Interview met chantal Gill’ard

‘Alle kinderen moeten naar school’

Chantal Gill’ard (Rotterdam, 1970) zit sinds 2006 in de Tweede Kamer voor de Partij van de Arbeid. Ze is veel bezig met ontwikkelingssamenwerking. ‘Ik ben politicus geworden om te helpen de wereld een beetje beter te maken.’

Hoe ziet uw dagelijks leven eruit?

Chantal Gill’ard: ‘Ik ga drie vaste dagen in de week naar de Tweede Kamer in Den Haag. Op dinsdag, woensdag en donderdag. Op maandag en vrijdag breng ik bezoekjes in het land. In Den Haag vergaderen we over beleid.

Hoe gaat u naar uw werk?

‘Ik ga met mijn eigen auto. Ik heb geen chauffeur. Dat hebben alleen de ministers, de fractievoorzitters en de voorzitters van de Tweede Kamer.’

Wanneer bent u bij de Tweede Kamer gekomen?

‘Ik ben in de Tweede Kamer gekomen omdat er genoeg mensen op de Partij van de Arbeid hebben gestemd. Bij die politieke partij stond ik op de kandidatenlijst. Ik ben politicus geworden om te helpen Nederland en de wereld een klein beetje beter te maken .’

U bent veel bezig met ontwikkelingssamen-werking. Wat is dat precies?

‘Ontwikkelingssamenwerking is dat je arme landen helpt om uit de armoede te komen. Je wilt dat alle mensen te eten hebben, dat kinderen naar school kunnen, dat er toiletten zijn en dat er schoon water is, zodat er minder mensen ziek worden, want veel ziektes verspreiden zich via het water.’

Waar komt het geld voor ontwikkelingssamenwerking vandaan?

‘Het geld dat Nederland geeft aan ontwikkelingssamenwerking komt van ons allemaal. Samen is het zo’n 4,5 miljard euro. Iedereen die belasting betaalt, geeft een kleine één procent van zijn inkomen aan ontwikkelingssamenwerking. Dat is van honderd euro dus één euro. Ook ik doe dat. Ik maak dat geld niet zelf over naar een land, dat doen de ambtenaren op het ministerie.’

Bent u vaak in het buitenland geweest?

‘Ik ben voor mijn werk veel in het buitenland geweest, in Afghanistan, Suriname, China, India en ook in Ethiopië. Maar ik heb nooit in het buitenland gewerkt.’

Wat vond u het moeilijkst?

‘Het moeilijkste bij werkbezoeken vind ik het om een goede vraag te stellen aan mensen hoog in een regering. Je wilt een kritische vraag stellen, maar je wilt hen ook niet beledigen. Soms proberen we dan om een verhaal te schetsen. Dat was bijvoorbeeld bij die president in de Somalië-regio. Die man laat de mensen van het Rode Kruis niet toe. Hij meent dat zij de terroristen helpen. Wij weten niet of dat klopt. Wij weten ook niet of het terroristen zijn. Zelf zeggen ze dat ze vechten om eten te krijgen. We zijn er wel uitgekomen met de president. Van hem mag het Rode Kruis weer komen, maar onder de voorwaarde dat ze geen terroristen helpen.’

Hebt u wel eens medelijden met de mensen daar in de arme landen?

‘Soms wordt het me wel eens teveel, als ik heel erge dingen zie. Zo zag ik een keer een vrouw met een kindje langs de kant van de weg zitten toen de avond viel. Ik wist dat ze daar de hele nacht zou blijven zitten en dat het heel koud zou worden ’s nachts. Dat moet zo erg zijn voor een moeder, het moet haar zo’n pijn doen dat ze haar kindje geen warm huisje kan bieden. Ik zat in een bus toen ik het zag en kon niet helpen. Als het kan, geef ik wel een klein beetje geld. Zodat zo’n vrouw een week niet hoeft te bedelen. Maar het zou natuurlijk beter zijn als ze een baan zou kunnen krijgen en geld had om haar kindje naar school te sturen.’