De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk woensdag om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

Charlie Hebdo - De plicht om respectloos te zijn

‘Alle klootzakken moeten worden aangepakt’

Op de pagina’s van Charlie Hebdo leeft de cultuur van de jaren zestig voort: macht bestrijd je met de lach en taboes bestaan niet.

Medium casper10

In de dagen na de aanslag op de redactie van Charlie Hebdo was het bon ton om Charlie te zijn. Dagbladen plaatsten het voorgeschreven rouwmotto ‘Je suis Charlie’ op hun voorpagina, profielfoto’s op Twitter en Facebook werden vervangen door die drie woorden en zelfs de ouderwetse button deed weer dienst als symbool van engagement. De Courrier Picard deed het als een van de weinigen anders. De regionale krant, verspreid in het noorden van Frankrijk, had een tekst op de voorpagina die op het eerste gezicht nogal cryptisch leek: ‘Balles tragiques à Charlie Hebdo: 12 morts’. De krant verwees hiermee naar de oprichting van Charlie Hebdo waar ook een ‘bal tragique’ aan voorafging. Toen viel één dode te betreuren: president Charles de Gaulle.

Toen De Gaulle op 9 november 1970 overleed, was dat voor Frankrijk een moment van nationale rouw. De voorpagina’s van de kranten waren, net als nu, stemmig en donker. Het satirische weekblad Hara-Kiri deed er luchtig over. ‘Bal tragique à Colombey: 1 mort’ was hun kop. Het was een verwijzing naar een brand in een Franse discotheek in Saint-Laurent-du-Pont de week daarvoor, waarbij 146 doden vielen. Hara-Kiri verplaatste het ongeluk zogenaamd naar Colombey, de woonplaats van De Gaulle, en paste het dodental aan. De Franse autoriteiten konden er niet om lachen. Hara-Kiri werd van staatswege verboden, officieel omdat het blad pornografisch zou zijn (dat was het af en toe ook), maar het was glashelder dat spotten met ‘Le General’ een doodzonde was.

De redacteuren lieten het er niet bij. Ze richtten direct een nieuw blad op. ‘Hebdo Hara-Kiri is dood, lees Charlie Hebdo, de krant die profiteert van andersmans ellende’ was de verkoopslogan. De titel was een dubbele knipoog: naar Charlie Brown, het sullige baasje van Snoopy uit de Peanuts-_strips die _Charlie Hebdo afdrukte én naar de man met wiens dood niet mocht worden gespot.

Medium casper4

Grappen over een overleden president waren een schoolvoorbeeld, ‘Bête et Méchant’ (stupide en vilein) het motto dat Hara-Kiri, opgericht in 1960, voerde. De domheid waar het blad zich op liet voorstaan was die van de nar: een zelfgekozen onnozelheid die de vrijheid geeft om nooit een blad voor de mond te hoeven nemen. Het vileine zat ’m in de nietsontziendheid. Voor Hara-Kiri en zijn reïncarnatie Charlie Hebdo bestonden er geen taboes. Seks, geweld, het geloof en de macht, onderwerpen waar de doorsnee pers in de jaren zestig met een boog omheen liep, daar zette deze alternatieve pers bij voorkeur de tanden in. ‘Niets is heilig. Niet eens je eigen moeder, niet de joodse martelaren, zelfs niet de mensen die sterven van de honger. Lach om alles, hard en bitter, om de oude demonen uit te drijven’, zo verwoordde hoofdredacteur François Cavanna zijn journalistieke ethos. Nadat Hara-Kiri de nek was omgedraaid zette hij die missie voort bij Charlie Hebdo, waar hij tot aan zijn dood in 2014 bij betrokken was.

‘Bête et Méchant’ betekende dat er veel konten, piemels, poep en bloed op de pagina’s van Cavanna’s kranten te vinden waren, het liefst in combinatie met symbolen van autoriteit: priesters, politieagenten en politici. Hara-Kiri beeldde de maagd Maria af die net een abortus had ondergaan. Wie denkt dat Lady Gaga origineel was met haar vleesjurk: in maart 1966 stond er een foto op de cover van Hara-Kiri van een helblonde vrouw met een lange bloedworst om haar lichaam gewikkeld. Alles kon, zolang het maar afweek van de bourgeois voorkeur voor schoon en netjes.

