Mark Rutte in de Tweede Kamer tijdens een debat over de mislukte formatieverkenning, 1 april © Robin Utrecht / ANP

Er was eens een ober die voor de rechter moest verschijnen omdat hij zijn gasten telkens te weinig wisselgeld gaf. Elke keer, zo verdedigde de ober zich, kon hij het uitleggen, hij was simpelweg zo slecht in rekenen. Na hem een middag aangehoord te hebben vroeg de rechter: zeg eens, als u telkens een rekenfout maakt, geeft u dan ook weleens gasten te veel wisselgeld terug?

Ik moest aan die anekdote uit het Engelse recht denken toen GroenLinks-leider Jesse Klaver afgelopen donderdag alle keren opsomde (memo dividendbelasting, slachtoffers Hawija, Zijlstra in een datsja, telefoneren met Teeven) dat Rutte’s geheugen hem in de steek liet. Over die reeks vergeten, cruciale momenten zei Rutte: ‘Van ieder van die voorbeelden kan ik uitleggen dat ik de waarheid heb gesproken.’

Hij bedoelde het vast niet zo, maar die reactie vatte in de kern het probleem samen dat Rutte zelf nog steeds niet lijkt te begrijpen: hij kan inderdaad altijd alles uitleggen. Dat is ook heel knap, te knap eigenlijk. Na tien jaar premierschap beschikt Rutte over wat je zou kunnen noemen ‘een surplus aan politiek vakmanschap’.

Hoe gevaarlijk dat overschot aan politiek vernuft is, had hij heel goed kunnen weten als hij zich nog eens had verdiept in het lot van Lyndon Baines Johnson. Naar eigen zeggen verslond Rutte de veelgeprezen meerdelige biografie van de 36ste president van de Verenigde Staten geschreven door journalist Robert A. Caro. Rutte’s favoriete deel is het derde, Master of the Senate. Daarin lezen we weergaloos gedetailleerd hoe Johnson in de jaren vijftig als Democratische fractieleider in de Senaat het verdeelde, nauwelijks functionerende instituut volledig naar zijn hand zette.

Twee andere delen kreeg Rutte cadeau van president Obama, tijdens een staatsbezoek. Rutte heeft biograaf Caro al meerdere malen opgezocht in New York. Bij een zo’n afspraak, zo vertelt hij graag vol jongensachtig plezier, had hij een ontmoeting geregeld tussen Caro en Bill Clinton; de biograaf wilde horen hoe Amerikaanse presidenten de fysieke ruimte van het Oval Office gebruiken om hun tegenstanders te imponeren.

Wie de biografieën kent kan niet anders dan iets johnsoniaans in onze premier, the master of the Binnenhof, ontwaren. Johnson kon als geen ander ‘stemmen tellen’, hij wist precies hoe zijn collega’s zouden stemmen, en wanneer hij eenmaal wist hoe de politieke kaarten geschud waren liet hij zich nimmer hinderen door morele scrupules. Hij was in alles toegewijd aan de politiek, hij maakte dagen van twintig uur, in zijn leven was er niets anders dan dat ene doel: president worden. (Wat hem pas lukte toen Kennedy werd doodgeschoten in Dallas.)

‘Power is where power goes’, zei Johnson graag. De twee meter lange Texaan had een eigen zwaartekracht, alle macht boog richting hem. En als hij de macht niet had, dan maakte hij de macht zelf wel.

Het probleem bij het debat van afgelopen donderdag was dat Rutte de belangrijkste les van het presidentschap van Johnson niet paraat had – dat staat opgetekend in het vijfde deel. Maar dat is nog niet gepubliceerd. Toch weten we de onderdelen van dat deel: het zal enerzijds gaan over Johnsons grootste bouwwerk; de civil rights-wetten, zijn war on poverty, staatszorgverzekeringen voor de allerarmsten, kortom, Amerika als een beetje beschaafde moderne verzorgingsstaat. Anderzijds zal het gaan over Johnsons ergste schande, dat enorme zinkgat: de Vietnamoorlog. Johnsons politieke gedraai en doofheid voor de publieke verontwaardiging over de oorlog leidde tot zijn ondergang, en de introductie van een term die zijn presidentschap lang zou kenmerken: the credibility gap – de ‘geloofwaardigheidskloof’.

