Alle hoop is gevestigd op de maakbare leerling

Gloort er voor het onderwijs licht aan het einde van de tunnel? Een paar weken geleden lieten de fractievoorzitters van de vier grote partijen weten dat in de volgende regeerperiode extra in het onderwijs moet worden geïnvesteerd.

In de superdynamische informatie-, kennis- en dienstverleningssamenleving van de eenentwintigste eeuw valt immers alleen te overleven als de burgers over de vereiste intellectuele, emotionele en sociale handigheden beschikken.
Het is echter de vraag of het docentenkorps hier nu zoveel verlichting van te verwachten heeft. Dat dat hoognodig is, werd deze week nog eens duidelijk uit een rapport van de OESO. Daaruit blijkt dat Nederlandse docenten in vergelijking met hun Europese en Amerikaanse collega’s het minst verdienen, terwijl ze de meeste uren maken en de grootste aantallen leerlingen verstouwen. Toch is deze overbelasting niet de voornaamste drijfveer om weer in onderwijs te investeren - dat is de onzekerheid over de toekomst die bezit heeft genomen van de bestuurlijke elite in dit land. Het idee dat als we niet snel wat doen, we de boot zullen missen.
Wie bijvoorbeeld de vorige week verschenen studie Toekomsten voor het funderend onderwijs van Roel in ’t Veld c.s. doorneemt, wordt bijkans begraven onder de ontwikkelingen waar het onderwijs allemaal wat mee moet: van zingeving tot informatietechnolgie, van tweedeling tot multiculturalisering - niets laat het onderwijs onberoerd. In ’t Veld levert vervolgens drie scenario’s, waarin over de rol van de overheid, de gerichtheid op het kind, de bijdrage van ouders, het bestrijden van ongelijkheid en de multiculturaliteit steeds andere politieke keuzen worden gemaakt. Op basis van dit rapport gaat staatssecretaris Netelenbos de komende maanden met het onderwijsveld rondetafelgesprekken voeren.
Daar is natuurlijk niets op tegen, maar wie het rapport leest kan toch moeilijk om de indruk heen dat hier eerder de kopzorgen van de bestuurlijke elites op het onderwijs worden geprojecteerd dan dat het rapport op een heldere analyse is gebaseerd van wat er nu precies in dat onderwijs gaande is. Bestaande vernieuwingen worden niet geëvalueerd, heldere diagnosen over de actuele stand van zaken komen niet voor, veronderstellingen worden niet aan de actualiteit getoetst, nee; de lezer wordt uit het niets meegenomen naar een zorgelijke toekomst.
In die context moet er van alles anders. Moet het onderwijs meer rekening houden met de ouders, meer doen aan sociale en emotionele ontwikkeling, zich meer openstellen voor de samenleving, voor normen en waarden, voor lokale gemeenschappen. Het zijn vermoedelijk ideeën die een gemiddelde docent alleen maar met lede ogen kan aanzien. Zou hij of zij het nu allemaal fout doen, of is het zo dat er na het afzweren van de maakbare samenleving een nieuw beleidsobject is gevonden voor de politieke besturingsdrang: de maakbare leerling? Er zijn vermoedelijk maar weinig docenten die zich daar veel illusies over maken. Waarschijnlijk is dat de reden waarom ze in al die onderwijsdiscussies zo hardnekkig schitteren door afwezigheid.