Met Charlie Hebdo werd het iets serieuzer. In 1972 stond er een cartoon van defensieminister Michel Debré op de voorpagina, schuimbekkend met een trechter op zijn hoofd. Het was een aanklacht tegen Debré’s plan om militair oefenterrein te maken van boerenland in het zuiden van Frankrijk. Het was een dankbaar thema voor Charlie Hebdo, dat tegen militarisme was, het authentieke Franse platteland verheerlijkte en er genoegen in schepte gezagsdragers voor aap te zetten. De cartoon sloeg aan. Bij een demonstratie in Parijs een week later liepen duizenden betogers met een trechter op het hoofd.

Kuifje, de getekende held van het francofone taalgebied, werd afgebeeld als een genotzuchtige vrouwengek

Met zijn subversieve instelling was Charlie Hebdo een voorbeeld van een nieuw type pers dat vanaf de jaren zestig in de Verenigde Staten en Europa opdook. Het waren alternatieve krantjes, goedkoop gedrukt, onderling doorgegeven en met humor en spot als voornaamste stijl. Ze vormden een carnavaleske uitdaging voor de reguliere media. Niet kennis, maar onwetendheid werd als deugd bestempeld. Mad Magazine was een vroege voorloper uit de Verenigde Staten. In het Verenigd Koninkrijk ging de tegenbeweging naar de kiosk voor OZ, dat met woeste collages in psychedelische kleuren love, peace en linkse politiek vierde. Op de pagina’s van dit soort publicaties speelde de jongerenrevolte van de jaren zestig zich af. Ze waren een vrijplaats om de symbolen van de oude orde belachelijk te maken en te lezen over onderwerpen die elders niet aan bod kwamen: drugsgebruik, vrije seks en experimentele kunst.

Charlie Hebdo deed mee aan deze internationale persrevolte, maar wel met een Franse toets. Het was een bolwerk van gauchisme met veel aandacht voor de verworpenen van de welvaartsstaat: de arbeider, de werkloze, de immigrant. Vrijheid, gelijkheid en broederschap, de stichtingsmythe van de Franse republiek, reikte niet tot deze lagen van bevolking, was de overtuiging. Charlie Hebo onderscheidde zich bovendien door de aandacht waarmee er werd getekend. Het putte uit de levendige Franse bande dessinée-_cultuur. De strip, oorspronkelijk bedoeld voor kinderverhalen of als luchtig vermaak achter in de krant, werd door _Charlie Hebdo in de wereld van de volwassen media getrokken. Ook dat ging gepaard met het omverwerpen van heilige huisjes. Kuifje, de getekende held van het francofone taalgebied, werd afgebeeld als een genotzuchtige vrouwengek: ‘Tintin pour les dames.’

In het circus van de linkse media speelde Charlie Hebdo de rol van clown. Wie serieus geloofde in de revolutie las Libération, de krant die in 1969 werd opgericht door Franse maoïsten. Wie meer intellectuele diepgang zocht, kon terecht bij Politique Hebdo waarin je stukken van Foucault kon lezen. Hippies gaven de voorkeur aan Actuel, dat veel over muziek en drugs schreef. Charlie Hebdo deed van alles wat, maar behoorde tot geen enkele deelfractie binnen het linkse kamp. Wellicht dat het daarom als een van de weinige _underground-_tijdschriften de begintijd overleefde. Luchtige subversiviteit kun je steeds weer op nieuwe onderwerpen loslaten.