Dat begon bij een verkiezingsbelofte in 1964: ‘We seek no wider war.’ Later in de campagne werd hij concreter: ‘We are not about to send American boys nine or ten thousand miles away from home to do what Asian boys ought to be doing for themselves.’

In tegenstelling tot zijn Republikeinse tegenstander Barry Goldwater was Lyndon Johnson naar buiten de ‘peace candidate’. Achter de schermen plande hij de inzet van Amerikaanse mariniers in Vietnam. Nadat hij de verkiezingen in november 1964 glansrijk en onvermijdelijk won, begon in februari 1965 de escalatie van het conflict. Tegen het einde van zijn eerste volle presidentstermijn in 1968 waren er meer dan een half miljoen Amerikaanse jongens die Aziatische oorlog ingestuurd, en al dertigduizend gesneuveld. Bij elke stap dieper het moeras van de Vietnamoorlog in voelde het binnen Washington misschien onwenselijk, maar ook onafwendbaar. Dan moesten die verkiezingsbeloftes toch maar gebroken worden. Bovendien ging het goed, aldus de wekelijkse perscommuniqués uit Saigon. Al was daar eigenlijk weinig onderliggend bewijs voor. En jongens die terugkwamen uit Vietnam hadden ook niet de indruk dat er schot in de zaak zat.

Daarom plakte de New York Herald Tribune in 1965 de term ‘credibility gap’ op de president. Retorisch was het raak: president Johnson kon dan misschien niet politiek gekruisigd worden op één afzonderlijke leugen, daar kwam hij telkens wel mee weg, hij was er behendig genoeg voor en had genoeg politici in zijn zak om hem te dekken. Maar alle leugens bij elkaar opgeteld, onder de streep, hadden wel degelijk een waarneembaar, eroderend effect op de geloofwaardigheid. Daar konden de media wél over berichten.

Het slimme van die term was dat het altijd een beetje vaag bleef wie die geloofwaardigheidskloof nou waarnam, waren dat de Amerikaanse burgers? Of alleen de lezers van argwanende kranten? Of waren het journalisten zelf die een geloofwaardheidsprobleem ervoeren bij Johnson? Het ‘frame’ paste op niets precies, en daardoor perfect op alles wat de regering-Johnson deed.

‘De politieke waarheid is geen uitgangspunt meer, maar een optie’

Een iconisch moment van wantrouwen vond plaats in 1965, toen de president naar het ziekenhuis verdween. Volgens zijn perschef voor een galblaasoperatie. Niemand geloofde dat, geruchten dat Johnson een tweede hartaanval had gehad (de eerste had hij in 1955 op 47-jarige leeftijd) bleven hardnekkig rondgaan. Totdat de president tijdens een persconferentie een einde maakte aan de speculatie, door z’n hemd uit z’n broek te trekken en ten overstaan van de camera’s op het verse litteken op z’n buik te wijzen. Je kon de hele snee nog zien zitten.

Cartoonist David Levine tekenende de scène na, in de spotprent had het langgerekte litteken de vorm van Vietnam.

Washington, 17 november 1967. President Lyndon Johnson in het Witte Huis tijdens een persconferentie over Vietnam © Bettmann / Getty Images

Afgelopen donderdag zagen we bij Rutte iets vergelijkbaars gebeuren. Als het had geholpen had hij ook z’n hemd uit z’n broek getrokken, getuige de spontaan opgebiechte ‘via via’-route. Hij had niet gelogen, hield hij vol, slechts vanwege een haperend geheugen ‘naar eer en geweten’ een onwaarheid gesproken.

