Alle leeftijden

Invoelend roept Lieke Kézér een beeld op van een in rouw gedompeld gezin © EyeEm / HH

In de bloedhete zomer van 1994 zet de schrijver Thomas Noorman zijn drie ontredderde kinderen in een camper en rijdt naar het zuiden. Sinds Kira, zijn vrouw en hun moeder, vijf maanden geleden bij een ongeval om het leven kwam doen ze hun best het met z’n vieren te redden. Maar Thomas – een man van 44 die de ochtend na de begrafenis de gebruiksaanwijzing van de wasmachine zoekt omdat hij geen idee heeft hoe die werkt – is op, het ankerloze gezin moet eruit: ‘Weg van het graf met de steen die zo schoon en nieuw was dat het niet om aan te zien was. Weg van de boze tongen die geen genade kenden.’

De verloren berg is de tweede roman van Lieke Kézér, die in 2017 voor De afwezigen de ANV Debutantenprijs en de Bronzen Uil won. In haar debuut ontvouwde ze het verhaal van de begenadigde maar getroebleerde saxofonist Joshua James via de perspectieven van verschillende mensen die hem omringen. Het leverde een prachtig geraffineerd beeld op dat iets mysterieus behield door Joshua’s eigen blik buiten beschouwing te laten. In De verloren berg varieert Kézér op dat procédé en is Kira de moedervormige leegte die langzaam gevuld raakt met herinneringen van Thomas en kinderen Cleo, Mathilde en Tommie. In korte hoofdstukjes laat Kézér twee tijden alterneren: enerzijds de maanden tussen de dood van Kira en het moment dat de vier vertrekken uit het kustplaatsje waar ze wonen; anderzijds de weken van hun reis door de Pyreneeën. Het geeft het verhaal een wiegende cadans – de bergen, de zee, de bergen, de zee.

Invoelend roept Kézér een beeld op van een in rouw gedompeld gezin, met dof verdriet en onderdrukte wanhoop: ‘Ineens brandde overal licht, alle deuren stonden open. Een kleine ridder met een plastic zwaard voerde een schijngevecht in de gang. Een meisje stond met hangende schouders voor haar kledingkast. Op zolder trok Cleo de deken over haar hoofd, ze krulde zich op als een jong kind. De koelkast was leeg. Er was geen melk voor pap, geen yoghurt.’ De stijl van Kézér blinkt uit in verzorgdheid, haar zinnen zijn prettig onsentimenteel, en toch straalt er warm mededogen van af. In een simpele pennenstreek roept ze karakters en gemoedstoestanden op: ‘Ze zaten aan de ontbijttafel. Mathilde had paarse irissen in een glazen pot gezet, ze had sinaasappels uitgeperst en haar nagels tot op de huid stukgebeten.’

Typisch zo’n roman waarvoor de term 'a good read' lijkt uitgevonden

De grote troef van De verloren berg is de subtiliteit waarmee Kézér laat zien dat het verhaal dat we onszelf over onze naasten vertellen niet noodzakelijkerwijs met de waarheid van de ander overeenkomt. Terugblikkend op haar leven begint Thomas in te zien hoe blind hij is geweest voor Kira’s teleurstellingen over haar gestrande schrijverschap. Terwijl haar dichtbundel flopt en haar roman mislukt, groeit hij uit tot een succesvol romancier. Het is niet dat hij uitgesproken traditionele opvattingen heeft, maar het komt hem wel goed uit wanneer zij met een zwangerschapstest in haar handen zegt dat ze nu niet meer hoeft te schrijven: ‘Zij was er voor hen geweest, zij had zich helemaal gegeven en niets achtergehouden, zodat hij er voor zijn boeken kon zijn, de veeleisende literatuur die nergens anders ruimte toe had gelaten.’

Kézér haalt de stilzwijgende veronderstelling – of misschien is wishful thinking hier gepaster – van de mannelijke kunstenaar, dat het moederschap zijn vrouw voldoende levensvreugde biedt, vakkundig en pijnlijk onderuit. Daarmee gaat De verloren berg ook een interessante dialoog aan met recente autofictie van schrijfsters als Bregje Hofstede, Saskia De Coster en Niña Weijers, die expliciet vanuit het perspectief van de vrouwelijke kunstenaar nadenken over de vraag hoe literaire ambities zich verhouden tot een kinderwens en zo tornen aan de conventies die Kira knechten.

Opmerkelijk genoeg begint de roman ondanks de wezenlijke thematiek gaandeweg toch steeds lichter aan te voelen. Kézérs observaties zijn raak, maar omdat personages hooguit een paar regels nadenken over hun emoties en handelingen is de uitwerking ervan zelden diep: ‘Zijn vrouw was van alles, een herinnering, een droom, een fantasie, maar ze was niet hier. Het fysieke gemis, daar had hij voor haar dood niets van geweten, het hunkerende lichaam.’ Juist omdat het lijfelijke van rouw zo levendig voorstelbaar is, klinkt ‘hunkeren’ voor zo’n nieuwe sensatie onbevredigend algemeen. Ook is de roman in plot en aanwijzingen net te voorspelbaar, want natuurlijk knoopt Thomas een affaire aan met de knappe kleuterjuf van zijn zoontje. En als hij zich tegen het eind van de reis kettingrokend afvraagt ‘of zijn gezin de zwaarste beproeving nu doorstaan had’, voel je als lezer ook wel aan je theewater aan dat die vast nog moet komen.

De verloren berg is typisch zo’n roman waarvoor de term a good read lijkt uitgevonden: gezinsdrama, ontroerende personages, rouw als universeel thema, herkenbare emoties, een gepolijste stijl, suspense, het heeft het allemaal. Het verhaal trekt dan ook als een film aan je voorbij, maar wel eentje die misschien al te moeiteloos het Alle Leeftijden-keurmerk zou verkrijgen. Hoe ingrijpend het verdriet ook is, het blijft altijd precies te hanteren, de twee pikante scènes zijn keurig afgelopen voor het echt spannend wordt, ruzies lopen nooit gierend uit de hand, en na de spannende ontknoping volgt loutering en hoop. Voor een roman die zo verontrustend duidelijk maakt dat we zelfs de mensen die ons nabij zijn nooit volledig kunnen kennen, is De verloren berg verbazingwekkend geruststellend.