Toch was de geest van de jaren zestig tot op heden te proeven op de pagina’s van Charlie Hebdo. Dat kwam vooral omdat de redactie voor een deel bestond uit mannen die een leven lang voor het blad tekenden. Georges Wolinski en Jean Cabut (‘Cabu’) werkten vanaf het begin voor Hara-Kiri en gingen daarna mee naar Charlie Hebdo. Ze waren de pensioenleeftijd ver voorbij toen ze op 7 januari het slachtoffer werden van dodelijke terreur. Wolinski was tachtig jaar en werd geboren in Tunesië dat toen nog een Frans protectoraat was. Cabu was vier jaar jonger en was dienstplichtig soldaat in de Algerijnse oorlog. Beiden waren actief in de revolte van 1968. Philippe Honoré, nog een cartoonist die omkwam bij de aanslag, werd geboren in 1941 en werkte sinds de vroege jaren tachtig voor het blad. Hun eerste hoofdredacteur François Cavanna omschreef ze liefkozend als een groepje ‘pieds nickelés’ (nikkelen voeten), een Franse term voor iemand die maar wat aanrommelt. Nagenoeg niemand bij Charlie had een journalistieke opleiding. Een duidelijk beeld van het lezerspubliek was er evenmin. Iedereen kreeg gewoon een pagina om in volledige vrijheid te vullen.

De harde kern van de redactie, regelmatig aangevuld met tekenaars en auteurs van een wat later bouwjaar, loodste Charlie Hebdo door de veranderingen in Frankrijk gedurende de afgelopen halve eeuw. De uitgangspunten bleven daarbij ongewijzigd. Niets en niemand verdient op voorhand respect, geen advertenties in het blad (want dat is een knieval voor de commercie) en alle ‘cons’ (klootzakken) moeten worden aangepakt. ‘Chasseurs = sales cons’ (jagers zijn vuile klootzakken) stond er in september 1971. ‘C’est dur d’être aimé par des cons’ (het is moelijk om bij klootzakken geliefd te zijn) stond er in 2006 onder een tekening van een wanhopige profeet Mohammed.

Medium casper5

De vroege jaren zeventig waren de hoogtijdagen voor Charlie Hebdo. Wekelijks gingen er 150.000 exemplaren over de toonbank. Het tij was gunstig: de alternatieve cultuur begon na 1968 steeds meer mainstream te worden. Frankrijk nam langzaam afscheid van het gaullistisch model met zijn stevige sociale voorzieningen. Georges Pompidou, die vanaf juni 1969 in het presidentieel paleis huisde, was voor de _Charlie-_cartoonisten een ideale schietschijf die kon worden afgebeeld als een kapitalist met dikke pens en hoge hoed die armen uitknijpt (of met tulband: ‘Ali Baba en zijn 400 rovers’).

Met zelfspot en lichte trots erkenden de medewerkers dat het verwijt van ‘phallocratie’ op zijn plaats was

Dankzij een serie stripverhalen van Cabu over de Franse first lady (Les aventures de madame Pompidou) belandde het blad opnieuw in het beklaagdenbankje, ditmaal vanwege het beledigen van het staatshoofd. De redactie van Charlie Hebdo, met haar lak aan decorum, nam Pompidou genadeloos op de korrel toen bekend werd dat hij aan kanker leed. Er verschenen cartoons van monsieur le president die zijn ingewanden uitkotst, in staat van ontbinding verkeert en op zijn doodsbed ligt. Daarna regende het woedende brieven waarin het blad tot ‘kanker van de geschreven pers’ werd bestempeld.

Charlie Hebdo deed meer dan enkel het tarten van de burgermoraal. Het blad organiseerde met succes demonstraties tegen kernenergie, voerde campagne tegen de doodstraf (die tot 1977 werd uitgevoerd, met guillotine) en was een vroege voorvechter van burgerrechten zoals privacy. Ook vond het blad nieuwe vormen uit door sociale misstanden via getekende journalistiek aan de kaak te stellen. Cabu maakte in 1973 een serie over het ruimen van de sloppenwijken rondom Nice. Met beeld deed hij verslag van hoe de burgemeester van de kustplaats parkeermeters liet plaatsen door het bedrijf waarvan zijn vrouw grootaandeelhouder was. Opnieuw leverde het een rechtszaak wegens smaad op.