In het debat opende zich ontegenzeggelijk een geloofwaardigheidskloof. Al noemen we dat bij Rutte niet zo, voor onze premier gebruiken we de term ‘Rutte-doctrine’. Die term is, ironisch genoeg, afkomstig uit een openbaar gemaakt app-gesprek tussen twee rijksambtenaren die bespreken hoe moeilijk het is om stukken te delen met de Kamer vanwege ‘de Rutte-doctrine’.

Gretig doken pers en tegenstanders op die ‘doctrine’: eindelijk was er een naam voor de opeenstapeling van leugens en onwaarheden, voor zwartgelakte gegevens, voor te laat naar de Kamer gestuurde dossiers. Wat de term vangt is niet iets precies, en daarmee alles. Dat is exact de retorische kracht. Komiek Kees van Amstel vergeleek de Rutte-doctrine onlangs met het higgsdeeltje: ‘We kunnen het niet direct waarnemen, maar door alle rare gebeurtenissen rond de overheid kunnen we tóch veronderstellen dat hij er is.’

Zo werkt een geloofwaardigheidskloof: elk leugentje op zich is weg te verklaren. Maar toch is daar die optelsom: bewindslieden Ivo Opstelten, Fred Teeven en Ard van der Steur gingen samen met Kamervoorzitter Anouchka van Miltenburg ten onder in de bonnetjesaffaire. In de toeslagenaffaire sneuvelde eerst staatssecretaris Menno Snel, daarna ging Rutte praten met de ouders. Die vertelden voor de camera’s dat de premier een traan had gelaten. Alexandra van Huffelen was vervolgens het politieke gezicht van de mislukte oudercompensatie, en toen het kabinet viel was Eric Wiebes de enige minister voor wie de affaire echt consequenties had.

Er staat altijd iemand tussen Rutte en een schandaal in. Maakt niet uit wat het schandaal is. Deze keer waren het de verkenners Annemarie Jorritsma en Kajsa Ollongren die eindeloos de politieke conclusie ‘wij zijn verantwoordelijk’ presenteerden. Wanneer er dan eens niemand tussen Rutte en het schandaal in staat, heeft hij er geen ‘actieve herinnering’ meer aan.

‘Hey, hey, LBJ, how many kids did you kill today?’ scandeerden demonstranten tegenover het Witte Huis – Lyndon Baines Johnson kon ze horen in zijn werkkamer. Hij voerde sinds het begin van zijn politieke carrière, in navolging van fdr, Franklin Delano Roosevelt, zijn initialen als politiek beeldmerk. Nu waren die initialen besmet.

In maart 1968 verraste president Johnson daarom de natie door plechtig te beloven niet mee te doen aan de volgende verkiezingen, ook niet als de partij hem daarvoor zou vragen. In deel vier van de biografie verklapte Caro al dat Johnson hoopte alsnog gevraagd te worden; dat gebeurde niet.

‘Ik heb geen moment aan opstappen gedacht’, zei Rutte na afloop van een bijna twaalf uur durend debat vrijdagnacht: ‘Ja’, zei de premier, ‘ik vind mijzelf wel geloofwaardig.’

Iedereen weet dat je dat niet over jezelf kunt zeggen. Tegelijkertijd, en dat wist Rutte, want hij kan het politieke speelveld inschatten als geen ander: de Kamer kan een fractieleider niet naar huis sturen.

Robert Caro noemt Johnsons presidentschap in interviews en lezingen graag een ‘waterscheiding’ in het politieke landschap. Voor Johnsons presidentschap stroomden de rivieren de ene kant op, na zijn presidentschap de andere. De belangrijkste waterscheiding ging uiteindelijk over het aanzien van de president. Voor Johnsons presidentschap hadden de Amerikanen ontzag voor het ambt van president, na Johnson was daar weinig meer van over.

Journalist en aanjager van de bonnetjesaffaire Bas Haan vatte in zijn boek De rekening voor Rutte de morele aftakeling van de politiek de afgelopen tien jaar krachtig samen: ‘De waarheid is in de politiek geen uitgangspunt meer, maar een optie.’ Als een volleerd politiek vakman overziet Rutte altijd alle opties. En grijpt hij telkens naar de optie die hem het beste uitkomt.