt, niet alleen voor Servië of Kroatië maar ook voor de rest van de wereld, als die nog wil lezen.