Eén punt dat de generatie ’68 op de agenda had gezet deed Charlie Hebdo weinig. Het feminisme kon niet op veel sympathie rekenen bij de redactie, die pas in 2004 een eerste vrouwelijke tekenaar verwelkomde. Op de pagina’s van Charlie Hebdo bestonden eigenlijk maar twee soorten vrouwen: de domme bimbo met pront achterwerk om in te knijpen of de uitgezakte huisvrouw in soepjurk die haar beste jaren achter de rug had. Het was een vrouwbeeld dat paste bij de wat nerdy tekenaars van de krant: het andere geslacht als gewillig lustobject en anders als kenau. Met een combinatie van zelfspot en lichte trots erkenden de medewerkers dat het verwijt van ‘phallocratie’ op zijn plaats was. In antwoord op boze feministen prijkte er een tekening van een vrouw met een welgevormd lichaam en een wrattig gezicht op het omslag. Kop: ‘Is de vrouw een object?’ De begeleidende tekst: ‘De kont, ça va, maar de kop, die is zo gek nog niet.’

Na 580 nummers kwam er een voorlopig eind aan het feest. Het was een direct gevolg van slordig boekhouden, teruglopende verkoopcijfers en een veranderende tijdgeest. De vrolijke linkse strijd tegen de autoriteiten verloor aan glans met het aanbreken van de zakelijke jaren tachtig. En het schokeffect waar Charlie Hebdo het patent op had, daar was het nieuwtje ook wel van af. Bijtende satire in getekende vorm konden lezers inmiddels ook in meer reguliere kranten vinden. Wat ook niet hielp: de politiek was links geworden. Na drie opeenvolgende rechtse presidenten kozen de Fransen in 1981 voor de socialist Mitterrand. Zijn voorganger, Valéry Giscard d’Estaing, kon nog worden beschimpt als een arrogante _wannabe-_aristocraat, maar Mitterand nodigde de communisten uit mee te regeren, verruimde uitkeringen en legde de rijken een ‘solidariteitsbelasting’ op. Weinig vruchtbare bodem voor een blad dat graag tekeerging tegen grootverdieners. In januari 1982 verscheen de laatste editie. Op de cover werd de balans opgemaakt: ‘Dertien gelukkige jaren’ waaronder ‘drie olieschokken, vierhonderd miljoen hongerdoden en het uitblijven van Jezus’ terugkeer’.

Een etentje bij brasserie Lipp, op de Boulevard Saint-Germain tegenover het café waar Sartre altijd zat te roken, legde de basis voor de wederopstanding. Wolinski dineerde daar in 1990 met Philippe Val, een voormalig mijnwerker die succes had beleefd als liedjeszanger en daarna journalist werd. Zijn eigen satirisch tijdschrift (‘La Grosse Bertha’, opgericht om te protesteren tegen de Eerste Golfoorlog en waar verschillende oud-Hebdo’ers voor werkten) was stukgelopen en Val zocht naar een nieuwe titel. ‘Neem Charlie Hebdo, die naam is al tien jaar vrij’, suggereerde Wolinski. Er werden financiers gevonden, secretaresses aangesteld en er werd een kantoorruimte geregeld. Voor het eerste nummer werd een zwetende Mitterrand getekend die de herrijzenis van Charlie Hebdo als nieuwe kopzorg had. Er werden in één klap 120.000 exemplaren verkocht.

Medium casper3

In zijn nieuwe gedaante ging Charlie Hebdo verder op de oude voet. ‘We hebben de plicht om respectloos te zijn’, zo verwoordde de nieuwe baas Philippe Val de missie van het blad. De tekenaars slepen hun pen voor bekende onderwerpen: het lot van de arbeiders, dierenrechten en laïcité, de overtuiging dat staat en kerk strikt gescheiden moeten zijn. Toen Frankrijk in 1998 de wereldkampioenschappen voetbal organiseerde, ging Charlie Hebdo voorop in de ‘Cobof’, ‘le Comité pour l’organisation du boycott de la Coupe du monde de football en France’. Georganiseerde spektakelsport werd met genoegen afgeserveerd als een opiaat dat het volk in slaap suste. Tijdens de Zomerspelen van 1972 werden sporters door hen als SS’ers bestempeld. Het WK 1998 was fout omdat er publiek geld aan werd besteed en omdat er teams naar Frankrijk kwamen uit landen met een twijfelachtige reputatie op het gebied van mensenrechten.

‘Je zult zien dat we straks fatwa’s aan onze kont hebben hangen’, voorspelde hoofdredacteur Charbonnier

Ook de gang naar de rechtszaal bleef een terugkerende gebeurtenis. Charlie Hebdo volhardde in de anticlericale houding waarmee het het katholieke deel van Frankrijk keer op keer de wenkbrauwen deed fronsen. In 1996 moedigde het blad iedereen die zich ergerde aan de pauselijke afkeuring van abortus en anticonceptie aan om een drol de draaien op de stoep van hun lokale kerk. Ze werden aangeklaagd en kregen een van de weinige juridische nederlagen te verstouwen. In hoger beroep oordeelde de rechter dat Charlie Hebdo ditmaal te ver was gegaan. Winnen of verliezen, het deed Charlie niet zo veel. ‘We hebben de meeste van onze rechtszaken gewonnen. Er is jurisprudentie dankzij Charlie Hebdo. We zijn daar blij mee’, blikte Philippe Val later terug.

De Navo-bombardementen ten tijde van de Kosovo-oorlog in 1999 brachten een eerste koerswijziging aan het licht. De nieuwe baas Val was een voorstander van militaire acties tegen de Serviërs, een standpunt dat botste met de pacifistische traditie van het blad. Voor de hele linkse politiek in Europa was Kosovo een moment om de dogma’s van non-interventie en schone handen opnieuw te bezien, en voor Charlie Hebdo was het niet anders. De Kosovo-kwestie was een eerste vingeroefening van hoe het linkse blad moest reageren op daadwerkelijk militair vertoon van het eigen land, een kwestie die na 11 september 2001 alleen maar belangrijker zou worden. Dat historische moment werd door Charlie Hebdo met karakteristieke morbide humor aangepakt. Cabu tekende een beurshandelaar die de vliegtuigen op de torens af ziet gaan en ‘verkopen!’ in de telefoon schreeuwt.

Philippe Val, die in 2004 hoofdredacteur werd, bracht een meer serieuze toon aan. Geboren in een arbeidersgezin in 1952 behoorde hij niet tot de lichting die in 1968 de barricades op ging. Hij geloofde in provocatieve humor als wapen, maar tekende niet voor de alles-moet-kunnen-houding die de eerste levenscyclus van het blad typeerde. Val trok nieuwe, jongere tekenaars aan, onder wie Stephane Charbonnier (‘Charb’), de hoofdredacteur die op 7 januari werd vermoord. Ook verbreedde Val het journalistieke arsenaal van Charlie Hebdo. De combinatie van satire en onderzoeksjournalistiek werd versterkt bij het ‘journal irresponsable’, zoals het motto inmiddels luidde. In 1998 bracht het weekblad aan het licht dat de Franse staat na de Tweede Wereldoorlog 17.000 gehandicapten gedwongen sterilisatie had laten ondergaan omdat ze ongeschikt werden geacht voor het ouderschap. Vanaf 2007 presenteerde Charlie Hebdo onderzoeksdossiers in stripverhaalvorm over de opkomst van president Nicolas Sarkozy.

Onder Val werd ook voor het eerst een grens getrokken tot waar satire reikt. In juli 2008 publiceerde het blad een column over het huwelijk tussen Jean Sarkozy (zoon van) en Jessica Sebaoun, een telg uit een rijke joodse familie. De auteur, oudgediende Maurice Sinet (‘Siné’), suggereerde dat Jean Sarkozy zich uit opportunisme tot het jodendom zou bekeren en het daarom ver zou schoppen in het leven. Andere media zagen het als een smakeloze antisemitische grap, die leunde op de karikatuur van de rijke jood. Siné werd door Val gevraagd om zijn verontschuldigen aan te bieden. Hij weigerde en werd ontslagen. Veel lezers waren woedend en vonden het hypocriet. De rechter stelde de ontslagen Siné in het gelijk: de grap viel binnen de grenzen van vrijheid van meningsuiting.

In de jaren waarin Charlie Hebdo de Sarkozy-dynastie op de korrel nam, werd ook de islam als object van spot ontdekt. Sinds het uitbreken van de war on terror ging het debat over de plaats van de islam in de westerse samenleving. Charlie Hebdo kon terugvallen op zijn traditionele anti-autoritaire opstelling en pesthekel aan religie. In 2006 drukte het blad de beruchte Mohammed-cartoon uit de Deense Jyllands-Posten af, waarbij de tulband van de profeet als een bom was getekend. Het resultaat was een cyclus van woedende moslims en rechtszaken aangespannen door islamitische organisaties waarmee Charlie vervolgens weer de spot kon drijven. Als reactie op protesten tegen de cartoon kwam Charlie Hebdo met het nummer waarin de profeet zich erover beklaagde zoveel ‘cons’ onder zijn volgelingen te hebben. Binnenin stond een manifest tegen ‘islamitisch totalitarisme’, ondertekend door onder anderen Ayaan Hirsi Ali en Bernard-Henri Lévy.

Wat betreft de oplage was de islamsatire een succes. Het Mohammed-nummer beleefde twee herdrukken en verkocht vierhonderdduizend keer. Het was een verkooppiek voor een blad dat voor de rest tegen een dalende oplage aankeek. Het lag niet aan een gebrek aan onderwerpen. Vader en dochter Le Pen en hun Front National kregen ervan langs met dezelfde stok als de moslimfundamentalisten. En nog steeds bleef Charlie Hebdo aandacht vragen voor de groepen in het afvoerputje van de Franse republiek: kansarme gezinnen in voorsteden, de sans papiers. De verkoopcijfers liepen desondanks terug naar gemiddeld dertigduizend exemplaren.

Medium casper9

Wat ook veranderde was het maatschappelijk klimaat. Hoe grof ze ook waren, de enige manier waarop Charlie werd bestreden was met zachte wapens: met de boze brief of desnoods de rechter (in totaal bijna vijftig keer, Charlie won driekwart van de zaken). Na 2001 kwam er een groep bij die deze spelregels van de democratie niet accepteerde. De eerste afrekening voor de islamkritiek waren doodsbedreigingen. Er volgde persoonlijke beveiliging en werken achter geblindeerde ramen. Toen in november 2011 de islamitische Ennahda-partij de eerste vrije verkiezingen in Tunesië sinds de onafhankelijkheid in 1956 won, kwam Charlie met een speciale Charia Hebdo met de profeet Mohammed als fictieve gasthoofdredacteur (‘100 zweepslagen als je niet sterft van het lachen’). ‘Je zult zien dat we straks fatwa’s aan onze kont hebben hangen’, voorspelde hoofdredacteur Stephane Charbonnier. Kort daarna legde een brandbom de redactieburelen in de as. ‘Goed, alles is verwoest, we gaan wat anders doen’, was de reactie van ‘Charb’.

Uiteindelijk bleef Charlie Hebdo juist hetzelfde doen. Autoriteit belachelijk maken, zich verdedigen in de rechtbank tegen religieuze organisaties en spotprenten tekenen met de profeet Mohammed als onderwerp. Sinds die eerste aanslag werd de redactie permanent bewaakt. ‘Soms, als ik ’s ochtends op kantoor kom, vraag ik me af of ik het ben die bij de politie werkt, en zij bij Charlie’, grapte Charbonnier over zijn lijfwachten. Zijn plaats op een al-Qaeda-dodenlijst deed hem de schouders ophalen. ‘Ik heb geen kinderen, geen vrouw, geen auto, geen leningen’, zei Charbonnier in een interview met Le Monde. ‘Het klinkt misschien wat pompeus, maar ik sterf liever dan op mijn knieën te leven.’


Beeld: (1) Charlie Hebdo nummer 1, november 1970. (2) Hara-Kiri, oktober 1968. (3) Charlie Hebdo_, april 2012 (Cabu / Charlie Hebdo). _(4) Januari 2014 (Luz / Charlie Hebdo). (5) Het nieuwe omslag, 13 januari 2015 (Luz / Charlie Hebdo).